Levenslessen Asis Aynan

Asis Aynan: ‘Ik heb mijn atheïsme moeten veroveren, dat laat ik me niet meer afnemen’

Beeld Merlijn Doomernik

In ‘Linoleumkoorts’ beschrijft Asis Aynan (39) wat hij als docent Nederlands ziet gebeuren op zijn Amsterdamse hogeschool. Zo verandert er geregeld wat aan het uiterlijk van studenten – ineens waren er de opgespoten lippen, doen sommigen een hoofddoek om, anderen juist af – en klitten Hollandse studenten steeds vaker bij elkaar.

1 Migratie is een samenraapsel van toevalligheden

“Wij belandden als Marokkaans gezin als gevolg van veel misverstanden en toevalligheden in Haarlem. Mijn vader kwam eind jaren zestig als gastarbeider met de trein aan in Haarlem, waar hij uitstapte om te plassen omdat hij niet wist dat er een toilet in de trein was. Hij was bij een oom in Duitsland geweest, had kort in Utrecht gewerkt als stratenmaker, en was nu op weg naar een oom in Den Haag. Na het plassen liep hij even Haarlem in. Daar heb je de Nassaustraat, waar toen veel redacties van bladen met drukkerijtjes zaten. Iemand vroeg hem of hij werk zocht. Hij is daar een tijdje gaan werken. Later ontdekte hij dat de zee dichtbij was, met een haven en veel bedrijven.

Jarenlang werkte mijn vader in ploegendienst in een hondenbrokkenfabriek in IJmuiden, waar hij trouwens geen vrij kreeg toen ik werd geboren. Ik hoorde laatst dat Erik van Muiswinkel in die fabriek als puber een vakantiebaantje had. Later kocht mijn vader een klein pension, waar soms wel achttien gastarbeiders sliepen. Op wat zich daar afspeelde, is ‘Ik Driss’ deels gebaseerd, de serie in NRC Handelsblad die ik met Hassan Bahara schreef. IJmuiden was populair onder migranten om te werken en te wonen. Die migrantenziel hangt er nog altijd.

Ik ben daar vlakbij opgegroeid, aan de rand van Haarlem. Jaren later, in 2003, werd ik Haarlem uitgejaagd, uit de Harmenjanswijk, een volksbuurt. Ik woonde er met een medestudent – ze noemden ons homo’s. We kregen bovendien de schuld van een probleem in de wijk met wiet. Ik kreeg een dreigbrief, iemand trapte tegen onze voordeur en vervolgens probeerden ze de deur in de fik te steken.”

Asis Aynan (Haarlem, 1980) groeide op als vijfde in een gezin met negen kinderen, studeerde ­filosofie aan de UvA, is schrijver en werkt als docent Nederlands bij de studie sociaal-juridische dienstverlening van de Hogeschool van Amsterdam. 

Aynan is de bedenker van de Berberbibliotheek, een reeks boeken waarin klassiekers uit Berberlanden verschijnen. Hij schreef ‘Veldslag en andere herinneringen’, ‘Ik, Driss’ (met Hassan Bahara) en ‘Gebed zonder eind’. In 2011 werd hij genomineerd voor de Amsterdam Kunstprijs. Sinds 2017 schrijft Aynan geregeld voor Trouw. Deze maand verscheen ‘Linoleumkoorts, aantekeningen van een docent’ (uitg. Jurgen Maas, € 16,99)

2 Weet wat je eet

“Laatst schrokken mensen van die plakjes vlees in de supermarkt die dodelijk bleken te zijn. Ik dacht alleen maar: we weten toch dat het bewerkt vlees is, we kennen de toestand in slachterijen toch? In mijn jeugd slachtten wij thuis allerlei dieren in de douche. Wij, de kinderen – we waren met z’n negenen – moesten ze vasthouden en met de bademmer, waar wij op zondag in werden gewassen, het rondspattend bloed tegenhouden, zodat mijn moeder niet de hele badkamer hoefde schoon te maken. Zo’n konijn of een haan kenden we vaak van de boerderij die we zo nu en dan bezochten. We kwamen in contact met wat we aten. Eerst werden de beesten gedood, dan opengemaakt en dan gevild. Ik kijk er met veel liefde en humor op terug.

Asis Aynan Beeld Merlijn Doomernik

Zo’n trotse haan bijvoorbeeld gaat met veel drama dood. Hij stelt z’n dood heel lang uit. Het waren de jaren tachtig, we hadden weinig geld, het was feest als er vlees was. Ikzelf koop nooit vlees in de supermarkt, alleen bij een slager, maar ik vind vlees eten eigenlijk niet meer oké. Mijn vriendin is vegetariër. Ik eet eigenlijk alleen nog vlees als ik bij mijn moeder ben. Dan maakt ze stoof, marmitta. Inmiddels maken wij die met z’n tweeën net zo lekker zonder vlees.”

3 Koester je taal

“Mijn vriendin is half-Fries en half-Hollands. En die Friese tak is heel Fries. Een van haar tantes maakt de bekende Friese zakagenda, het Fryske Bûsboekje. En haar familie heeft een familieblad dat ‘Ek nog nijs?’ heet – Is er nog nieuws? Het gaat over feesten, vakanties, diploma’s, geboortes en sterfgevallen. Laatst gaf ik een lezing aan de Groningse universiteit bij de Friese vakgroep die nu, niet schrikken, the Department of Frisian Language and Culture heet.

Of ik een verwantschap met het Berbers zie? Nee. Want Fries is een minderheidstaal, Berbers niet. Het wordt in Marokko meer gesproken dan het Arabisch. Weet je dat ik een Libiër met een berberachtergrond beter kan verstaan dan een geboren Amsterdammer of een Achterhoeker? Dat ontdekte ik pas na de dood van ­Kadafi toen er Libiërs naar Nederland kwamen, ik kon met ze praten.

De laatste tijd merk ik onder mijn Marokkaanse studenten dat ze gewoon Nederlander willen zijn. Dat is echt een verandering ten opzichte van een aantal jaar geleden. Ze kunnen Nederlander zijn naast hun berberachtergrond, die ze vaak leuk vinden: de keuken, de klederdracht, de liedjes. Ik hoorde laatst naast ons HvA-gebouw vier meiden heel vals Berbers zingen, zo’n zeventigerjarenlied, ik ken de tekstschrijver persoonlijk. Ik heb dat liever dan dat ze vragen om een gebedsruimte. Als docent praat ik geen Berbers met ze, nee. En in de ramadan eet en drink ik als zij vasten – ik heb mijn atheïsme moeten veroveren, dat laat ik me niet meer afnemen.”

4 Rebelleer tegen religie

“Ik heb genoeg moeten liegen in mijn jeugd. Ik wilde niet dat leugenaar-zijn een deel van mijn identiteit was. Op mijn 25ste stopte ik met de ramadan. Ik heb me altijd verzet tegen religie. Met je rechterbeen de moskee binnen, met je linkerbeen het toilet... Vanaf mijn zesde deed ik het al precies andersom. Omdat het niet oké voelde. Dat mijn beste vriend Maikel naar de hel zou gaan, wat werd gezegd van niet-moslims, ik kon het me niet voorstellen. Met hem had ik op mijn 15de een diepe vriendschap. Het bleek een vriendschap voor altijd, hij woont helemaal op de Filippijnen, maar we hebben wekelijks contact. Ik wist dat hij en zijn ouders goede mensen waren.

Mijn vader, net als mijn moeder van eenvoudige komaf, bekeerde zich ineens tot de strenge islam, wat ik beschreef in ‘Gebed zonder eind’. Hij raakte in een crisis toen mijn moeder overkwam, met vier kinderen en hoogzwanger van mij. Ineens woonde hij met een groot gezin in een armzalig pension, voor die tijd had hij even een vrij leven. Hij werd heel streng voor zichzelf en voor ons. Er kwam geen biertje meer binnen. Mijn vader is veertien jaar geleden begraven in Marokko, mijn moeder wil dat ook. Terwijl dat het land is dat mijn ouders hun jeugd ontnam. Dat mij vastketent aan mijn Marokkaanse paspoort, waar ik vanaf wil. Het is een dictatuur.” 

Beeld Merlijn Doomernik

5 De Marokkaanse gemeenschap houdt de mocromafia in stand

“Als de Marokkaanse gemeenschap zou praten, dan waren we morgen van die hele zogenoemde mocromafia af. Je moet bedenken: Marokko was een land van honger en oorlog, dat pas in 1956 ontstond. Voor die tijd was het een sultanaat. De gastarbeiders in Nederland waren getraumatiseerde mannen, hadden zelf meegevochten in een oorlog of een familielid verloren, er was veel ziekte door gifgasaanvallen. In de Rif schijnt het zand op veel plekken nog vol te zitten met sporen van mosterdgas.

Saudi-Arabië bouwde hier in de jaren tachtig strenge moskeeën. Tegelijkertijd hield de Amicales, de geheime dienst, Nederlandse Marokkanen in de gaten, en dreigde met moord als je niet loyaal was. Veel Marokkanen waren dus bang. Ik ken mijn moeder niet anders dan bang. Nu nog steeds. Die angst zit in alle families. Er werd ook niet goed op kinderen gelet en Nederland was niet streng. Het kwaad kon zich dus makkelijk verspreiden.

Er is nog steeds wel een roddelcultuur, maar er wordt niet met elkaar gepraat, hoewel ze alles van elkaar weten. Ook over psychoses en schizofrenie, een enorm probleem in de Marokkaanse gemeenschap, zwijgt men. De voorhoede houdt z’n mond. Iemand als Aboutaleb spreekt zich uit over de aanslag bij Charlie Hebdo, maar laat zich wel een lintje opspelden door de Marokkaanse koning.

Aboutaleb is vaak gevraagd door Riffijnse families hier om zich uit te spreken tegen de onderdrukking vanuit Rabat. Maar hij geeft niet thuis. Mensen als Ali B en Najib Amhali vieren ook gewoon het feest van de bezetting van de Sahara mee in Marrakesh. Iedereen zou het toch vreemd vinden als actrice Victoria Koblenko op uitnodiging van Poetin naar de annexatieparty van de Krim zou gaan?”

6 Je geliefde lijkt vaak op je broer of zus

“Ik val niet op een bepaald type, ik heb geliefdes gehad van verschillende achtergrond. Tot ik mijn ‘Hollandse’ vriendin tegenkwam in een kroeg. Iedereen moet weten met wie hij z’n lippen en het bed deelt. Maar leven in een multiculturele maatschappij is niet alleen fa­lafel of roti eten. We lijken vaak sprekend op onze geliefde, in elk geval lijkt die op je broer of zus. Je ziet dat mensen niet mengen, grote steden zijn aaneengeregen series monoculturen. Hoewel het in België en Duitsland nog erger is.

Ik gooi mijn studenten altijd door elkaar om de witte vlucht, die ik zie, tegen te gaan. Zo’n 60 procent van onze studenten is bicultureel, 40 procent is wit en veel van hen wonen buiten de stad. Zij klitten bij elkaar. ‘Ik ga toch zitten waar ik wil zitten?’ zeggen ze dan. Maar wij leiden hen op tot publieke hulpverleners bij onze studie sociaal-juridische dienstverlening. Ze zullen straks gaan werken met ex-gedetineerden, gehandicapten, laaggeletterden van allerlei culturen. Toen ik in jaren negentig op het mbo zat, waar een kwart van elders afkomstig was, zaten we allemaal door elkaar, en we deden het ook met elkaar. Afzondering was uitzondering.”

7 Van veranderingen hoef je niet te schrikken

“Het opspuiten van lippen, de ‘duckface’, is normaal onder meisjes op onze school. Ik schrik er niet meer van. Het was net als met contactloos betalen, daar waren we ook in één dag aan gewend. Soms gaat de behandeling mis. Dan ben je een tijdje mismaakt. En ze doen ook iets met kleurstof. Hun lippen worden voller en roder. De eerste keer schrok ik ervan. Porno, dacht ik. Maar als docent registreer ik het gewoon. Die spuit in de lippen verdooft de onzekerheid, het kan niet anders. Ik wil betrokken zijn, maar je kunt ook te ver gaan, ik bespreek het niet met ze.

Beeld Merlijn Doomernik

Het is net als met hoofddoeken die sommige meisjes ineens op hebben na een vakantie. In de zomer slaat de islam altijd z’n slag. Dat zie ik tegenwoordig trouwens veel minder bij Marokkaanse meisjes. Nu zijn het Turkse meisjes die weer vaker een hoofddoek dragen. Onder invloed van Erdogan. Als docent in een grote stad registreer je dat allemaal.

Net als de lippen van studenten, zie ik hun taal veranderen: ‘daar in tegen’, ‘wel is’ en ‘na aanleiding van’ zijn tegenwoordig heel gebruikelijk. Sommigen doen in verslagen aan risicospreiding, ze schrijven dan ‘hij verteld’ en ‘hij vertelt’ door elkaar. Hardnekkig is ‘hij of zij wilt’, maar Onze Taal zegt dat dat in de zestiende eeuw ook al zo werd geschreven. Blijkbaar is ‘hij wilt’ terug van weggeweest.

Het omgaan met studenten vind ik geweldig, maar het lesgeven zelf is best eng. Ik ben zenuwachtig bij elke nieuwe klas en eigenlijk elke maandagochtend, je moet toch weer je verhaal kunnen vertellen, het is podiumvrees. Ik noem het linoleumkoorts. Je wilt het goed doen. Maar je bent zo goed als je laatste les.” 

Lees eerdere columns en blogs van Aynan van nu op asisaynan.nl

Trouw vraagt wekelijks een bekende of minder bekende Nederlander: welke levenslessen heeft u geleerd? 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden