Rene de Bos: “Ik loop weg voor drukte. Als ik nu die foto zie van de Everest, met die file...”

Levenslessen Bergbeklimmer René de Bos

Bergbeklimmer René de Bos: De top is het doel niet

Rene de Bos: “Ik loop weg voor drukte. Als ik nu die foto zie van de Everest, met die file...”

René de Bos (60) was geschokt toen hij deze zomer de klim-file zag op de Mount Everest, op de grens van Nepal en Tibet. In 1990 was hij de eerste Nederlander op die top. Deze vertelt hij zijn over zijn levenslessen in Trouw. ‘Ik zoek het niet meer hoog en ver. Laatst ging ik met mijn vrouw de Brudelhorn op. Kwamen we twee mensen tegen.’

1 Spaar voor vakanties

“Mijn ouders spaarden het hele jaar voor de zomervakantie. In 1964 ging het gezin met drie jongens in de Kever naar Karinthië. Later ook Zwitserland en Italië. Met de Ford Taunus, Opel Record of Renault 16. We deden veel met elkaar in die vakanties. Ik was de jongste en een beetje het buitenbeentje.

Mijn vader Tamme was een Fries, hoofdagent van politie in Den Haag en een zeiler. We hadden dus een boot en die boot ging altijd mee op vakantie, op een aanhangwagen achter de auto. Op het dak van de auto een door mijn vader gemaakte kist. Dat was het zelfgemaakte keukencomfort dat in de bungalowtent kwam te staan. Stond mijn moeder Ini altijd te koken.

Elke week van het jaar kocht ze een paar extra blikjes conserven, bewaarde die en nam ze mee op vakantie, in een andere kist die mijn vader zo had gemaakt dat hij tussen de assen van de aanhangwagen paste. We hoefden dus geen dure boodschappen op de camping te doen. We aten uit blik. Op de terugweg zat die kist vol met flessen wijn. De douaniers hadden niks door, keken alleen even onder het zeildoek van de boot. Bij thuiskomst deelden we die flessen uit aan familieleden.

Op die vakanties zeilden we op de meren. We gingen de bergen in. Heerlijk buiten, klooien bij stroompjes, dammetjes bouwen. Ik wilde steeds verder. Ik was heel nieuwsgierig. Ik wilde weten wat er achter de heuvel lag. Maar ik wist altijd: als de tijd om is, gaan we terug. Of later: we maken een bivak en gaan hier overnachten.”

2 Houd de touwtjes in handen

“Ik was 17 toen ik in de Dolomieten voor het eerst rotsklimmers bezig zag. Gaaf! Mijn ouders vonden het te gevaarlijk. Toen ik een vrije jongen werd, deed ik het toch. Werd lid van bergsportverenigingen en behaalde klimdiploma’s. In mijn Golf GTI reed ik in het weekeinde naar de Ardennen. Daarna kwamen de Alpen, klimmen in rots en ijs. Ik ging toerskiën en beklom ten slotte met vriend Michel de Mont Blanc. Dat was mijn leven. Toen het in de Ardennen drukker werd en je klimkaarten moest bemachtigen om toegang te krijgen, zag je mij daar niet meer. Ik ben geen massamens.

Ik loop weg voor drukte. Als ik nu die foto zie van de Everest, met die file... Als ik nu dertig zou zijn, hoefde ik niet naar de top van de Everest. Ik heb graag zelf de touwtjes in handen en in zo’n file heb je dat niet. Als ik achter een eikel zou staan die niet meer weet wat hij doet en ik moet daar wachten bij -20 en de wind steekt op? Ik vertrouw alleen op mezelf. Als er een fout wordt gemaakt, wil ik die zelf maken.”

3 Doe waarmee je bezig moet zijn

“De Everest is een bucketlist-ding geworden. Geen klimervaring? Maakt niet uit, ze gaan gewoon die berg op. Op zo’n hoogte, met zoveel mensen tegelijk, dat is voor iedereen gevaarlijk. File-lopen op een berg is alles wat klimmen niet moet zijn. Sinds die berg vercommercialiseerd is – let wel: ik ging in 1990 mee met één van de allereerste commerciële expedities – koopt iedereen zich in en het lijkt wel alsof veel organisatoren denken: ga lekker mee, betaal die 50- tot 80.000 dollar en als je het niet haalt, pech gehad. Een krant plaatste die dag naast die file-foto een foto van mijn beklimming in 1990. Zag je twee poppetjes. Wij stonden met elf man op de top. Niet met honderd.

Mensen gaan hun grens voorbij en sterven. Als je moeilijke routes gaat doen, kun je het niet permitteren grenzen voorbij te gaan, in je neus te peuteren of aan thuis te denken. Je moet bezig zijn met waarmee je bezig bent. Een vriend schreef dat ooit achter op een foto die hij had gemaakt toen ik op een parkeerplaats mijn stijgijzers zat te vijlen: ‘Mijn vriend, bezig met waarmee hij bezig is.’ Ik had mijn aandacht daarop gericht. Ik kan dat goed.”

4 Neem een halve kip mee

“Klimmen is een uitlaatklep. Een uitweg uit het geregelde leven en de stress van alledag. Zat ik met mijn maatje Michel op de zuidoostflank van de Mont Blanc – daar planden we bewust een bivak, buiten het bereik van alles en iedereen. Namen we een halve kip mee, een stuk stokbrood en Averna kruidenlikeur. Plus een sigaar. Dan beschouwden we vanaf het bivak de wereld.

Die top moet het doel niet zijn. Die top is wel mooi. En haal je hem niet? Dan ga je toch een andere keer? Maar mensen pochen dat ze naar de top gaan en moeten hem dus koste wat kost bereiken. De basis van de bergen voor mij is: weg zijn van de drukte. In Chamonix of Zermatt in de zomer? Hordes mensen. Daarom ga ik daar in de herfst heen. Dan is de rust wel te vinden hoor. Het kan nog wel. Ik zoek het niet meer hoog en ver, maar afgelegen. Deze zomer ben ik met mijn vrouw de Zwitserse Brudelhorn opgegaan. Kwamen we twee mensen tegen.”

5 Een bergtop is geen vingerkootje waard

“Ik was in 1990 veertig minuten op de top. Met elf man op 20 vierkante meter ongeveer. Er hebben inmiddels duizenden klimmers op de top van Everest gestaan. Ik was nummer 400 of zo. Die laatste passen naar de top waren onwerkelijk. Dat uitzicht! De allerhoogste plek ter wereld. Fenomenaal. Het was me allemaal waard. Maar nu? Er gaan er zo veel dood. Tien procent sterft onderweg.

Had het mij kunnen overkomen? Kijk, een misstap is gauw gemaakt, maar een bergtop is mij geen vingerkootje waard. Toen niet en nu niet. Ik ben vaak genoeg omgekeerd met de gedachte: dan maar niet. Het deed me wel wat ja, René de Bos de eerste Nederlander op de top. Maar de liefde voor Nepal die ontlook was belangrijker. Of het gevoel op mezelf aangewezen te kunnen zijn. Veel klimmers zijn gedreven, verbeten en egoïstisch. Ik hoor er niet echt bij. Daarom ben ik geen bekende Nederlandse bergbeklimmer. Ik kwam terug in Kathmandu en belde naar mijn moeder. ‘We zijn allemaal in alle staten, want je hebt het gehaald!’ riep ze. ‘Nou mam’, zei ik, ‘het is maar een berg.’ Op het spandoek dat mijn vrienden mee hadden naar Schiphol stond precies die uitspraak, met daarachter: ‘Maar wel de hoogste’.”

6 Daal op tijd af

“Ik herinner het me als de dag van gisteren. De Koreaan die daar stond op de zuidflank. Hij stond te puffen en kapot te gaan. Hij wilde mijn zuurstof. ‘I need to go summit.’ Ik zei: ‘Jij moet naar beneden, vriend.’ Hij pakte mij beet en zei: ‘Ik wil door, need to go summit!’ Ik gaf hem mijn rugzak, met het zuurstof. Wilde hem toch helpen. Op 8800 meter hoogte heb je geen tijd te discussiëren. Die Koreaan hebben andere klimmers later in de sneeuw zien liggen, 50 meter naar beneden. Een blauw pak en een rode rugzak. Mijn rode rugzak.

Pas terug in het basiskamp besefte ik: die foto’s! Die camera! In mijn rugzak! Een dompertje. Ik heb wel foto’s van de top, maar niet zoals het hoort: kijk mij eens. Er is een vage foto van mij, en mijn Franse expeditiegenoten hebben verklaard dat ik boven ben geweest. Ik heb van de Koreaanse expeditie nog een getuigschrift gekregen als dank voor mijn reddingspoging. En die Koreaan, die ligt daar nog altijd ergens. Het doet me niets. Het is zo duidelijk aan te wijzen waar dat fout is gegaan.”

Beeld Merlijn Doomernik

7 Drink om te genieten

“Ik heb heel hard gewerkt. Ik ben eigenaar van een trekkingbureau dat wel wat klappen heeft gehad de laatste jaren: door de strijd tussen leger en maoïstische rebellen, de dood van zestien sherpa’s in 2014 en in 2015 die zware aardbevingen. Ik ben geen stresskip en ik was een bikkel in de bergen, maar aan deze omstandigheden kon ik niets doen. Ik ben een bourgondiër. In zo’n stressperiode ga je nog meer drinken én eten én werken.

Als het mooi weer is? Naar het strand. Lekker eten met mijn vrouw Hanneke. Tapas, biertje, biertje, nog een wijntje of een heerlijk grote kan sangria. Is natuurlijk niet goed! Ik hou er echt van, maar om te relaxen is dat natuurlijk heel fout. In februari 2018 kreeg ik een hartinfarct. Probleem is: ik wil nu eigenlijk weer leven zoals ik deed, maar dat kan niet. Ik heb het daar moeilijk mee.”

8 Speel met treintjes en maai het gras

“Een oom gaf mij ooit voor sinterklaas een treinbaantje met een zwart stoomlocomotiefje met een rood kolenkiepwagentje. Ik word rustig van modeltreintjes. Daar kan ik me in verliezen. Het is zoals een bergtop. Weg zijn, verdwijnen. Dat is af en toe goed voor een mens. En dit kan thuis. Toen mijn kinderen klein waren heb ik die baantjes weer naar voren gehaald. Nu staan ze weer in dozen. Momenteel heb ik geen fysieke treinbaan meer, maar ontwerp ze soms op de computer.

Weet je wat ook heerlijk is? Grasmaaien! We hebben een kleine tuintje, een postzegel van nog geen 20 vierkante meter. Na het maaien kruip ik rond op mijn knieën om al het onkruid tussen het gras vandaan te halen. Kan ik heerlijk lang mee bezig zijn. De voortuin doe ik trouwens niet. Komen er steeds weer buren langs, snap je?” <<

“Die top moet het doel niet zijn. Die top is wel mooi. En haal je hem niet? Dan ga je toch een andere keer?” Beeld Merlijn Doomernik

René de Bos (Den Haag, 1959) bereikte in 1990 als eerste Nederlander de top van Mount Everest (8850m), als onderdeel van een Franse expeditie.  (Een andere Nederlandse klimmer, Bart Vos, claimt dat hij al op 8 oktober 1984 op de top van de Mount Everest stond. Aan zijn verhaal wordt getwijfeld, omdat hij hiervoor geen bewijzen heeft.) Hij studeerde biochemie aan het Van Leeuwenhoek Instituut in Delft. In 1992 stopte hij met zijn werk als biochemisch research-analist om zich volledig te wijden aan de bergsport. De Bos heeft enkele reisbedrijven, zoals Snow Leopard en HT Wandelreizen. Hij verzorgt wandelreizen en klimexpedities met Summit Nepal Trekking. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen, zoon Yeshe en dochter Nima.

Lees ook: 

Dat bergbeklimmen een sport is geworden, hebben we vooral aan de Britten te danken

In de rij staan op een top ­boven de achtduizend meter. Mensen in vroeger eeuwen hadden zich er hélemaal niets bij voor kunnen stellen. In de bergen waagde je je liever niet. Het landschap daar boezemde angst in. Fatsoenlijke wegen ontbraken. Op paden of wat daarvoor moest doorgaan, kon één uitglijder fataal zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden