André Dongelmans in Bergen, 30 juni 2021.

Naar huis metAndré Dongelmans

Acteur André Dongelmans: ‘Ik wilde wit zijn, zodat er geen verschil zou zijn tussen mij en mijn vriendjes’

André Dongelmans in Bergen, 30 juni 2021.Beeld Els Zweerink

Schrijver Erik Jan Harmens reist deze zomer met bekende­­ ­Nederlanders en Belgen naar de plek waar ze zijn opgegroeid. Wat is er nog over van het verleden­­? Vandaag gaat hij terug naar Bergen met acteur André Dongelmans. ‘André loopt weg van huis, dat was de eerste scène die ik speelde.’

Echt een goede schuilplaats is het niet: een grasveldje met een mini-skatebaan en daaromheen aan twee kanten kleine rijtjeswoningen van waaruit je vol zicht hebt op wat er op het grasveldje gebeurt. De woningen zijn klein voor Bergense begrippen: verderop worden de huizen kasten en langs de Eeuwigelaan richting Bergen aan Zee ‘slaat het helemaal nergens meer op’. Dat zegt André Dongelmans, die anderhalve maand oud was hij toen hij hier kwam wonen. Het veldje waar we hebben afgesproken was de plek waar hij met vriendjes wedstrijden deed: wie durfde van de papierbak af te springen of zich van bovenin een boom zo in één keer naar beneden te laten vallen? Belletje trekken en hopen dat de mensen zouden happen en met gebalde vuist naar buiten zouden komen rennen.

André Dongelmans (Utrecht, 1987) is acteur. Hij studeerde in 2013 af aan de Toneelschool en de Kleinkunst Academie Amsterdam en was te zien in theaterproducties, tv-series en films, waaronder Het Diner, Gek van Oranje en De Luizenmoeder. Als stemacteur is hij o.a. te horen in de tv-serie Bob de Bouwer. Dit najaar komt De dansende man uit, zijn regiedebuut.

Het zijn dezelfde buurtbewoners die ons nu, terwijl we rondlopen, vanachter de vitrages in de gaten houden. Ongezien blijft hier niets en misschien was dat ook de bedoeling. “Dit was zeg maar mijn filmset”, herinnert Dongelmans zich. “Hier ging ik met mijn vrienden gevechten aan met onzichtbare mannetjes; takken werden zwaarden en als we elkaar raakten, maakten we de geluidseffecten er zelf bij: Boesj! Boesj! Aaaaah! Als ik nu afspreek met oude vrienden, maken we die geluiden nog steeds, alleen rollen we niet meer over de grond zoals vroeger. We doen elkaar alleen onzichtbaar iets aan.”

Op een steenworp afstand ligt het ouderlijk huis, waar hij zich als kind in een hoekje op de bank stilhield, terwijl zijn ouders naast ’m in beslag werden genomen door wat er op tv te zien was: soaps, thrillers, zelfs horrorfilms. Dat zij alles om zich heen vergaten door wat ze op de buis zagen, fascineerde Dongelmans. Dat wilde hij ook, wist hij toen al: in films en series spelen, waardoor mensen in een andere realiteit komen.

André Dongelmans Beeld ELS ZWEERINK
André DongelmansBeeld ELS ZWEERINK

Biologische vader

Na de kleinkunstacademie speelde hij onder andere in De Luizenmoeder en Toren C en in een rits toneel­producties, waaronder de komedie The Play That Goes Wrong. Zijn moeder is geboren in Ghana en woonde in eerste instantie in een azc in België, waar ze een land­genoot ontmoette die nu de biologische vader wordt genoemd. Later woonde ze in bij een gezin in Utrecht als de huishulp en daar ontmoette ze de man die Dongelmans nu ‘mijn vader’ noemt. “Mijn biologische vader heb ik recent twee keer ontmoet en dat was prima. Ik zal hem zeker vaker zien, maar ik heb verder niet echt verwachtingen. Zo is het goed. Mijn Hollandse vader en mijn moeder hebben me opgevoed, van hen ben ik een product.”

Er zal geen schok van nostalgie door hem heen gaan als hij straks weer voor zijn oude huis staat, want Dongelmans komt er nog vaak, onder andere om met zijn ouders formule 1-races te kijken. Vaak komt hij al op zaterdag, voor de kwalificaties. Zijn oude kamertje is nog intact, al staat er niet veel in. “Het is redelijk kaal, ik ben niet zo van de meubels. Er hangt wel een Playboy-kalender, haha, die is denk ik vijftien jaar oud.” De weg naar het oude huis voert door een steegje dat Wonderpad heet. “Dat naambordje moet er al heel lang hangen, maar ik heb het toen nooit gezien”, zegt Dongelmans.

Het is maar een grapje

Als ik opper dat hier in de jaren negentig niet veel mensen van kleur zullen hebben gewoond, bevestigt hij dat. De vinger wijst richting een huis verderop: “Daar woonde een gezin met een Nigeriaanse moeder en ook een Hollandse vader, een vergelijkbare situatie dus als bij ons. Voor de rest was iedereen in dit dorp wit. De filosofie was: wij zien geen kleur, maar dat kleurverschil was er natuurlijk wel. Pas later besefte ik wat er toentertijd allemaal tegen me is gezegd. Ik kan me herinneren als ik naar een feestje ging met alleen maar witte mensen, dat ik voordat ik naar binnen ging even in- en uitademde, omdat ik wist dat er opmerkingen zouden worden gemaakt die met mijn kleur te maken hadden. Het gebeurde niet altijd, soms ook maar een beetje, maar altijd werd erbij gezegd dat het niet meer dan een grapje was. Het Sinterklaasfeest, daar moest je ook maar tegen kunnen, want het was een Nederlandse traditie. Wat ik nog weet, is dat ik nooit anders wilde zijn. Ik wilde als kind wit zijn, zodat er geen verschil zou zijn tussen mij en mijn vriendjes.”

null Beeld Els Zweerink
Beeld Els Zweerink

Ineens komt er een herinnering door: “We speelden verstoppertje en iedereen schoot een kant op, maar ik kon zo snel geen goede plek vinden. Toen ben ik hier plat op de donkere ondergrond gaan liggen. Degene die me moest zoeken keek zo over me heen, ze liep gewoon langs me. Dat was denk ik voor het eerst dat ik mijn kleur op een goede manier kon inzetten.” Zoals zo vaak in het gesprek volgt er een klaterende lach, die ik steeds overneem en zo lachen we wat af, al voel ik ook dat er iets minder vrolijks onder ligt. De toon van het gesprek is vanzelfsprekend ook anders als we praten over De dansende man, een film over een suïcidale man en zijn naasten, die Dongelmans regisseert en eind september in première gaat op het Nederlands Film Festival. “Zeker in de afgelopen coronaperiode, waarin we elkaar nauwelijks konden zien of aanraken, zijn er veel mensen bijgekomen met een doodswens. Daar wilde ik een film over maken, ook naar aanleiding van een gesprek hierover met een vriendin van me. Ik kwam erachter dat mensen met suïcidale gedachten vooral te horen krijgen dat het weer beter wordt. Het zou zo veel beter zijn als we eens echt naar ze zouden luisteren.”

Weglopen

Sneller dan verwacht staan we voor het huis. Het is een twee-onder-een-kapwoning met een donkerblauwe dakgoot, die vroeger wit was, realiseert Dongelmans zich nu ineens. De korte oprit had hij eerder als ‘best wel lang’ voorgespiegeld; mogelijk gebeurde dat vanuit de belevingswereld van het kind voor wie de wereld groot is. “Toen ik negen of tien was, mocht ik de auto achteruit rijden, tot aan de straatkant, en dan reed ik vervolgens rechtdoor tot aan dat schuurtje even verderop. Soms lukte het me zelfs om te schakelen, van z’n één naar z’n twee. Zie je die struik? Toen ik vijf jaar oud was, pakte ik wat speelgoed in in een koffertje en liep ik weg. De achterdeur uit en toen verstopte ik me daar in de bosjes. Mijn ouders besteedden er geen aandacht aan, dus na tien minuten ging ik maar weer terug. Ik denk dat dat mijn eerste zelf gespeelde scène is geweest: André loopt weg van huis.”

André Dongelmans Beeld ELS ZWEERINK
André DongelmansBeeld ELS ZWEERINK

Ook in zijn oude straat worden we bekeken door mensen vanachter hun vensters. Vanwege de podcast die we opnemen, hebben we allebei een microfoon in de hand: “Sommige mensen kunnen mij kennen van tele­visie, het voelt toch een beetje awkward om dit nu te doen, zo van: kijk mij nou. Als kind speelde ik hier en stond ik achter een boom zogenaamd te schieten richting een vriendje achter een andere boom. Dan keken de mensen ook, alleen maar heel even.”

Ik dacht dat het niet zou lukken

Herkend worden vindt Dongelmans overigens niet erg en hij is tevreden met het verloop van zijn carrière. “Zeker omdat ik eerst niet dacht dat het zou lukken voor iemand die er zo uitzag als ik. Je had Jim Geduld, die speelde in Goede tijden, slechte tijden, en John Jones, maar die waren allebei een stuk lichter dan ik.”

We komen bij een drukke weg, die middels een dichte heg wordt gescheiden van het voetpad waarop wij lopen. “Vroeger maakten we daar een gat in, zodat je kon oversteken, maar dat gat is gedicht en de jongere generatie is geen nieuwe gaan maken.” Twee hoeken om en we zijn terug op het grasveldje met de mini-skatebaan, waar we op klimmen en weer af springen.

Als ik neerkom, roep ik ‘Ploef!’, net als in de film. Gevraagd of hij nu wél het gevoel heeft dat hij er mag zijn, antwoordt Dongelmans met een dubbele ontkenning. “Ik denk dat wat ik doe niet níet bijzonder is. Als jij daarvan wil maken: wél bijzonder, dan wil ik benadrukken dat dat jouw woorden zijn.” Opnieuw een lach en daarna weer de ernst. “De twijfel over er mogen zijn, gaat nooit echt over. Door de Zwarte Piet-discussie verloor ik even de hoop dat ik in Nederland ooit volledig zou worden geaccepteerd, vanwege alle haat die ook mijn kant op kwam. In Ghana ben ik óók anders, want op mijn kleur na ben ik helemaal Hollands en dat hebben ze daar meteen door. Als ik er daar én hier nooit helemaal mag zijn, dan moet ik me maar overal en nergens thuisvoelen. Het is een noodverband, maar ik denk dat aanpassen bij het leven hoort. Ik wou eerst zeggen: ‘Ik voel me nergens thuis’, maar het is het tegenovergestelde. Ik voel me nergens níet thuis.”

Erik Jan Harmens (1970) is schrijver en dichter. Voor Trouw schreef hij eerder columns over ‘prikkels’ vanwege zijn autisme en de interviewreeks Onverdoofd.

Luister ook naar de podcasts van deze gesprekken via trouw.nl/naarhuis of de bekende podcastkanalen. Reacties zijn welkom via ­tijdgeestreacties@trouw.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden