EssayUitvliegers

Als jongere liever vandaag dan morgen weg uit je geboortedorp: inzichten van een uitvlieger

Beeld Sjoerd van Leeuwen

Vergeet niet waar je vandaan komt, kreeg Marijke de Vries als puber veelvuldig te horen. Als ‘een beetje een aparte die goed kon leren’, wist ze dat maar al te goed, daarom wilde ze juist weg. Nu begrijpt ze haar haat-liefdeverhouding met de Drenten beter.

Mijn baas belt of ik morgen kan werken. ‘Zes uur beginnen, dan zijn we voor de middag klaar. Het wordt warm.’ Ik heb geen zin, maar geen andere plannen, en geld is geld. De volgende ochtend prop ik een boterham naar binnen en stap ik op de fiets in een vale legging en een wijd, verwassen T-shirt. Als ik mijn ogen dichtdoe zie ik ze voor me: eindeloze rijen jonge komkommerplanten met kartelige blaadjes waar je jeukende bultjes van krijgt op je schenen. Als ik mijn ogen weer open doe lig ik in bed, in Brussel. Mijn zoon is wakker en huilt.

Twee dagen na mijn veertiende verjaardag begin ik met een bijbaantje bij een plantenkwekerij in het tuinbouwgebied in Zuidoost-Drenthe. Op zaterdagochtenden en in de vakanties helpen scholieren er met het zaaien, verspenen, stokken, stieken en rapen van tomaten-, paprika- en komkommerplanten. Urenlang sta ik voorover gebukt in een moordend tempo elastiekjes om een stokje en het vierde of vijfde blad te friemelen. In de kantine worden seksistische grapjes gemaakt; ik herinner me het hitje ‘Ben je geil of wil je een koekje’ levendiger dan ik zou willen.

‘Dit nooit later’, wordt de mantra die ik tijdens het werk eindeloos in mijn hoofd afdraai.

Ik vind dat ook dan al ‘niet mooi’ van mezelf. Ik heb aardige, hardwerkende collega’s die me vaak helpen om mijn rij af te maken als ik achterop raak. Ondertussen hebben ze het over tweedehands auto’s, Duitse discotheken en de voor- en nadelen van een tongpiercing. Ik probeer luchtig mee te kletsen, al zijn het niet mijn hobby’s. Dat weten zij ook wel. Ik voel dat ik in hun ogen ‘een beetje een aparte’ blijf die ‘goed kan leren’. In deze omgeving zorgt het hebben van ambities vooral voor (wederzijds?) ongemak. Zoals die keer dat een van mijn collega’s bloedserieus opmerkt: ‘Ik ga toch niet studeren, ik ben toch niet achterlijk.’ Het is de ultieme bevestiging van wat ik al een tijdje weet: ik moet hier weg.

Hier, dat was Nieuw-Amsterdam. Een dorp in de Drentse Veenkoloniën, in 1852 gesticht door rijke Amsterdamse beleggers met (te) veel verbeeldingskracht. Een moeras waar landlopers en anderen het veen afgroeven en de hoge heren de turf (‘bruin goud’) verhandelden. Aan de Hoogeveense Vaart ontstond zo een nederzetting waar de veenarbeiders in plaggenhutten woonden en turfondernemers villa’s lieten optrekken. Het is niet het pittoreske Drenthe van het zand, van de ‘Drenteniers’, maar het veen-Drenthe van ‘turf, jenever en achterdocht’.

Marijke de Vries (1987) werkt sinds 2012 voor Trouw, eerst als redacteur onderwijs. Sinds 2016 is ze correspondent voor deze krant in België. Ze woont in Brussel.

Ouders hebben niet doorgeleerd

Mijn laatste jaren op de middelbare school kijk ik reikhalzend uit naar mijn eindexamen en het leven daarna. Al in 5 vwo weet ik dat ik naar Maastricht wil om cultuurwetenschappen te studeren; een mix van geschiedenis, politicologie, filosofie en kunst - praktisch alles dat me interessant lijkt. Mijn ouders vragen zich wel af wat je daarmee kan worden, maar laten de keus aan mij. Ze hebben geen van beiden ‘doorgeleerd’. Moeder mocht niet, vader had destijds geen zin. Wellicht zijn zij daardoor de grootste cheerleaders als het op schoolwerk aankomt. Tot wanhoop van mijn broertje die bij iedere onvoldoende een preek krijgt.

Misschien hadden ze liever gehad dat ik een beetje dichterbij, in Groningen ging studeren, in plaats van Maastricht, maar dat zeggen ze niet. Wat ze wel met de regelmaat van de klok herhalen: “Vergeet niet waar je vandaan komt”. Dat weet ik maar al te goed, denk ik als bozige puber, precies dáárom wil ik hier weg.  

Jongeren en krimpregio’s

Nieuw-Amsterdam telde vorig jaar 4760 inwoners, in 2015 ­waren dat er nog 4875. Het dorp ligt in Oost-Drenthe, een van de elf zogeheten anticipeerregio’s: gebieden, meest aan de rand van Nederland, waar de bevolking krimpt, maar in mindere mate dan in de negen ‘echte’ krimpregio’s. Het ene dorp is het andere niet, maar over de hele linie geldt: er vertrekken meer inwoners uit krimpgebieden dan zich er ­vestigen. En met name de ­personen die krimpgebieden verlaten – zowel naar overig ­Nederland als naar het buitenland – zijn jong: ongeveer de helft is tussen de 18 en 29 jaar, staat in het vorig jaar verschenen rapport ‘Woningmarkt en leefbaarheid in krimpgebieden’ van ABF Research. Er zijn ook dertig-minners die zich juist in de krimpgebieden vestigen, ook al zijn ze ver in de minderheid ten opzichte van de vertrekkers. Verhoudingsgewijs zijn het aantal hbo’ers en wo’ers onder vertrekkers en instromers wel ongeveer gelijk.

Op de universiteit val ik in een warm bad. Er wordt zoveel geleerd, georganiseerd en ongegeneerd gereflecteerd dat het me soms duizelt. Ik maak fijne vrienden die een stuk wereldser lijken dan ik en die weten hoe je van je studietijd een succes moet maken. Maar vooral: in hun gezelschap ben ik eens niet die rare studiebol. Hoge cijfers halen of een krant lezen is hier de norm, in plaats van een haast subversieve daad.

For the record: ik ben nooit ‘in elkaar gebeukt’ omdat ik een boek zat te lezen, zoals de in Emmen geboren schrijver Peter Middendorp in 2014 in de Volkskrant beschreef. ‘Dan was je een professor of een homo’, aldus Middendorp. ‘Als iemand had geleerd voor een proefwerk, kreeg-ie van mij de volle laag. Dat was verraad, dat deed je niet. Je gaat niet naar het atheneum als je ook naar de havo kunt. Met Drentse tongval: Dat is mooi zat, ja.’

Peter Middendorp

Wanneer ik het interview met Middendorp teruglees valt me in dat het als meisje misschien makkelijker was dan als jongen: een meisje sla je niet in mekaar. Met terugwerkende kracht heb ik bewondering voor mijn broertje, die op zijn vijftiende voetbal inruilde voor toneelles.

“In Drenthe is alles snel apart”, stelt Middendorp, “er is geen prestatiecultuur, er heerst geen gevoel dat ergens iets aan te veranderen of verbeteren is.” Ik denk aan de dorpsgenoten die mijn moeder in de supermarkt vroegen: ‘Studeren in Maastricht, mag dat van jullie?’ Gevolgd door ‘X kon na het vmbo naar de havo, maar ik heb gezegd, ga maar mooi mbo-verzorging doen’.

Wat verbeelden die dikdoeners zich?

Pas in Maastricht ontdek ik dat die Drentse mentaliteit ook in mij wortel geschoten heeft. Ik ben vaker dan nodig onzeker over mijn capaciteiten, raak in paniek bij mijn eerste en enige onvoldoende; bang dat hier zal blijken dat ik niet slim genoeg ben en ik mijn studiebeurs moet terugbetalen. Tegelijkertijd erger ik me aan de bravoure van medestudenten die veel praten en weinig zeggen. Wat verbeelden die dikdoeners zich?! Dan mis ik de Drentse nuchterheid, het boerenverstand, de betrouwbaarheid van ‘een man, een man, een woord, een woord.’

In Maastricht leer ik docenten kennen die hun Limburgse dialect cultiveren. Een vreemde gewaarwording: tot dan toe had ik ‘plat praten’ geassocieerd met ‘boers’, onbehoorlijk zelfs. Ik heb nooit echt dialect gesproken. Zoals gebruikelijk in de jaren tachtig leerden mijn ouders mij de Drentse variant van het Nederlands. Nederlands met een Drents accent (en de nodige fouten), geen Drents. Op de middelbare school namen leraren onze taal onder handen, waarbij ze niet altijd even subtiel hun dedain voor het Drents lieten blijken. Niet: waar kom je weg? Wel: waar kom je vandaan? Niet: de deur is los. Wel: de deur staat open. Drents was niet netjes. Fout zelfs. Of zoals Tukker Herman Finkers fijntjes opmerkte (in het NTR-programma ‘Dat is andere taal!’, 2013) over die ‘opvoedtaal’ tussen dialect en standaardtaal: “Je praat het tegen de kinderen en de hond. En de hond is er ook niet beter Nederlands door gaan spreken”.

Maar juist in mijn studietijd begint het me te dagen dat juist dat dialect me verbindt met mijn geboortegrond. Van mijn oudste én Drentse vriendinnetje - zij studeert dan in Amsterdam - krijg ik de eerste soloplaat van Daniël Lohues en ik spat uit elkaar van nostalgie en herkenning.

Daniël Lohues Beeld Reyer Boxem

Pries de dag niet veur het aobend is / Mar moch ’t toch zo wezen / Dat joe vandag de wereld gund is / Dan ku’j rustig feesten / Vieren dat ’t mooi gung / Vieren da’j bestaon / Eigenlijk gung der niks mis / Mar morgenvrog van veurn af an / Pries de dag niet veur ’t aobend is. (Pries de dag nie veur ’t aobend is, Allennig, 2006).

Dit ben ik. Wat goed gaat afkloppen op ongelakt hout. Nooit zomaar tevreden zijn. In Lohues’ miniaturen komt het allemaal samen: Zuidoost-Drenthe, de sfeer van de Veenkoloniën, de taal, de dorpsmentaliteit. Het minderwaardigheidscomplex, weliswaar omgebogen in trots: ‘Jij woont hier ver vandaan, zeggen ze elders in het land / Dan zeg ik, insgelijks, u ook, a’j ’t zien van dizze kant’ (Hier kom ik weg, Allennig II, 2008).

Als ik plat praat, klinkt het alsof ik een Drent nadoe

Door zijn liedjes zie ik niet alleen de lelijke, maar ook de mooie kanten van mijn geboortestreek helderder. Begrijp ik mijn haat-liefdeverhouding met Drenthe en de Drenten beter. Zit ik op zondagochtend - inmiddels in Amsterdam - met een kop koffie op het trappetje voor ‘mijn’ grachtenpand naar de eendjes te kijken met Daniel Lohues in mijn oren.

Met het aangroeien van de collectie Lohues-platen leer ik mijn streektaal eindelijk waarderen. Te laat. Ik zal het Drents nooit zo beheersen als hij. Als ik ‘plat’ praat klinkt het in het beste geval alsof ik een Drent nadoe, en dat is niet best.

Voor mijn 21ste verjaardag neem ik mijn Maastrichtse vrienden mee naar mijn ouders. Ik vind het leuk om ze te laten zien ‘waar ik weg kom’. Tegelijkertijd geneer ik me - tot ergernis van mijn moeder - voor de groentesoep, kadetjes en huzarensla, ook al kan ik daar zelf best van genieten.

Het is een spagaat waarin ik altijd weer terechtkom. In ‘het westen’ ben ik een Drent, in de ogen van Drenten een westerling. “Ik wil niet dat ze op de universiteit mijn accent horen”, zegt mijn oudste vriendinnetje, die inmiddels op het Groningse platteland is neergestreken. “Hier wil ik niet dat de dorpelingen denken dat ik een westerling ben en praat ik soms expres plat.”

Ik herken wat ze zegt. Als Randstedelingen neerbuigend doen over ‘het noorden’, kan ik ze wel wurgen. Maar misschien nog erger dan de Drent zijn op wie in de Randstad neergekeken wordt, is het om de omhooggevallen trut op het platteland te zijn; een snakker (opschepper). In dat opzicht is het schrijven van dit stuk niet handig van me, en daar worstel ik wel mee. Ik vind het vervelend dat mijn ouders er wellicht op aangesproken zullen worden.

Begrip voor een dader uit de buurt

Want wie niet meedoet is apart. Die denktrant komt hartverscheurend aan de orde in de radiodocumentaire ‘Turf, jenever en achterdocht’ uit 2004 van Joost Wilgenhof. In 2003 wordt bij Emmerschans het lichaam van een 79-jarige vrouw gevonden. Ze is verkracht en vermoord. Na DNA-onderzoek blijkt de dader een 27-jarige buurtgenoot, een geboren en getogen Emmerschanser. Wilgenhof praat tijdens de rechtszaak met buurtbewoners. Die spreken opvallend begripvol over de dader. “Hij had volgens mij zelf helemaal niet in de gaten wat ie gedaan had", zegt de een. Een ander heeft medelijden met de familie: “Hij komt uit een gezin van keurige mensen die een bedrijf hebben (…) voor die mensen is het heel erg”.

Het slachtoffer, ‘wandelvrouwtje’ genoemd, wordt daarentegen nagedragen dat het ‘idioot’ was om zo vroeg, nog in het donker, te gaan wandelen. Ze ‘leefde op zichzelf’, ‘ze deed ook niet echt mee’. Een buitenstaander die geen contact wilde met de buren, import uit de Randstad. Een man zegt: “Als het echt een inwoner van Emmerschans was geweest…” Zijn vrouw vult aan: “…dan had ie het niet gedaan (…) want Erik hoorde gewoon bij Emmerschans.”

“Zou je ooit terug willen?”, vraagt een collega. Ik zou willen dat ik het wilde. Want het voelt als verraad om dat niet te willen. Ik heb een fijne jeugd gehad met lieve ouders en fantastische grootouders. Wij woonden in ‘de bouw’, aan de rand van wat toen nieuwbouw was. Met mijn broertje liep ik om het huis van de buren heen en dan stonden we met onze voeten in het akkerland, waar we konden vliegeren. Ernaast een klein bos. ‘Het eerste bos’, noemden we het. Feitelijk was het niet meer dan een verzameling bomen. Dat gold ook voor het ‘tweede bos’ (achter het akkerland) en het ‘derde bos’ (daar weer achter, als we erheen durfden. Daar zaten ‘de grote jongens’ vuurtje te stoken).

In retrospectief zie ik ook scherper dan toen de mensen die me wel stimuleerden, in wie ik achteraf wel iets herkende - vrienden van mijn ouders, een aantal leraren.

Ik hou van het doorzettingsvermogen van de Drenten. De kop d’r veur hold’n (de moed niet laten zakken, recht blijven staan). Of zoals Lohues zingt: ‘Angst is mar veur eben, spiet is veur altied’ (2008).

Een dubbeltje dat tegen de zwaartekracht in een kwartje werd

Maar steeds als ik op bezoek ben in Zuidoost-Drenthe voel ik me opeens ook weer een dubbeltje dat moet bewijzen dat ze tegen de zwaartekracht in een kwartje is geworden. Juist daar bekruipt me het gevoel dat ik al mijn verworvenheden opnieuw moet bevechten. ‘Verbeeld je niet te veel, je bent niet beter dan een ander’, heb ik als kind immers zo vaak gehoord. Een gelijkheidsideaal waar ik best wat in zie, maar waarom zo negatief en lijdzaam geformuleerd?

Door te vertrekken heb ik mezelf - deels - ontworsteld aan dat minderwaardigheidsgevoel, maar daarmee heb ik mezelf ook gedeeltelijk ontworteld. Ik voel me niet meer of beter, maar ik wil(de) wel meer of beter. Nu ben ik in Drenthe een buitenstaander. Maar in de Randstad ben ik een Drent. Als vrienden klagen over hun salaris denk ik: weet je hoe lang mijn ouders daarvoor moeten werken? Als ik als freelancer moet onderhandelen over een uurtarief doe ik er eerder een tientje af dan erbij.

Misschien heb ik het buitenstaander zijn in de loop der jaren wel gecultiveerd. In België ben ik als ‘Hollandse’ een buitenstaander, als journalist ben ik een buitenstaander. Dat vind ik wel prettig, maar soms overvalt me een soort heimwee naar iets dat er nooit was.

Ik voel me vooral Drents buiten Drenthe, dus luister ik Lohues in Brussel en voel me thuis. 

Er zijn ook jongeren die het in Drenthe juist lekker rustig vinden

Marijke de Vries kon vijftien jaar geleden niet wachten om weg te gaan uit Zuidoost-Drenthe. Hoe denken jongeren uit haar geboortestreek er nu over? Roos Menkhorst ging op onderzoek uit en sprak met drie jongeren. Hun verhalen leest u hieronder.

Hidde SmidBeeld Hanne van der Woude

‘Al die ruimte hier gebruik ik niet’

Hidde Smid (18) woont al zijn hele leven in Garminge, een gehucht in Midden-Drenthe met zo’n honderd inwoners. Hij gaat binnenkort op kamers in Groningen, daar gaat hij ­economie en internationale ­betrekkingen studeren.

Met zijn smartphone geeft Hidde Smid een virtuele rond­leiding door de tuin van zijn ­ouderlijk huis. Zeker een halve hectare grond. Daarachter in de hoek, bij de blokken gestapeld hout, is de vuurplaats, wijst Smid. Zijn vader geniet van vuur maken. Zijn jongere broer doet niets liever dan door de tuin scheuren op zijn crossmotor. En zijn moeder is ieder vrij ogenblik op een paard te vinden in het bos. “Op dit moment is mijn ­vader in de schuur iets aan het lassen. Vanmorgen heeft hij de koeien gemolken bij een bevriende boer. Het is maar waar je zin in hebt.”

Zelf houdt Smid van debatteren, aandelenkoersen volgen en Formule 1 kijken. “Elke woonplaats heeft zo zijn voor- en nadelen. Toch denk ik dat ik binnen het gezin onevenredig last heb gehad van de nadelen van ­wonen in een gehucht als ­Garminge. Dit is geen plek voor mij.” Dat weet hij al sinds hij zich kan herinneren. “Ik heb ­altijd liever in een stad willen wonen, ik maak gewoon geen gebruik van alle ruimte die er is.”

Op de basisschool een ­kilometer verderop kon hij zijn draai niet vinden. Toen bleek dat hij hoogbegaafd was, ging hij naar een speciale school in ­Assen. De middelbare school volgde hij in Emmen; een vwo plus-klas. ­Iedere dag fietste hij 25 kilometer heen, en 25 kilometer terug. “Wel op een elektrische fiets hoor. Ik deed er 65 minuten over.” Eén keer, in de zes jaar dat hij naar school moest, is hij met de bus gegaan. “Ik had een lekke band en het sneeuwde.” Dat nooit weer. “Met de bus doe je er anderhalf uur over.”

Een echte Drentenaar heeft hij zich nooit gevoeld. “Ik stond niet te juichen toen FC Emmen het eindelijk tot de eredivisie schopte.” Smid twijfelt trouwens of er Drentenaren te vinden zijn die echt van Drenthe houden. “Het zou ook kunnen dat het vooral om een afkeer van de stad en de rest van het land gaat. Er lijkt hier sprake te zijn van een soort collectief minderwaardigheidsgevoel.” Hij herinnert zich plotseling een uitspraak van zijn moeder: “Overal waar je hoofd boven het maaiveld uitkomt, vliegt het eraf. Maar in Drenthe is het gras wel erg kort.”

Zodra hij een kamer in ­Groningen heeft gevonden, hij staat op de wachtlijst, is Smid weg. “De afgelopen jaren had ik het gevoel dat ik in de wacht­kamer zat. Nu ik ga studeren, ­begint mijn leven pas echt.”   

Jill de LeeuwBeeld Hanne van der Woude

‘Ik hou van het rustige leven hier in Drenthe’

Jill de Leeuw (17) woont de ene helft van de week bij haar vader in Westerbork, de andere helft bij haar moeder in Beilen. Ze heeft havo-examen gedaan en gaat nu naar de Hotelschool in Emmen. Daarnaast speelt ze fanatiek handbal.

“In de stad zie je dat mensen zich vaak wat meer uitsloven om er goed uit te zien, beetje blingbling en zo’n uitstraling van alles erop en eraan. Bij ons in het dorp komt dat nauwelijks voor,” vertelt ze. Het liefst zit ze in de zomer op het terras met haar vrienden. En dan specifiek op het terras van het hotel van haar vader in Westerbork. De Leeuw werkt er zelf ook: bij de receptie en in de bediening.

Na twee jaar vwo in Beilen ontdekte ze haar liefde en talent voor handbal. Ze besloot over te stappen naar de havo in Emmen, zodat ze tegelijkertijd naar de Carmel Handbalschool kon. In Emmen keek ze haar ogen uit. “Ik had het gevoel dat ik in de grote stad was beland. Opeens moest ik opletten of ik er wel net zo gekleed bij liep als de rest.” Ze houdt er nog altijd rekening mee: “In Westerbork zou ik nooit in een jurk uitgaan, terwijl ik dat in de stad wel zou doen. In het dorp loopt er niks rond dat ik niet ken. In de stad probeer ik toch iets bijzonders aan te doen, al moet het niet te veel opvallen. Wel leuk, maar niet gek. ”

Drie kwartier duurt de busreis naar Emmen, meestal langer. Overstappen doet ze in Zweeloo. Ze heeft het er ook de komende tijd wel voor over om in Westerbork en Beilen te kunnen blijven. “Net als mijn ouders ben ik een echte Drent. Ik hou van het rustige leven hier, toeterende auto’s hebben we niet. Het geeft ook een fijn gevoel dat je altijd een praatje kunt maken in de supermarkt en dat je familie lekker dichtbij is.”

Op eerdere vakanties, onderweg in de auto naar Italië zong De Leeuw samen met haar vader en stiefmoeder steevast ‘Hier kom ik weg’ van zanger Daniël Lohues. “Dat gaat echt over Drenthe: Hier kom ik weg, veur mien hiele leben. Dat is ook precies het gevoel dat ik heb: hier zijn past het beste bij mij.” Ze denkt even na: als het met handbal voor de wind blijft gaan, wil ze best proberen een internationale carrière na te streven. Maar uiteindelijk wil ze niet te ver weg. “Het is zoals Lohues zingt: Ruumte smoort de drokte/ Stilte gef rust. Ik wil in ieder geval in de buurt van Drenthe blijven. Op een half uur afstand rijden, maximaal een uurtje.”

Nora WittingBeeld Hanne van der Woude

‘Lekker met mijn vriendinnen in het bushok’

Nora Witting (18) woont in Klazienaveen, een dorp met zo’n 12.000 inwoners. In september begint ze aan de academische opleiding basisonderwijs aan de universiteit in Groningen.

“Alles is veel makkelijker hier. In Klazienaveen en hier in de buurt kan ik gaan en staan waar ik wil,” vertelt ze. Het afgelopen jaar deed ze vwo-eindexamen aan het Esdal College in Emmen. Al vrij snel wist ze dat ze tijdens haar studie in Groningen in Klazienaveen wilde blijven wonen. “Ik ben nooit langer dan een paar nachten weg van huis geweest. Op kamers gaan zou wel een hele grote stap zijn.” Daarbij is het ook gewoon praktisch, gaat Nora verder: “Ik wil afstuderen zonder duizenden euro’s schuld, zodat ik kan sparen voor een huis voor later.”

Door corona is ze alleen maar zekerder van haar zaak: bijna al haar colleges zijn online. Ze hoeft voor haar studie de komende tijd maar één keer in de twee weken naar Groningen. En er is een prima busverbinding tussen Klazienaveen en Groningen. “Dan kan ik lekker met mijn vriendinnen uit het dorp in het bushok zitten.” Na haar studie wil ze Drenthe misschien best verlaten; ze zou wel onderwijsadviseur willen worden, of lesgeven aan dove kinderen. “In Drenthe hebben ze geen dovenschool, voor zoiets moet je dan wel verder weg.”

Vanmiddag werkt ze bij de Jumbo achter de kassa. Witting kent daardoor veel mensen in Klazienaveen van gezicht. “Het is echt een ons-kent-ons-dorp. Bij de Jumbo komen ook een paar vrienden van mij weg.” Dat is Drents. Net als dat ze soms ‘Ik ben melk nodig’ zegt, in plaats van ‘Ik heb melk nodig’. Ze moet lachen: “Tijdens een tentamen Nederlands was ik er zelfs van overtuigd dat het ‘Ik ben nodig’ was.”

Haar ouders hebben haar geleerd om trots te zijn op waar ze vandaan komt. Haar vader - hij werkt in de schadeverzekeringen – komt uit Klazienaveen, haar moeder – zij werkt in een verzorgingstehuis – uit het dorpje ernaast: Zwartemeer. “Met elkaar spreken mijn ouders plat Drents. Ze vonden het daarom belangrijk om mij en mijn zusje ‘netjes’ Nederlands te leren. Ik vind het goed dat ze dit zo hebben gedaan, want Drentenaren worden in de media vaak onterecht als een soort apart volkje neergezet.”

Zelf pikt ze Drentenaren er zo uit, denkt Witting. “Ze zijn nuchter. Ze hebben een doe-­normaal-dan-doe-je-al-gek-genoeg-mentaliteit. En ze gaan lekker hun eigen gang.” Dat ziet ze ook bij de wedstrijden van FC Emmen, dat is haar club. Met haar dansgroep heeft ze het team in de rust zelfs vaak aangemoedigd. “Er hangt in het stadion echt een niet te missen Drentse spirit.”

Floortje DessingBeeld Maartje Geels

Een heel bijzondere plek

Wordt Nieuw-Amsterdam, waar Marijke de Vries opgroeide, nu juist ‘hip and happening’? 

Floortje Dessing begon vier jaar geleden in Nieuw-Amsterdam met een vriendengroep Camping Buitenland, een plek waar vrijheid en creativiteit centraal staan.

Denk aan joga en meditatie, bootcamps en kampvuurtjes, plek voor zelfbouwers en een buitenbar. “We wilden een creatieve broedplaats. Hier was de grond betaalbaar en beschikbaar. En het is een heel bijzondere plek, het rauwere deel van Drenthe.”

En de volksaard? Ze past op haar woorden, ze wil niet generaliseren. “Maar ik heb soms bij voorbaat het gevoel dat wij als buitenstaanders moeten opboksen tegen het vooroordeel dat we ons beter zouden voelen. Dat is helemaal niet zo, ik vind het geweldig om hier te zijn. Maar ik was een tijdje terug aan het hardlopen, en toen werd ik achtervolgd door een woeste hond, ik moest in de sloot springen. En de eigenaar stond toe te kijken met zijn armen over elkaar.”

Waarna ze zich haast te zeggen dat er juist ook veel kunstenaars en paradijsvogels in zulke dorpen neerstrijken, die ‘helemaal hun eigen plan trekken’. En dat ze in de winkels in het dorp óók de mensen spreekt die vertellen hoe blij ze zijn dat Dessing en haar vrienden hier zijn neergestreken.

Herkent u zich in het verhaal van Marijke de Vries, of juist ­helemaal niet? Stuur uw reactie naar tijdgeestreacties@trouw.nl. Een selectie zal ­vanaf dinsdag te ­lezen zijn op trouw.nl/tijdgeestessay, en in het volgende nummer van Tijdgeest.

Lees ook:

Daniël Lohues: Ik ben veel gelukkiger als ik alleen ben

Met zijn Drentstalige albums en theatershows neemt de veelzijdige Daniël Lohues een unieke positie in binnen het Nederlandse muzieklandschap. Hij heeft trouwe fans: ‘Mijn publiek houdt mekaar de deur open’.

Emmen mag weer trots zijn: ‘Het grote Ajax straks hier, bizar’

FC Emmen promoveerde in 2018 naar de eredivisie. Niet eerder speelde een Drentse club op het allerhoogste voetbalniveau. Wat betekent dit succes voor het kwakkelende Emmen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden