NaschriftBetty Burggraaff (1937-2020)

Betty Burggraaff (1937-2020) liet zich door niemand de wet voorschrijven

Betty Burggraaff-Moscovit in 2019.

Bij Betty Burggraaff stond de deur altijd wagenwijd open voor iedereen die hulp nodig had. Ze streed tegen alles wat zij onrechtvaardig vond. Dat ze daarin op haar eigenzinnige manier erg vasthoudend was, vond ze heel normaal.

Wanneer Betty Burggraaff-Moscoviter iets kon regelen, stelde ze het nooit uit tot de volgende dag. Die levensinstelling had ze opgedaan in de oorlogsjaren, toen omstanders acuut actie ondernamen en zo haar leven redden. Met die houding zorgde Betty niet alleen voor haar gezin met zeven kinderen – iets waar ze erg trots op was – maar ook voor ettelijke personen die haar levenspad kruisten. Meestal waren dit mensen die wel een steuntje in de rug konden gebruiken: ze nam pleegkinderen in huis, maar ving ook junkies op die wilden afkicken of prostituees die uit het vak wilden stappen. Volledig oordeelsvrij was ze. 

Ze zette zich overigens ook hartstochtelijk in voor een stoplicht waar het ratelende geluid van kapot was, waardoor blinden niet konden oversteken. De Amsterdamse zat nooit verlegen om het juiste woord en kreeg veel voor elkaar. Zeker toen ze voor het CDA in de gemeenteraad van Weesp kwam. Ze was geliefd, maar ook gevreesd; als Betty iets in haar hoofd had, zat het nergens anders. Als zij vond dat iets onrechtvaardig was, kon ze flink doordrammen en was ze niet altijd even diplomatiek.

Toen ze eens tijdens een gewestraadsvergadering een heikel thema wilde aansnijden – de bebouwing van de Bloemendalerpolder – werd ze onder tafel door een mederaadslid geschopt. “Voorzitter”, zei ze toen, “ik word tegen mijn schenen geschopt, iemand wil kennelijk dat ik mijn mond houd, maar ik wil toch graag even zeggen...” en vervolgde rustig haar betoog. In de veertien jaar dat ze in de Weesper raad zat, wisten bewoners: als je iets voor elkaar wilt krijgen, geef het dan aan Betty, die gooit het wel in de rondvraag.

Betty (links) met haar broer Sidney en zus Ada na hun hereniging na de Tweede Wereldoorlog.

Ze liet zich door niemand de wet voorschrijven, leerde ze al jong. Als kleuter zat Betty in 1942 samen met haar moeder Sara Moscoviter-Cune en haar zus Ada in de tram in Amsterdam toen er een razzia werd gehouden. Terwijl haar moeder door de Duitsers uit de tram werd gesleurd, namen omstanders het jonge tweetal snel op schoot – als waren het hun eigen kinderen. Zo werden hun levens gespaard. Via de Joodse ­crèche kwamen de meisjes en hun broer Sidney op verschillende onderduikadressen terecht. Haar vader overleefde de oorlog door onder te duiken, maar haar moeder werd op 3 september 1943 in Auschwitz vermoord.

Opnieuw stond haar leventje compleet op z’n kop

De kleine Betty van Beek – dat was haar onderduiknaam – wist van niks en woonde blijmoedig bij het kinderloze echtpaar Hamstra in het Limburgse Nuth – ze had het er naar haar zin. Na de oorlog kwam ineens haar vader op bezoek. Daarna bleef ze nog twee jaar in Limburg wonen tot hij zijn zaakjes op orde had in Amsterdam en hij haar ophaalde. Ze was nu tien jaar en opnieuw stond haar leventje compleet op z’n kop. Het was aanvankelijk lastig om een innige band met haar oorspronkelijke gezin op te bouwen en met haar strenge stiefmoeder, die ook getekend was door de oorlog, kon ze slecht overweg. Ze beschouwde haar pleegmoeder nog altijd als haar echte moeder. Ze hielden altijd contact en toen pleegmoeder Riek jaren later alleen kwam te staan, haalde Betty haar naar Weesp.

Betty werd kapster, net als haar echte moeder, en ontmoette eind jaren vijftig Jan Jaring, student aan de Rietveld-kunstacademie. Ze kregen vijf kinderen: Stella, Allard, Ruben, Zadok en Mirjam. Een omslag in haar leven was de bekering tot de Messias. Ze was toen 27 jaar en haar echtgenoot volgde hierin. Hierdoor lukte het haar om haar vurige haat jegens Duitsers te verzachten, vertelde ze in een interview met ‘Jewish Testimonies’: “Tijdens de jaarlijkse dodenherdenking hoorde ik vlak bij me een man Duits spreken. Hoewel boosheid normaal opspeelde, merkte ik dat ik nu volkomen rustig bleef. Na de twee minuten stilte ging ik naar hem toe en zei: Ik ben Joods. De Heer heeft mij genezen van de haat tegen uw volk. De man wist niet wat hem overkwam en begon te huilen.”

De kinderen van Betty Burggraaff-Moscoviter. Vanaf links: Zadok, Aize, Allard (met snor), schoondochter Mieke, Mirjam, Rifka (staand) Stella (zittend) en Ruben.

Het stel organiseerde bijbelkringen en toen hun flat te klein werd, verhuisden ze naar de oude kosterwoning van de Lutherse kerk aan de Derde Weteringdwarsstraat in Amsterdam. In De Loofhut, zoals zij het pand met tien kamers noemden, vonden veel verschoppelingen een plekje. Junkies, zwervers, prostituees of mensen die gewoon een kop soep nodig hadden. De zorgzame Betty regelde dat er een uitkering kwam of poeierde pooiers zo pittig af dat die zich nooit meer vertoonden. Rap van tong was ze en nooit bang.

Hans Burggraaff, zeventien jaar jonger, viel op slag voor de energieke en ondeugende Betty

De kinderen waren tussen de 4 en 15 jaar oud toen het huwelijk op de klippen liep. Betty bleef alleen met de kinderen in het huis achter. Totdat er op een dag een student geneeskunde binnenwandelde, die ze kende van de bijbelkringen. Hans Burggraaff, zeventien jaar jonger, viel op slag voor de jeugdige, energieke en ondeugende Betty. Hij was dol op haar kinderen en hun verliefdheid groeide uit tot een huwelijk van 44 jaar. Samen kregen ze nog twee kinderen: Aize en Rifka.

Betty en haar man Hans in 2019.

Het bonte gezin groeide langzaam maar zeker uit tot een hechte familie. Ze hadden amper geld, maar Betty bestierde ’s ochtends een agentschap voor Trouw en serveerde ’s avonds bij Bistro Annet om de hoek. En dan lukte het haar ook nog om vrolijk zingend door huis te zwieren. Ze maakten er echt iets van met elkaar: als uitje gingen ze ’s avonds in de plassen stampen of naar de bandenboot volgestapeld met autobanden – een spannende speelplek. 

Als moeder was Betty zorgzaam en supertrots op haar set van zeven. Ze waakte als een havik over haar kinderen. Ze had een radar voor zaken die niet in de haak waren. In hun puberteit plukte ze hen nog weleens uit een kroeg: op tijd thuiskomen was een heilige regel. Maar als Betty de gelegenheid had om haar kinderen de hemel in te prijzen, sloeg ze die niet over.

De haarlemmerolie van de huisartsenpraktijk

De vrijgekomen praktijk in Weesp waar Hans aan de slag kon als huisarts zagen ze als een godsgeschenk. Al moest Betty erg wennen. Ze kon er niet slapen, zo stil was het. Ze miste de reuring van Amsterdam: in haar oude buurt kende ze iedereen en iedereen haar. Hoewel ze haar rol als vrouw en assistent van de huisarts aanvankelijk beklemmend vond, werd ze later de haarlemmerolie van de huisartsenpraktijk.

Verder genoot ze van haar functie als bijzonder ambtenaar burgerlijke stand en jurylid van de Weesper Cultuurprijs, en ze regelde de collecte voor KWF Kankerbestrijding. Ook was ze vormingswerker bij het CDA Amsterdam. Omdat ze als onbenoemd ombudsvrouw zo’n beetje overal iets van vond, zei haar man op een gegeven moment: “Als je zoveel vindt, doe er dan zelf iets aan”. Daarop ging ze als raadslid aan de slag. Ze ontving voor haar verdiensten een koninklijke onderscheiding in de Orde van Oranje-Nassau en de zilveren speld van het CDA.

Ze veranderde ook nog van kerk. Betty voelde zich enorm thuis bij de Evangelische missiekerk voor Indische Nederlanders: de energieke geloofsbeleving met zang en dans en gezamenlijk eten na de dienst spraken haar erg aan.

Tot haar man enkele jaren geleden aan kleine dingen merkte dat er iets mis was. Ze was altijd geweldig goed geweest met cijfers, maar wist op een dag haar pincode niet meer. Ze had best in de gaten wat er loos was, maar wilde absoluut niet dat iemand het kwam te weten – ook haar kinderen en kleinkinderen niet. Uit respect voor haar wens ving Hans die eerste tijd haar alzheimer zelf op, tot het niet meer ging en hij met pijn in het hart een familieberaad belegde. Bij de supermarkt en de kapper merkten ze ook al: Betty was niet meer diezelfde pittige tante, ze was broos geworden.

Er werd een groot vangnet met steun opgezet, tot dat wegviel door corona. Haar motoriek verslechterde. Op 6 juli, na een val van de trap diezelfde dag, overleed ze in het ziekenhuis. Op haar uitvaart werd geheel in Betty’s stijl volop gedanst en reageerden toehoorders met instemmende kreten op de speeches die over haar klonken. Niemand hield zich in.

Betty Burggraaff-Moscoviter werd geboren op 10 september 1937 in Amsterdam en ­overleed aldaar op 6 juli 2020.

Trouw beschrijft het leven van onlangs overleden heel gewone of bekende mensen. Heeft u zelf een tip voor Naschrift? Mail ons via naschrift@trouw.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden