Aysel Erbudak

Tien Geboden Aysel Erbudak

Aysel Erbudak: ‘Ik word als niets ontziende Turkse afgeschilderd’

Aysel Erbudak Beeld Mark Kohn

Meer dan een walnoot heeft ze nooit gestolen, zegt Aysel Erbudak. De voormalig bestuursvoorzitter van het Amsterdamse Slotervaartziekenhuis wordt verdacht van verduistering, maar ze hecht juist niet aan materie. ‘In het diepst van mijn wezen ben ik een nomade.’

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

Eline, diline, beline sahip ol; dat zijn de drie belangrijkste regels in mijn leven. Vrij vertaald staat daar: hou je handen, je tong en je lendenen in bedwang. Je mag niemand pijn doen, niet roddelen en geen onzedelijk gedrag vertonen. Het zijn alevitische geboden, maar ik denk dat de meeste mensen er wel naar leven, of naar wíllen leven.

Ik noem mezelf een agnost, maar op mijn nüfus (Turkse identiteitskaart, AV) staat nog altijd dat ik moslim ben. Dat moet aleviet zijn, maar het alevitisme is jarenlang not done geweest en alevieten worden door veel soennieten nog steeds als een soort ketters beschouwd, omdat ze niet Mohammed maar Ali als hun profeet beschouwen.

Voor mij is die discussie niet zo belangrijk. Misschien bedoelen we, als we het over Jezus, Mohammed of Ali hebben, wel één en dezelfde persoon. Ik zie ook geen verschil tussen God of Allah. Hadji Bektasj Veli (alevitische heilige uit de dertiende eeuw, AV) heeft gezegd: ‘Kom naar mij toe, welke kleur je ook hebt, kom zoals je bent’. Dat is voor mij de kern van het alevitisme: veroordeel niet, maak geen onderscheid, neem de mensen zoals ze zijn.”

Aysel Erbudak (Damal, Turkije, 1966), 

was van 2006 tot 2013 bestuursvoorzitter van het vorig jaar failliet verklaarde Amsterdamse Slotervaartziekenhuis. Op 9 september stond ze terecht voor de verduistering van 1,2 miljoen euro aan ziekenhuisgeld en valsheid in geschrifte. Twee dagen dag later eiste het Openbaar Ministerie twee jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechter doet op 7 oktober uitspraak.

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Als ik in Turkije ben, vraag ik mijn kapster altijd of ze in haar koffiedik wil kijken om te zien wat de toekomst me brengt. Ik heb ook een lucky bean, een rode boon uit Swaziland, die volgens de Afrikanen bescherming biedt tegen het Kwaad. Ik geloof die dingen niet écht, maar er is niks mis met een beetje bij-geloof.

Waar ik wel heilig in geloof, is in de kracht van dromen. Ik zal je een voorbeeld geven: ik had me na de geboorte van Michael en Rowena laten steriliseren, maar mijn toenmalige partner wilde graag ook een kind. Ik was bereid om het één keer, via IVF, te proberen. Ik werkte hard, rookte als een ketter; de kans dat ik zwanger zou worden, was volgens de artsen klein. En toen had ik die droom. Ik droomde dat mijn partner zei: ‘Waarom laat je Merdan huilen?’ Ik antwoordde: ‘Wie is Merdan?’, draaide me om en zag een baby, een jongetje, op de commode liggen. Daarna maakte ik iedereen gek door te blijven roepen dat ik zwanger was, terwijl geen test het nog had uitgewezen en niemand verwachtte dat het ooit zou gebeuren. Tot die eerste echo werd gemaakt, een voorspoedige zwangerschap volgde en – inmiddels bijna vijftien jaar geleden – een jongetje werd geboren. We gaven hem de naam die ik had doorgekregen. Merdan. Zo werd Ali, de profeet, ook genoemd: Shah Merdan. Dus, bestaat God? Zeg jij het maar.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Als ik boos ben, kan ik heel venijnig zijn, maar ik zal nooit iemand een ernstige ziekte toewensen of de naam van God misbruiken. Niet uit angst voor straf of zo; het zit gewoon niet in mijn systeem. Mij is geleerd om het geloof van anderen te respecteren, om eerbied te hebben voor vertegenwoordigers van een bepaald gezag en voor oudere mensen in het algemeen. Die waarden heb ik door willen geven. Mijn kinderen zeggen nog steeds ‘u’ tegen mij.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Stilzitten, dat is niks voor mij. Ik vind het vooral leuk om iets te creëren. Ik denk dat ik vanwege mijn Turkse achtergrond altijd harder heb moeten werken. Als je Visser heet is een zesje genoeg, als Erbudak je achternaam is, moet je minstens een tien halen en dan zullen ze nóg denken dat je bij iemand hebt afgekeken.

Discriminatie, zeker, maar er is nog iets –veel groters –waardoor ik altijd het gevoel heb gehad dat ik, na alles wat ik ondernam, onderaan de ladder kwam te staan. Een psychiater heeft me dat jaren geleden uitgelegd. Hij zei, nog zonder iets van mijn achtergrond te weten, dat ik het gedrag vertoonde dat hoorde bij iemand die op jonge leeftijd een broertje of een zusje was kwijtgeraakt. Ik was geen rupsje-nooit-genoeg, ik was nooit uit op geld of macht, maar ik probeerde al een leven lang het verdriet van mijn moeder te compenseren. Ze had twee kinderen – een pasgeboren meisje en een jongetje van anderhalf jaar oud – verloren toen ze mij kreeg. Ik werd middenin haar rouwproces geboren. Daarom hield ze me, denk ik, drieënhalf jaar aan de borst. Ik moest haar troosten, ik moest alles goedmaken, maar ik was een kind; dat kon ik helemaal niet. ‘Als je voor drie leeft’, zei die psychiater, ‘zul je altijd het gevoel hebben dat je tekortschiet.’

Ik ben na dat gesprek naar huis gereden en heb aan een stuk door gehuild. Alsof al het verdriet dat ik in die jaren had opgekropt een weg naar buiten zocht. Alles was op z’n plek gevallen. Ik voelde me voor het eerst begrepen.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader vertrok naar Nederland toen ik vier was. Tot mijn elfde – toen we als gezin herenigd werden – zag ik hem maar zes weken per jaar. Hij behandelde me anders dan mijn zusjes, haalde me nooit aan, deed afstandelijk. Eenmaal in Nederland zagen we elkaar iedere dag, maar de relatie verbeterde niet. Ik begon al te rekenen hoe lang het nog zou duren voordat ik het huis uit kon gaan.

Rond mijn zestiende leerde ik een jongen kennen die mij een keer op een bruiloft had gezien en zijn ouders bij ons langs stuurde. Mijn vader zei: ‘Je weet waarom deze mensen hier zijn, toch? Ze komen mij om je hand vragen’. ‘Zeg maar ja’, zei ik. Voor mij was dit dé manier om weg te komen, maar na een paar maanden dacht ik: waar ben ik in godsnaam mee bezig? Ik verbrak de verloving en was vanaf dat moment ‘besmet’. Mijn vader bleef in de jaren daarna herhalen dat ik nooit meer een man zou krijgen, dat niemand me meer wilde hebben.

Op mijn achttiende was ik in mijn geboortestreek. Daar kwam ik mijn neef tegen met wie ik ooit een tijdje verkering had gehad. Ik zei: ‘Jij wou toch altijd met me trouwen?’ Voor hem was het een droom die uitkwam, maar ik had in het vliegtuig terug naar huis al spijt. Toen hij in Nederland aankwam, liet ik hem ons huis zien en zei: ‘Hier slaap ik en daar slaap jij. We kunnen voor de buitenwereld honderd jaar getrouwd blijven, maar ik wil het bed niet met je delen’. Misschien heeft hij nog gedacht dat ik zou bijdraaien, maar op een dag hoorde hij mij op een Turkse piratenzender – ik vond het leuk om daar af en toe iets te presenteren – en toen werd hij woedend, omdat hij ervan overtuigd was dat ik andere mannen probeerde te verleiden.

Beeld Mark Kohn

Ik vertelde thuis dat het niet goed ging tussen ons, maar mijn ouders vonden dat ik moest vechten voor mijn huwelijk. Op een dag liep een ruzie zó uit de hand dat de politie er aan te pas moest komen om me te bevrijden. Hij had me zo hard geslagen dat ik een zware hersenschudding had opgelopen. Ik wilde hem niet de kans geven om mij nog een keer te mishandelen en besloot een einde aan het huwelijk te maken.

Toen ik mijn echtscheiding aankondigde, verbraken mijn ouders het contact. Ik was ook bij de familie in mijn geboortestreek niet langer welkom. Ik voelde me heel schuldig. Ik had mijn ouders in een positie gebracht waarin ze zich vreselijk voor me schaamden. Binnen de Turkse gemeenschap werd er over me geroddeld. Als een meisje zich niet goed gedroeg, zeiden haar ouders: ‘Wil je soms eindigen zoals Aysel Erbudak?’ Ik was slecht, een afvallige, een hoer. Minstens vijf jaar duurde het isolement. Ik mocht alleen af en toe langskomen als ik tijdens een doktersbezoek van mijn ouders moest tolken. Mijn vader weigerde me op die momenten aan te kijken. Als mensen uit de buurt vermoedden dat er weer contact was, ontkenden mijn ouders dat.

Ik leerde een Nederlandse man kennen – nog meer teleurstelling – en raakte zwanger. Mijn vader zei dat hij nooit van mijn kind zou kunnen houden zoals hij van zijn andere kleinkinderen hield. Toen ze na de geboorte van de tweede bij me wilden langskomen, kon ik het zelf even niet meer opbrengen. Ik had me heel lang erg slecht gevoeld, maar nu ik moeder was, kon ik alleen nog maar denken: hoe kun je als ouders nou je eigen kind verstoten?

Ik koester geen wrok, maar als je vraagt of ik een goede band heb met mijn ouders, weet ik eerlijk gezegd niet zo goed wat ik moet zeggen. Uiteindelijk zijn ze wel de lieve grootouders van mijn kinderen geworden. Dat is me ook veel waard.

En er is nog iets geks gebeurd... ik heb hier nog nooit openlijk over gesproken, dus schrijf het alsjeblieft zorgvuldig op. Jaren geleden belde mijn vader me op en zei: ‘Wat zou je doen als je erachter zou komen dat ik niet je vader was?’ Het eerste wat in me opkwam was: zie je nou wel! Ik had me altijd een buitenbeentje gevoeld. Afgewezen, buitengesloten. We hadden zo vaak conflicten dat ik dacht: zo hard kun je nooit voor je eigen kind zijn. Maar ik zei al die dingen niet. Ik zei: ‘Wat een onzin, natuurlijk ben je mijn vader!’

Mijn vader heeft er na dat telefoontje nooit meer over gesproken, maar ik wilde nu zelf weten hoe het zat. Zo’n vijf jaar geleden, toen we een bepaalde aandoening van Merdan wilden onderzoeken, zei ik dat daarvoor ook mijn vaders wangslijm nodig was. We wisten al lang dat het om een spontane mutatie ging en dat het dus niets met de genen te maken had, maar zo konden we een DNA-test doen waarvan ik hem een paar weken later de uitslag kon geven: je bent wél mijn vader. Sindsdien is er een enorme rust in zijn leven gekomen. Jarenlang had hij zijn verdenking voor zich gehouden, keer op keer werd hij geconfronteerd met mij, het bewijs van mijn moeders zogenaamde ontrouw. Als ik belde gaf hij de hoorn aan haar met de boodschap ‘Amsterdam belt’ of ‘Heemskerk belt’; het was steeds de plek waar ik woonde, hij noemde mijn naam nooit. Ik weet niet wat er vroeger tussen mijn ouders is gebeurd. Dat gaat me ook niks aan. Het enige wat nu nog telt, is dat ik zelf een goede moeder voor mijn kinderen ben.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Tijdens mijn isolement voelde ik me zó schuldig dat ik op een dag besloot om er een einde aan te maken. Geen idee wie me heeft gevonden, maar ik werd wakker in het ziekenhuis en er stond een psychiater naast mijn bed. Geen familieleden, nee. Ik denk dat ze nu pas zullen lezen dat ik in die tijd een zelfmoordpoging heb gedaan. Het gevoel dat ik iedereen tot last was, ging pas over toen ik kinderen kreeg. Ik wist meteen: hier leef ik voor. Ik leef voor mijn kinderen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Het is voor mij moeilijk om me te binden aan een man met wie ik een kind krijg. Alles gaat goed, tot ik zo’n persoon als vader moet beoordelen. Ik zocht de ideale vader voor mijn kind, maar ik had geen idee hoe zo iemand eruitzag. Het enige wat ik zeker wist was: met hem samen kan ik geen kind opvoeden. Ik was steeds degene die zich terugtrok, al was ik dan nog wel zo aardig om te zeggen: ‘Je kunt gaan als je zo ver bent’. Met Richard, mijn huidige partner, heb ik geen kinderen. Daarom gaat het zo goed tussen ons. Als dit gedoe, die rechtszaak, achter de rug is, gaan we misschien wel trouwen. Als ik het durf.”

VIII Gij zult niet stelen

“Oké, ik weet dat je nu denkt aan de 1,2 miljoen die ik aan ziekenhuisgeld verduisterd zou hebben, maar de waarheid is dat ik maar één keer in mijn leven iets heb gestolen en dat was een walnoot uit het buurtwinkeltje van mijn geboortedorp Damal. Eén walnoot, dat is alles. En het is meer dan vijfenveertig jaar geleden; ik ga er vanuit dat die overtreding inmiddels is verjaard.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Er zijn mensen die mij willens en wetens in een kwaad daglicht willen stellen. Ik word afgeschilderd als een inhalige, hooggehakte, niets ontziende Turkse, maar in feite zijn het de erven van Jan Schram (vastgoedondernemer die samen met Aysel Erbudak in 2006 het Slotervaartziekenhuis overnam, overleden in 2012, AV) Jos Beinen en Dees Brandjes (tot 2013 mede-directieleden van Schram en Erbudak, AV) die met hun hebzucht en machtsmisbruik het ziekenhuis ten gronde hebben gericht. Het is een ingewikkeld verhaal, een aaneenschakeling van dwaling en misverstand, maar ik hoop dat het recht nu eindelijk gaat zegevieren en ik vrijgesproken zal worden.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Dit is vaak moeilijk uit te leggen, maar het is toch echt zo: ik voel me vrijer als ik niets bezit. Ik hecht totaal niet aan materie. In het diepst van mijn wezen ben ik een nomade, iemand die overal en nergens thuis is. Ik ben het gelukkigst onderweg.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden