Scheveningse gevangenis

Biografie legt geweld in nazibajes ‘Oranjehotel’ bloot

Zo'n 25.000 mensen zaten er vast tijdens de Tweede Wereldoorlog, naast verzetsmensen onder meer honderden kinderen, ontdekte historicus Bas von Benda-Beckmann. Hij schreef een boek over het Oranjehotel, dat vandaag als herinneringscentrum wordt geopend door koning Willem-Alexander.

Jong en oud, hoog- en laagopgeleid, links en rechts: de mensen die in de oorlogsjaren vastzaten in de Scheveningse strafgevangenis, voor korte of langere tijd, kwamen uit alle delen van de Nederlandse samenleving. Historicus Bas von Benda-Beckmann deed voor het Niod Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies onderzoek naar de geschiedenis van het ‘Oranjehotel’, zoals de gevangenis in de volksmond werd genoemd: een eerbetoon aan de verzetsstrijders die er waren opgesloten.

Maar onder de gevangenen waren ook honderden kinderen. “Dat heeft me heel sterk geraakt. Ik las het in een dagboek van een gevangene. Hij schrijft dat zijn celgenoot wordt meegenomen en hij hoort dan huilende baby’s en kinderen. Ik wist niet wat ik zag: huilende baby’s en kinderen in een gevangenis? Later hoorde ik het van meerdere kanten en ik las het ook in andere dagboeken en brieven van gedetineerden. En ik heb gesproken met iemand die als achtjarig meisje in het Oranjehotel heeft gezeten.”

Volgens Von Benda-Beckmann zijn het er zeker zo’n vijfhonderd geweest, mogelijk meer. Baby’s, peuters, kleuters, pubers: “Het waren bijna allemaal Joodse kinderen. Er is weinig archiefmateriaal van de Scheveningse gevangenis bewaard gebleven, maar ik heb lijsten bestudeerd van transporten naar Westerbork, daarop staan namen met geboortedata, en met een beroep op het Joods Monument (een website met alle Nederlandse Joden die slachtoffer werden van de Holocaust, red.) kun je dan zien dat een meisje van twee jaar dat in Scheveningen heeft vastgezeten een paar weken later vergast is in Auschwitz. Dat confronteert je met het feit dat de Holocaust nadrukkelijk aanwezig was in het Oranjehotel, al is het in de herinnering meer verbonden met het verzet.”

Vrachtwagen met de laatste vrijgelaten gevangenen uit het Oranjehotel, 7 mei 1945. Beeld Foto privécollectie familie Van Hasselt

De officiële naam was Deutsches Untersuchungs- und Strafgefängnis, of korter: de Polizeigefängnis. De naam Oranjehotel dankte het barakkencomplex aan de Van Alkemadelaan aan het feit dat er in de jaren 1940-1945 veel verzetsmensen vastzaten en verwijst naar de koninklijke familie, het symbool van het vrije Nederland. “De meerderheid waren politieke gevangenen”, zegt Von Benda-Beckmann. “En dat is een heel breed begrip: van Engelandvaarders tot mensen die gewapend verzet pleegden, van hulp aan onderduikers tot belediging van de Wehrmacht, van het luisteren naar de BBC – wat verboden was – tot het overvallen van distributiekantoren.”

Maar er zaten ook mensen vast die verdacht werden van economische misdrijven, die een slaatje hadden willen slaan uit de schaarste aan voedingsmiddelen: zwarthandelaars bijvoorbeeld, mensen die illegaal dieren hadden geslacht, dieven, kortom: de kleine criminelen. “Er heeft altijd het beeld bestaan dat dat maar een heel kleine groep was die in het niet viel bij de politieke gevangenen. Maar in een bepaalde periode zat ruim een derde van de gedetineerden vast vanwege economische delicten. Dat is toch een behoorlijk aantal.”

Dagboeken

De 'Doodencel 601' van het Oranjehotel met gedenkboek voor de slachtoffers Beeld anp

Dat zij vrijwel nooit worden genoemd (ook amper in het standaardwerk van Loe de Jong) is volgens Von Benda-Beckmann wel te verklaren: “Zij hielden geen dagboeken bij en schreven weinig brieven, politieke gevangenen deden dat wel. Zij domineren dus de bronnen waarop historici zich baseren.”

Er was nog een derde groep in het Oranjehotel: de vervolgden. Homoseksuelen bijvoorbeeld, Roma en Sinti, en Joden. Zij vormden door de jaren heen ongeveer 10 procent van de populatie. Joden waren er maar heel kort, meestal één à twee weken. Zij gingen al snel op transport naar Westerbork en vandaar naar de vernietigingskampen. Sommige treinen reden rechtstreeks van Den Haag naar Duitsland en Polen.

Teksten op de muur in dodencel 601, in het gerestaureerde cellencomplex van het Oranjehotel, de bijnaam voor de Scheveningse gevangenis tijdens de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste Duitse gevangenis op Nederlands grondgebied opent op 7 september de deuren voor het publiek. Beeld ANP

Direct nadat de Duitsers het Scheveningse huis van bewaring hadden overgenomen, voerden zij het nazistrafrecht in en vervingen zij de Nederlandse bewaarders door Duitse. Die waren een stuk harder en onvriendelijker. Sommigen hadden aan het Oostfront gevochten en hadden een uitgesproken nationaal-socialistische scholing. Een beruchte bewaarder was Joseph Kotälla, na de oorlog één van de zogeheten Vier (later Drie) van Breda. Hij had het vooral voorzien op Joodse gevangenen. Kotälla kon buitengewoon wreed zijn. In 1941 werd hij overgeplaatst naar kamp Amersfoort.

“Geweld was een constante factor in het Oranjehotel”, zegt Von Benda-Beckmann. “Het was steeds potentieel aanwezig. Het was meestal niet voorspelbaar, kwam onverwacht. Als bewaarders dronken waren, ramden ze er soms op los, sloegen ze iemand totaal in elkaar. Maar het was niet zo dat elke gevangene werd geslagen en mishandeld. Zelfs niet alle Joden werden geslagen en mishandeld. Terwijl er tegen hen wel heel excessief geweld is gepleegd. Bovendien werden ze zwaar gediscrimineerd, kregen vrijwel nooit privileges zoals een voedselpakket van het Rode Kruis, dat voor andere gevangenen soms wel beschikbaar was.”

Mishandeling

Het regime in Scheveningen was harder dan in andere gevangenissen in Nederland, maar milder dan in bijvoorbeeld de kampen in Amersfoort en Vught. Het werd harder naarmate de oorlog vorderde. Het hing ook sterk af van de bewaarders en wie de leiding had in de gevangenis. Enkelen waren zeker gevreesd, anderen hadden een goede naam, zoals de gemoedelijke Hans Joch, een overtuigde SS’er, maar wel ‘een humaan mens’, zoals oud-gevangenen hem omschreven. “Sommige gevangenen schrijven veel positiever over hun bewakers dan je zou verwachten”, aldus Von Benda-Beckmann.

De zware mishandelingen en martelingen kostten enkele gedetineerden het leven. Ook op dit punt wil de historicus het traditionele beeld nuanceren. “Dat een groot aantal mensen het verblijf in het Oranjehotel niet heeft overleefd, zoals vaak wordt gezegd, klopt niet. Op grond van mijn onderzoek concludeer ik dat tien mensen in de gevangenis gedood zijn, tijdens hun verhoor bijvoorbeeld, maar exacte cijfers zijn er niet.“

Meer duidelijkheid bestaat er over het aantal executies op de Waalsdorpervlakte, een paar kilometer verwijderd van de gevangenis. Dat waren er tenminste 250. De meesten van de terdoodveroordeelden brachten hun laatste dagen in het Oranjehotel door. Bas van Benda-Beckmann beschrijft in zijn boek hoe die executies verliepen, het zijn beklemmende passages. ’s Ochtends arriveerde er een vrachtwagen bij het gevangeniscomplex, met een commando van de Ordnungspolizei die de gevangenen inlaadde. Er volgde een tweede auto met onder anderen de Staatsaanwalt en een protestantse en katholieke geestelijke. “Het laatste stuk ging te voet. Vlak voor de executieplaats las de aanklager nogmaals het vonnis voor, waarna het vuurpeloton het vonnis voltrok.” Volgens sommige getuigenissen kregen de Duitse soldaten na afloop een borrel omdat ze zulk zwaar werk hadden verricht.

Het Oranjehotel.

Het gemiddelde verblijf in het Oranjehotel was zeven weken. Wie geluk had, zat alleen in de eenpersoonscel van zo’n acht vierkante meter. Maar vaak zaten er drie, vier, vijf of wel zes gevangenen in die krappe ruimte. De enige brits was voor de oudste, of de langstzittende of degene met de zwakste gezondheid, de rest sliep op strozakken op de grond. Het kon er vreselijk stinken: in de hoek stond een zogeheten kiebelton waarop iedereen zijn behoefte moest doen. Die moest ’s ochtends geleegd worden.

Pesterijen

Het eten was uitgesproken slecht en bij de geringste overtreding van de strenge regels kon je ook nog eens ‘kalte Kost’ opgelegd krijgen. Dat betekende dat je een paar dagen geen soep en/of warm eten kreeg, en alleen een paar karige boterhammen. Voortdurend waren er pesterijen van de bewaarders. Een veelvoorkomende straf was ook dat je voor een of meerdere nachten je strozak moest inleveren en op de harde vloer moest slapen.

Gevangenen probeerden er het beste van te maken. Van papier knipten ze bord- en kaartspelen. Met Sinterklaas lazen ze elkaar zelfgemaakte gedichtjes voor. En met Kerst zongen ze kerstliederen. Als het meezat was er op die donkere dagen, als het gemis van de dierbaren het grootst was, een extra pakket van het Rode Kruis, of van de familie.

Het voordeel van meer mensen op één cel was wel dat je contact met anderen had. Er kwamen de vreemdste combinaties voor: een zwarthandelaar met een hoogleraar die een verzetsdaad had gepleegd, een atheïst met een streng gereformeerde.

Von Benda-Beckmann: “Er waren zoveel verschillende mensen met zoveel verschillende achtergronden met zoveel verschillende sociale, politieke en religieuze opvattingen in zo’n hele kleine ruimte. Ik vond het fascinerend om tijdens mijn onderzoek te ontdekken hoe die sociale interactie verliep. Hoe moet je je als vroom mens opstellen als je celgenoot de hele dag loopt te schelden op de bijbel en de kerk? De auteur Simon Vestdijk, toch echt niet gelovig, schreef achteraf dat hij zich tijdens zijn gevangenschap heeft gerealiseerd wat het belang van religie is. Er zijn mensen bekeerd in het Oranjehotel.”

Sommige celgenoten konden elkaar niet luchten of zien. Anderen sloten vriendschappen voor het leven, ook al hadden ze op het eerste oog niets gemeen met elkaar. Von Benda-Beckmann: “Gevangenschap legt altijd al veel druk op je, en zeker in het Oranjehotel waar niet alleen een streng regime, maar ook willekeur heerste. Gevangenschap dwingt tot zelfreflectie, hoe je in het leven staat, zeker als je geconfronteerd wordt met mensen met een andere levensvisie. En die kans was in het Oranjehotel heel groot. Het was al die jaren daar een enorm gevarieerde groep.”

Bas von Benda-Beckmann: Het Oranjehotel, Een Duitse gevangenis in Scheveningen. Querido, Amsterdam. 464 blz. € 24,99

Het Nationaal Monument Oranjehotel gaat morgen open voor publiek. Meer informatie op www.oranjehotel.org.

Zij zaten vast in het Oranjehotel:

Rudolph Pabus Cleveringa Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Rudolph Cleveringa (1894-1980) Hoogleraar rechtsgeleerdheid in Leiden. Hield in november 1940 een befaamde rede waarin hij het opnam voor Joodse collega’s die door de Duitse bezetters waren ontslagen. Zat tot midden 1941 vast in Scheveningen. Werd in 1944 gijzelaar in kamp Vught. Na de oorlog werd hij weer hoogleraar en lid van de Raad van State.

Erik Hazelhoff Roelfzema

Erik Hazelhoff Roelfzema (1917-2007) Bijgenaamd Soldaat van Oranje. Ook betrokken bij het verzet van de Leidse Universiteit. Zat in april 1941 een week vast in Scheveningen. Dook daarna onder en werd Engelandvaarder. Kreeg pilotenopleiding bij de Royal Air Force. Schreef over zijn ervaringen het boek Soldaat van Oranje, dat verfilmd is en al jaren een succesvolle musical is.

Sschrijver Simon Vestdijk Beeld ANP

Simon Vestdijk (1898-1971) Schrijver/arts was vanaf mei 1942 gijzelaar in een kamp in het Brabantse Sint-Michielsgestel, waar veel intellectuelen en prominenten door de Duitsers waren samengebracht. Hij werd begin 1943 overgeplaatst naar Scheveningen. Zijn ervaringen daar verwerkte hij in zijn boek Pastorale 1943, dat ook verfilmd is. Na een maand ging hij weer terug naar Sint-Michielsgestel.

Pater Titus Brandsma Beeld ANP

Titus Brandsma (1881-1942) Karmelietenpater, filosoof, auteur en mysticus, van Friese afkomst. Zeer geliefd in deze provincie en ver daarbuiten. Verzette zich fel tegen het nazisme. Werd in 1942 gearresteerd en gedetineerd in Scheveningen. Via kamp Amersfoort kwam hij in concentratiekamp Dachau terecht waar hij in 1942 overleed. Paus Johannes Paulus II verklaarde hem in 1985 zalig.

George Maduro

George Maduro (1916-1945) Antilliaans-Joodse verzetsheld. Vocht in mei 1940 tegen de Duitsers. Werd als krijgsgevangene gedetineerd in Scheveningen waar hij een halfjaar vastzat. Via Spanje en Portugal probeerde hij naar Engeland uit te wijken, maar werd verraden. Opnieuw gearresteerd en gedeporteerd naar Dachau waar hij is overleden. Postuum onderscheiden met de Militaire Willemsorde. Naamgever miniatuurstad Madurodam.

Lees ook:

Hoogleraar Cleveringa deed veel meer dan die ene moedige protestrede

In 1940 hield professor Rudolph Cleveringa zijn fameuze protestrede - ‘de beste speech van Nederland’ - tegen het ontslag van zijn collega Eduard Meijer bij de Leidse Universiteit , vanwege diens Joodse afkomst. Kees Schuyt schreef een biografie over Cleveringa.

Bér Schroen maakte als 14-jarige de bevrijding mee: ‘Die beelden raak je niet meer kwijt’

Op 31 augustus begon de formele viering van de bevrijding van Nederland, 75 jaar geleden. Bér Schroen – nu 89, toen 14,5 – verwelkomde de eerste Amerikaanse pantserwagens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden