Klein verslag Wim Boevink

204 west 23 en de genius loci van New York

We logeerden in Chelsea, in een hotel op nummer 204 aan de 23ste straat, op de hoek met de zevende avenue. Ik wist niet precies hoe ik dat de taxichauffeur bij de luchthaven moest uitleggen, 204 west 23 – two-0- four west twentythree – bleek de formule te zijn.

De taxi had een scheidingswand tussen achterbank en chauffeur. Midden in die wand zat een klein tv-scherm; er liep een programma van Fox.

Links ervan waarschuwde een sticker de chauffeur niet lastig te vallen, op straffe van 25 jaar celstraf. De wand maakte alleen het spreken met de chauffeur al tot een vermoeiende exercitie; pas bij het uitstappen bemerkte ik de intercom-knop.

De Midtown-tunnel was smal. “You picked a nice spot, chief”, zei de al wat oudere, zwarte chauffeur bij aankomst, met waardering voor de hotellocatie. Het haar dat onder zijn pet uitkwam begon al te grijzen.

Open aangelegenheid

Het hotel was wat verlopen en gedateerd, maar de bedden en de kamers waren schoon en ruim. Het bevond zich in een blok uit de jaren zeventig, zes verdiepingen hoog, een gevel met kleine vierkante ramen. Overal lag grijs tapijt. De vrouwen achter de receptie­balie, geblondeerde vijftigers, spraken Pools met elkaar. Ik vermoedde dat ze zussen waren.

We keken uit op het kruispunt. De ramen konden niet open. De frisse lucht moest uit een airco komen onder de vensterbank. Boven de bedden hingen reproducties van landschappen van Van Gogh. Op de hoeken van het kruispunt bevonden zich taco- en burgertenten,die ook de hele nacht open waren.

Het ontbijt was inclusief, en zeer basaal. Op een plank langs de muur stond een bak met broodjes en muffins en een schaal met kuipjes philadelphia-kaas, jam en boter. Er was koffie uit een machine, met klassieke glazen refill-kan.

Het was een zeer open aangelegenheid, onder de gasten mengden zich ook lokale daklozen, die een beker koffie haalden en een muffin in hun zak staken.

Een van hen had een tijdelijk kwartier van dozen en matrassen onder de steigers iets verderop, de steigers voor het beroemde Chelsea Hotel dat al jaren in verbouwing is. Naast de met plastic schermen verborgen ingang hingen nog de plaquettes voor Brendan Behan, Leonard Cohen (‘I remember you well in the Chelsea Hotel’) en Dylan Thomas.

Genius loci

Een blok verder – we waren op weg naar de Empire Diner op Tenth Avenue – passeerden we de London Terrace Gardens, een groot appartementencomplex uit het eind van de jaren twintig van de vorige eeuw, toen een grote, mislukte luxe op de drempel van de Grote Crisis, maar later ook gewilde appartementen; Chelsea Clinton, Deborah Harry en Susan Sontag woonden er.

Ik moest terugdenken aan wat E.B. White in 1948 schreef over de magie van New York, de genius loci: dat je soms maar een steenworp verwijderd bent van faam en roem, van historische iconografie.

Het regende hard, die eerste avond; tegen de hoge stoepranden vormden zich kolkende waterstromen die je met een sprong moest overwinnen. Neon spiegelde in het asfalt.

We waren ook voor Jim gekomen, die zich bij ons had aangesloten – met paraplu.

(Wordt vervolgd.)

Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen. Abonneer je op zijn column in onze mobiele app en lees hem als eerste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden