Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Zowel direct als indirect gaat er publiek geld naar de ontwikkeling van dure medicijnen

Home

Marco Visser

De ontwikkeling van een medicijn kan volgens farmaceuten 2,6 miljard euro kosten. © ANP/HH

Wij moeten wel tienduizenden euro’s vragen voor een nieuw medicijn, anders verdienen we de ontwikkelkosten niet terug, zeggen grote farmaceuten als AstraZeneca, MSD en Novartis. Aperte onzin, want juist in die ontwikkelfase zit veel publiek geld zodat belastingbetalers eigenlijk twee keer een rekening krijgen voor een medicijn, stellen Somo en Wemos in een vandaag verschenen rapport. 

De twee non-profitorganisaties die multinationals kritisch volgen, onderzochten hoeveel Nederlands overheidsgeld naar de ontwikkeling van medicijnen gaat. Een concreet bedrag komt daar niet uit, want in de farmaceutische wereld blijven veel bedragen geheim. Dat is ook direct het grote probleem in de discussies rond dure geneesmiddelen. Farmaceuten zeggen dat de ontwikkeling tot wel 2,6 miljard euro per medicijn kost. Dat is noch door kritische organisaties, noch door de overheid te weerleggen omdat er geen inzage is in hoe de kosten voor een medicijn tot stand komen. Dat willen de farmaceuten ook niet omdat zij hun concurrenten niet wijzer willen maken dan ze al zijn.

Lees verder na de advertentie
Volgens non-pro­fit­or­ga­ni­sa­tie Somo mist de overheid kansen om invloed uit te oefenen op de hoge me­di­cijn­prij­zen

Somo en Wemos analyseerden cijfers en casussen en kregen daardoor wel een indruk van de financieringsstroom vanuit de overheden. Zowel direct als indirect gaat er publiek geld naar de ontwikkeling van medicijnen. Bijvoorbeeld via publieke investeringen in onderzoeksinstituten van universiteiten. Volgens gegevens van minister voor medische zorg Bruno Bruins is in 2017 ongeveer 780 miljoen euro vanuit de overheid gebruikt voor medicijnontwikkeling in Nederland. De Europese Unie legde daar nog eens 55 miljoen bovenop. Deze bedragen gaan vooral naar fundamenteel onderzoek in de beginfase van het ontwikkeltraject van medicijnen.

Na het fundamenteel onderzoek volgen klinische onderzoeken waarbij geneesmiddelen op proefpersonen worden getest. Die onderzoeken worden ‘voor een substantieel deel’ betaald met publiek geld, zo laten Somo en Wemos zien. Het medicijn Keytruda bijvoorbeeld, dat onder meer wordt gebruikt bij huidkanker, is volgens Somo en Wemos voor een derde betaald door publiek gefinancierde instituten of niet-commerciële sponsoren, zoals kankerinstituten en ziekenhuizen.

Publieke bijdrage verwatert

Volgens Esther de Haan, een van de onderzoeksters van Somo, ‘verwatert’ de publieke bijdrage in een latere fase van de klinische testen omdat farmaceutische bedrijven enorme bedragen investeren. Maar dit is in de fase dat het grootste risico op mislukking voorbij. De investeringen zijn relatief veilig.

Dat is van belang in de discussie over de kosten. Farmaceuten vragen hoge bedragen voor hun geneesmiddelen omdat zij flinke winsten moeten halen. Dat heeft te maken met de aandeelhouders. Zij nemen grote risico’s door hun geld te investeren in een farmaceutisch bedrijf. Een onderzoek kan immers altijd misgaan. Maar in de praktijk blijkt het volgens Somo en Wemos dus wel mee te vallen met die risico’s. Dus hoeven de rendementseisen niet zo hoog te zijn, en daarmee ook de prijzen voor de medicijnen niet.

De farmaceuten profiteren ook van indirecte steun. Die verloopt via nationale en regionale fondsen waarin de overheid geld stort om projecten met een publiek doel te financieren. Niet bekend is hoeveel overheidsgeld via deze route naar de farmaceuten gaat. Deze informatie is niet openbaar.

Start-ups

Een publiek doel van een fonds is bijvoorbeeld de ontwikkeling van medicijnen. Een fonds kan dus miljoenen euro’s steken in een bedrijf dat bezig is met een veelbelovend nieuw geneesmiddel. Die bedrijfjes zijn meestal start-ups, ontstaan vanuit de universiteit. Hebben zij succes, dan krijgen de grote spelers interesse en verkopen de fondsen hun aandelen aan farmaceutische bedrijven die daarmee de start-up overnemen.

Een voorbeeld daarvan is de overname van Acerta Pharma door AstraZeneca. Acerta ontwikkelde een medicijn tegen kanker, met hulp van het ministerie van economische zaken en een regionaal investeringsfonds. AstraZeneca betaalde 4 miljard voor het Nederlandse bedrijf. Dat geld halen zij er straks makkelijk uit, want dankzij de patenten die meekwamen met de overname kunnen zij voor het medicijn vragen wat ze willen.

De Haan van Somo vindt dat publieke partijen voorwaarden moeten verbinden aan hun investeringen. “Dit is een gemiste kans van de overheid om invloed op de hoge medicijnprijzen uit te oefenen.” Ook vinden Somo en Wemos dat de overheid transparant moet zijn over hoeveel geld er via de fondsen naar medicijnontwikkeling gaat. Daarnaast zou er een Europese wet moeten komen die farmaceuten verplicht om het aandeel publieke financiering te melden als zij een nieuw geneesmiddel op de markt brengen.

Lees ook:

De politiek ontloopt moeilijke keuzes over medicijnen - tegen een hoge prijs

Alle onderhandelingen met fabrikanten ten spijt hebben veel ‘dure’ medicijnen nog steeds een veel te hoge prijs, stelt Werner Brouwer, hoogleraar gezondheidseconomie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het is wel degelijk mogelijk om excessief dure pillen juridisch aan te pakken

Medicijnproducenten kunnen tienduizenden euro’s voor een pil of injectie vragen omdat zij het patent op een geneesmiddel hebben. Maar met de Mededingingswet kan iets aan de hoge prijs worden gedaan, ook als een farmaceut schermt met een patent.

Deel dit artikel

Volgens non-pro­fit­or­ga­ni­sa­tie Somo mist de overheid kansen om invloed uit te oefenen op de hoge me­di­cijn­prij­zen