ColumnBert Keizer

Aan een eenzame uitvaart gaat vaak een al even eenzaam sterven vooraf

null Beeld

Binnen het domein van uitvaarten zal niemand een favoriet type hebben, maar misschien wel een extra lastige soort. Ik heb het niet over uitvaarten van geliefden. Ik bedoel uitvaarten waar je wel naartoe gaat zonder zelf verscheurd te zijn door verdriet. En dan vind ik uitvaarten waar niemand komt opdagen behalve wat hulpverleners, een moeilijk te verteren dieptepunt.

Zo’n eenzame uitvaart wordt meestal voorafgegaan door een al even eenzaam sterven. Collega S. was laatst bij zo’n dood betrokken en het was haar erg zwaar gevallen. Meneer Y. was geboren in de dertiger jaren, de crisis, werkeloosheid, leven van ‘de steun’. Zijn eigen vader heeft hij nooit gekend. Die was door zijn moeder al de deur uitgezet voordat het kind drie jaar oud was. Hij dronk te veel. De nieuwe dronk niet alleen, maar sloeg ook. Dat ging door totdat meneer Y. een jaar of zestien was, kort na de oorlog. Hij was toen zowaar een paar maanden naar Zwitserland geweest als ondervoed jochie om daar aan te sterken. Bij terugkeer bleek hij echt aangesterkt want toen zijn stiefvader op een avond weer op zijn moeder af wilde, was hij er tussen gesprongen en had hij zijn stief een stevige trap verkocht met de mededeling: ‘As je nou nog één keer…’

Van de oorlog herinnerde hij zich het bombardement op Amsterdam-Noord in juli 1943. Het doel was de Fokkerfabriek. Alle bommen vielen op woonhuizen. Meer dan tweehonderd burgerdoden. De hele wijk in puin. “Nooit meer iets over gehoord”, zei hij schamper.

Hij wilde timmerman worden maar kreeg tbc en moest ‘kuren’ heette het toen. Na twee jaar probeerde hij, opnieuw verzwakt, tramconducteur te worden. Maar hij kon dat werk niet aan. Hij was te vaak ziek. Het werd een eenvoudige kantoorbaan waarin hij de post verzorgde binnen een groot verzekeringskantoor. Hij bleef bij zijn moeder wonen om haar tegen ‘die ouwe’ te beschermen.

Te laat voor een vrouw

Na diens dood was hij zelf ook de vijftig voorbij en was het te laat voor een vrouw. Hij vond het geen slecht leven, dronk een biertje, deed graag mee op de figuurzaagclub, puzzelde veel en zorgde voor zijn moeder. “Je zou zeggen”, vond collega S., “een enigszins suffe figuur, maar niet iemand die onaangedaan door het leven ging.”

Want toen zijn moeder via een gebroken heup en een beroerte die haar van haar spraak beroofde in het verpleeghuis belandde, werd hij de wanhopige toeschouwer van wat hij niet ervoer als nare tegenslag, nee, hij vond het een vernedering. Haar neergang duurde anderhalf jaar voordat ze als een uitgewoond wrak in een verpleeghuis eindelijk haar laatste adem uitblies. Zoiets had hij nog nooit meegemaakt en hij wist zeker: dat laat ik me niet aandoen.

Plastic fruit, plastic bloemen

Hij bleef in het huisje van zijn moeder wonen. “Dat huisje verstilde. Hij kwam eigenlijk náást het leven terecht. Alles was blinkend schoon en levenloos. Plastic fruit. Plastic bloemen. In de keuken zelfs een bos wortels en een bloemkool van plastic. ‘Om de boel een beetje op te fleuren.’ Niets trekt je zo meedogenloos de dood in als verkleurd plastic fruit. En hij liet het wel een jaar of tien, vijftien liggen hoor.”

Toen hij haar op zijn negentigste om euthanasie vroeg wegens hartfalen, maar vooral wegens de neergang van zijn moeder, was ze bereid hem te helpen. Er kwamen nog twee scen-artsen aan te pas voordat ze hem over de formele barricades heen had geholpen. ‘Want we gaan geen euthanasie verlenen omdat iemands moeder zo slecht stierf!’, sprak de eerste afwijzende scen-arts.

Vanmiddag was het dan gedaan. Aanwezig naast meneer zelf: S. als de uitvoerende dokter en een jongere collega, huisarts in opleiding.

Wat vond ze nou precies zo erg aan dit alles? “Dat zo’n man in zijn laatste minuten niemand om zich heen heeft dan twee hulpverleners. Betaalde liefde. Hij lag er zo alleen. Met aan de muur Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen, veertig jaar geleden netjes uitgezaagd.’

Toen ze naar huis reed, besefte ze hoe grillig het noodlot de kaarten uitdeelt waar we het mee moeten doen. Ze dacht aan Philip Larkin’s regels: We should be careful of each other – we should be kind – while there is still time.

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden