Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Zwaan over de Armeense kwestie / Ook Albayrak heeft boter op haar hoofd

Home

door Ton Zwaan

Nebahat Albayrak (PvdA) heeft over de Armeense kwestie een net zo aanvechtbare mening als de reeds van de lijst afgevoerde Turkse CDA’ers.

Onder de kop ’Bronnen in Armeense kwestie bevuild’ plaatste Trouw op 26 september jl. prominent een interview met Nebahat Albayrak, nummer 2 op de PvdA-kandidatenlijst. Zij doet daarin enkele uitlatingen over de Armeense volkerenmoord die in 1915 en 1916 heeft plaatsgevonden in het Ottomaans- Turkse rijk, getuigen niet alleen van een grote mate van onwetendheid, maar hier en daar ook van een uiterst bedenkelijke interpretatie van de gebeurtenissen. Daarmee komt de geïnterviewde, misschien wel zonder dat zij dat zelf beseft, dicht in de buurt van de huidige officiële Turks-nationalistische ontkenningspolitiek. Die ontkenningspolitiek is gevoerd vanaf de jaren twintig en kent diverse vormen. De eenvoudigste is algehele ontkenning: er is helemaal geen Armeense genocide geweest. Een tweede, wat meer geraffineerde vorm, is gedeeltelijke erkenning van de gebeurtenissen, gekoppeld aan vérgaande betwijfeling van de ernst van het gebeurde. Meestal wordt tevens de betrouwbaarheid van historische bronnen in twijfel getrokken. In een derde variant wordt gestreefd naar vervaging van het onderscheid tussen daders en slachtoffers, bijvoorbeeld door te beweren dat er een burgeroorlog woedde. Ontkenning behelst soms ook omkering: slachtoffers worden voorgesteld als daders, daders als slachtoffer.

Al deze vormen van ontkenning komen in het huidige debat voor. Cijfers over de aantallen dodelijke slachtoffers van genociden zijn naderhand altijd omstreden. Degenen die de ernst van de gebeurtenissen willen benadrukken zijn soms geneigd tot (te) hoge schattingen, degenen die het omgekeerde beogen hebben belang bij (te) lage schattingen. In het geval van de Armeense genocide schatten de meeste onafhankelijke wetenschappelijke onderzoekers het aantal dodelijke slachtoffers in beide jaren tussen de 800.000 en ruim een miljoen. Albayrak meent dat het ’aantal niet het belangrijkste is’, en noemt een aantal van 500.000. Door een lage schatting te kiezen en het aantal slachtoffers ’niet het belangrijkste’ te noemen, bagatelliseert zij ten onrechte deze problematiek en getuigt zij van gebrek aan respect voor de mannen, vrouwen en kinderen die destijds doelbewust op een verschrikkelijke manier zijn omgebracht.

Albayrak beweert ook dat ’alle bronnen’ over de Armeense genocide ’bevuild’ zijn. Dit is apert onjuist en tendentieus. Zo worden ten onrechte ’alle bronnen’ in één keer als verdacht aangemerkt. Over de Armeense genocide zijn vele uiteenlopende bronnen beschikbaar die ruim voor historisch onderzoek gebruikt zijn. Dat heeft geleid tot een aanzienlijk aantal zeer gedegen studies. Eén heel belangrijke bron wordt gevormd door de archieven van de Duitse buitenlandse dienst. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren Duitsland en het Ottomaanse rijk bondgenoten. Veel Duitse diplomaten, militairen en anderen waren toen actief in het Turkse rijk. Zij hebben gedetailleerde rapporten en ooggetuigenverslagen geschreven over de vervolging, deportatie en massamoorden. De eerste uitgave van deze bronnen dateert van 1919. Vorig jaar is een nieuwe, uitvoerigere uitgave verschenen: Wolfgang Gust (Hg.), Der Völkermord an den Armeniern 1915/1916 (Hamburg, 2005). Aan deze bron is niets ’bevuild’ en al een paar uur lezen in deze verzameling van honderden documenten is voldoende om doordrongen te raken van wat zich toen heeft voorgedaan. Er zijn veel meer van zulke bronnen.

Albayrak meent dat ’alles wat Armeniërs zeggen, door Turken wordt ontkend en omgekeerd’. Dit is een onhoudbare simplificatie: aan het onderzoek naar de Armeense genocide zijn bijvoorbeeld in de afgelo pen jaren door een aantal uitstekende Turkse historici, van wie ik hier alleen Taner Akcam noem, belangrijke bijdragen geleverd. Het meeste onderzoek is overigens verricht door historici die Turks noch Armeens zijn, maar Frans, Amerikaans, Duits, Brits, Zwitsers of Deens. Onder deze onderzoekers bestaat grotendeels overeenstemming over de voornaamste feiten. Namelijk dat de Armeense minderheid in het Ottomaanse rijk in deze jaren het slachtoffer is geworden van een genocidale politiek van zorgvuldig voorbereide en grootschalige vervolging, deportatie en massamoord. Deze systematische vervolging en vernietiging heeft plaatsgevonden op initiatief en onder leiding van het toenmalige bewind in Istanbul en is uitgevoerd in nauwe samenwerking tussen de civiele staatsbureaucratie, het leger, de gendarmerie en andere politiediensten. Hoewel het woord ’genocide’ destijds nog niet bestond, kan er geen enkele twijfel over bestaan dat het hier een genocidaal proces betrof. Verder onderzoek naar het precieze verloop van dat proces is zeker wenselijk – zoals ook nog steeds veel onderzoek wordt gedaan naar de moord op de Joden – maar enigerlei vorm van ontkenning van het genocidale karakter van de gebeurtenissen is, gezien de stand van het wetenschappelijk onderzoek, uitgesloten.

De meest bedenkelijke suggestie van Albayrak is dat nagegaan zou moeten worden ’in hoeverre het Turkse verwijt klopt dat de Armeniërs (..) collaboreerden met de Russische vijand’. Wil zij de lezers van Trouw werkelijk doen geloven dat de honderdduizenden vermoorde Armeense kinderen, vrouwen en bejaarden streden aan Russische kant? En dat die daarom misschien terecht zijn omgebracht?

De ruimte ontbreekt om nader in te gaan op andere kwesties in het interview, maar mw. Albayrak heeft, nauwelijks gehinderd door enige kennis, een serie dubieuze uitlatingen gedaan die nauw verwant zijn aan negationisme en ontkenningspolitiek, in het bijzonder in de hierboven genoemde tweede en derde vorm. De vraag is hoe zij en haar partij hiermee denken weg te komen. De ongeloofwaardigheid die de geïnterviewde toedicht aan het CDA is precies zo van toepassing op haarzelf en de PvdA. Overigens is het opvallend dat in de hele discussie tot nu toe vooral politici, van welke herkomst ook, met stelligheid van alles beweren over historische gebeurtenissen waar zij amper enige weet van blijken te hebben. Vaak voegen zij daaraan toe dat het hun ’persoonlijke mening’ is. Maar wie iets wil beweren, doet er goed aan zich eerst op de hoogte te stellen van de beschikbare feiten. En een persoonlijke mening is alleen waardevol als die berust op kennis en inzicht.

Dr. Ton Zwaan is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en werkte eerder bij het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies.

Deel dit artikel