Betty met haar man Jan van Geest .

NaschriftBetty van Garrel 1939-2020

Betty van Garrel beheerste de kunst van het kijken

Betty met haar man Jan van Geest .

Als kunstjournaliste en schrijfster observeerde ze scherp en onbevangen, met oog voor absurde details. Ze hield van kunstenaars die ontregelden – en zij hielden van haar. Met Betty kon je enorm lachen, al had ze ook een melancholieke kant.

Betty van Garrel en schrijver Herman Pieter de Boer deelden een zwak voor schele en loensende mensen. ‘Hou jij ook van schele mensen?’ was zijn openingsvraag bij hun kennismaking in 1971 in het Amsterdamse journalistencafé Scheltema. Het was het begin van een correspondentie van twee speelse geesten die een jaar later resulteerde in het onvolprezen ‘Zalig zijn de schelen’: een unieke verzameling verhalen, anekdotes en grappige invallen die ze elkaar al associërend schreven.

In het boek – heruitgegeven in 2012 – toont Betty zich een meesterlijk verteller die haar zinnen subtiel wist te doseren. Het was een talent waarmee ze, zonder dat ze daar op uit was, ook succes had bij cafébezoekers. Niet zelden stonden ze na enige tijd om haar heen, terwijl ze anekdotes opdiste die getuigden van zelfspot en een antenne voor het bizarre.

Ze was perfectionistisch, een fijnzinnig stilist met een zwierige pen. Dat bleek niet alleen uit haar monografieën gewijd aan de kunstenaars Klaas Gubbels en Henri Plaat, maar ook uit de vele stukken die ze in haar lange carrière als journalist schreef: reportages, interviews, beschouwingen, met name over moderne beeldende kunst en literatuur. Grote affiniteit had ze met de Nederlandse Nul-beweging waar ze als een van de eersten over schreef, evenals over conceptuele kunstenaars als Wim T. Schippers, Ger van Elk, Bas Jan Ader, Stanley Brouwn en Oey Tjeng Sit. Betty beheerste de kunst van het kijken. En luisteren. Nuchter duidde ze de soms onpeilbare ideeënwereld van kunstenaars en wist zo een brug te slaan naar de krantenlezer die weinig op had met vreemde kunstvormen. Veel had ze daarbij te danken aan Armando die haar ooit het vak leerde. Zijn advies ‘doe alsof je net van de maan komt vallen en schrijf het zo op’ heeft ze zich altijd ter harte genomen. Ze observeerde zoals ze ook op iedereen afstapte: open en onbevangen. 

Tweede helft jaren zestig.

Haar voorliefde voor het absurde en ontregelende ging gepaard met een melancholische fijngevoeligheid. In het werk van de door haar bewonderde kunstenaars Willem den Ouden en Jaap Hillenius herkende ze dat soort gevoeligheid.

Het is verleidelijk Betty’s melancholieke kant en haar ontvankelijkheid voor het afwijkende en extreme te herleiden tot haar jeugd. Die werd getekend door het vroege overlijden van haar vader – ze was toen twaalf – en de theatrale gekte van haar moeder. Ze groeide op in Amsterdam waar haar vader carrière maakte bij Wyers, groothandel in woningtextiel. Eerder had hij, samen met zijn beste vriend, Dansinstituut Van Garrel opgezet. Hij kon goed dansen, vooral de tango. Daarmee won hij tijdens de bevrijdingsfeesten na de oorlog de hoofdprijs: een pakje shag. Betty herinnerde zich hoe ze soms met blote voeten op zijn schoenen mocht staan en hij met haar de tango danste in de huiskamer.

Plotselinge uitbarstingen

Zijn dood kwam hard aan. De moeder van Betty werd weduwe nog voordat de Weduwen- en Wezenwet bestond, er was armoede in het gezin. Erger waren de grillen en plotselinge uitbarstingen van haar moeder die meer dan eens dreigde haar hoofd in de gasoven te steken – en eenmaal de daad bij het woord voegde, maar van tevoren wel het keukenraam open had gezet.

Tweede helft jaren zeventig.

Vanaf de geboorte van haar zusje Letty, die zes jaar jonger was, voelde Betty zich verstoten. Toen ze eens in haar eentje een museum binnenging, ontdekte ze abstracte kunst en werd geraakt door de onbegrijpelijke maar fascinerende beelden die een raam openden naar een geheel andere, onbekende wereld. Sindsdien vluchtte ze vaak het huis uit naar musea waar ze de dagelijkse werkelijkheid vergat.

Haar verstikkende leven thuis eindigde een paar jaar later toen ze een romance kreeg met een student die bij hen een kamer huurde: prompt zette moeder beiden het huis uit. Betty betrok een kamertje bij een oudere hospita en was blij met haar vrijheid, al voelde ze zich schuldig dat ze haar zusje achterliet. De relatie met haar moeder bleef altijd moeizaam, toch stond Betty steeds weer klaar als er een beroep op haar werd gedaan.

Geboren voor het vak

Na de mms zette ze haar eerste stappen in de journalistiek met stukjes voor kleine tijdschriften en periodieken. Ze had een journalistieke nieuwsgierigheid en brede interesse. En plezier in het schrijven, altijd al: op de lagere school haalde ze moeiteloos negens en tienen voor opstellen. Ze was geboren voor het vak.

Nadat Armando haar in de jaren zestig had opgemerkt en naar de Haagse Post haalde waar hij chef kunstredactie was, kreeg ze alle ruimte haar talent te ontplooien. Ze raakte hecht bevriend met collega K. Schippers die meer dan wie ook haar geestverwant was. Samen werkten ze aan omslagverhalen, onder andere over dichter-literator Victor van Vriesland. Ook na hun vertrek bij de HP vonden ze elkaar voortdurend. Zo interviewden ze getweeën kunstenaars in Parijs voor het culturele magazine Hollands Diep dat ze in 1975 met Hans Sleutelaar, Gerard Brands en Max van Rooy hadden opgericht. Het blad maakte in korte tijd furore, maar ging in 1977 over de kop.

Met K. Schippers voor een interview bij kunstenares Sonia Delaunay in Parijs, 1977.

Een nieuwe vrijplaats vonden ze bij NRC Handelsblad. Daar, bij de cultuurbijlage CS, hing eenzelfde geestrijke sfeer als bij Hollands Diep: “alles was mogelijk, als je maar met een goed verhaal thuiskwam”, vertelde Betty later. Zo trok ze onder meer met Toearegs door de Sahara om rotsgravures te bekijken. En voor een vrolijke serie op de modepagina bezocht ze als ‘inspectrice van de kleerkast’ bekende Nederlanders.

Naast het schrijven van stukken werkte ze geregeld mee aan tv-programma’s over kunst waaronder ‘De ivoren toren’. Het was een bestaan met veel roken, drinken en deadlines. Ze trof vrienden en gelijkgestemden in linksige kunstenaarskringen. Tegelijk was ze geïntrigeerd door de, toen nog niet door drugscriminaliteit gedomineerde, onderwereld die ze in de kroeg leerde kennen: er hing een zweem van romantiek rond kleurrijke penozefiguren als Haring Arie en Pistolen Paultje. Een poosje had ze een verhouding met kunstenaar en beeldhouwer Theo Niermeijer die later, na hun verbroken contact, werd opgepakt voor cocaïnebezit en stierf in de gevangenis.

Onverschrokken houding, maar ongedefinieerde angsten en zorgelijkheid

Betty van Garrel had meer relaties, trouwde, maar haar grote liefde was haar tweede man Jan van Geest, kunsthistoricus en docent architectuur aan de TU Delft, die ze in 1983 ontmoette in een buurtcafé in de Amsterdamse Jordaan. Zijn achtergrond, van oorsprong degelijk katholiek, was anders dan de hare. Hun humor, ironie en belangstelling voor kunst en cultuur hadden ze echter gemeen. Ze inspireerden elkaar. Tegen VPRO-boekenpresentator Wim Brands zei ze eens: “Hij zat niet in een hokje, ik hou daar van: open zijn”.

Kinderen kregen ze niet, maar Yuri, de zoon van haar zus Letty die ze van jongs af vaak opving, sloot ze in haar hart. Ze gingen samen veel op pad, ook als volwassene vergezelde hij haar weleens op reis. Saai was het nooit. Samen in München koos zij een café uit waar extreem-rechts zich graag bleek op te houden. Terwijl Yuri de angst naar de keel vloog, ging zij in haar artistieke panterjas rustig aan tafel zitten bij mannen met een Totenkopfring en begon met ontwapenende vrijmoedigheid een kritisch gesprek.

Die onverschrokken houding viel moeilijk te rijmen met haar veelal ongedefinieerde angsten en zorgelijkheid. Ze kon over veel inzitten en was ook bezorgd om Jan, die na een operatie halfzijdig verlamd raakte, zijn laconieke houding viel haar niet makkelijk. Toch bleven ze actief en reislustig zolang het kon. Reizen moesten wel een doel hebben, aan gewone vakanties deden zij niet. Behalve als ze Jans broer Dammie en diens man Paul Haenen bezochten in hun tweede huis in Frankrijk.

Betty in haar laatste jaren, voordat ze ernstig ziek was.

Betty en Jan verhuisden naar Bloemendaal waar hij was opgegroeid. Hier konden ze hun kunstbibliotheek beter kwijt dan in hun te krappe Amsterdamse woning. Letty’s dood in 2003 en die van Jan drie jaar later waren een enorme klap die ze moeilijk te boven kwam. Betty had altijd plannen, maar haar portret van de Duitse schilderes Else Berg in 2012 was haar laatste boek. Gaandeweg werd ze minder ondernemend, de laatste jaren leidde ze, net als haar moeder destijds, een teruggetrokken leven. Ze was inmiddels ernstig COPD-patiënt en hield bezoek af. De covid-uitbraak verergerde haar eenzaamheid. Alleen Yuri en haar nicht Marion liet ze op afstand toe. Yuri was het die Betty op een ochtend dood in bed vond: haar lichaam had het opgegeven.

Elizabeth Johanna Catharina van Geest – van Garrel werd geboren op 26 mei 1939 en overleed op 24 juli 2020 in Bloemendaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden