Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Zingen en creperen

Home

BENNO BARNARD

Oorlog leidt tot veel slechts, maar ook tot poëzie. Dat gold vooral voor de Eerste Wereldoorlog - de Tweede was minder inspirerend. En wie wil er dichten over IS?

Benno Barnard (1954) is dichter en essayist, en woont in Vlaanderen. Vorig jaar verscheen zijn autobiografische 'Dagboek van een landjonker'.

In 1914 togen tienduizenden jongemannen opgewekt naar het slagveld, in het mooie geloof dat het vaderland per definitie gelijk had. Het in de pan hakken van de vijand was een nobele zaak. Wat een tijdperk! Toen leefde je nog als man en kunstenaar. Je was een Zwitser in Franse legerdienst, zoals Blaise Cendrars, en ze schoten je arm eraf - het resterende stuk dichter liet je tot Fransman naturaliseren, want de natie betekende nog iets, anders was die oorlog ook nergens voor nodig. Je was pianist, zoals de broer van Wittgenstein, ze schoten je arm eraf en het atonale geraas van het slagveld veranderde in het pianoconcert voor de linkerhand dat Ravel speciaal voor jou componeerde.

Maar ik zit hier natuurlijk de industriële productie van miljoenen porties hachee te sublimeren. Je leefde niet zozeer als man en kunstenaar, je sneuvelde vooral. Het oude handwerk was vervangen door tank, vliegtuig en machinegeweer; alleen het vlees was nog van vooroorlogse makelij.

In 1914 dichtte Guillaume Apollinaire in 'La petite auto':

Nous dîmes adieu à toute une époque

Des géants furieux se dressaient sur l'Europe

(Wij zeiden een heel tijdperk vaarwel

woedende reuzen richtten zich op boven Europa)

De Grote Oorlog vrat miljoenen mensen op en baarde duizenden gedichten, van de hand van Owen, Sassoon, Trakl, Apollinaire, Achmatova, en talloze bekende en minder bekende anderen. In mijn editie van 'The Penguin Book of First World War Poetry' (uit 1996) staan een kleine 300 verzen van 54 dichters, en dat boek streeft helemaal geen volledigheid na.

Een paar van die gedichten klinken nog heroïsch negentiende-eeuws:

The thundering line of battle stands,

And in the air death moans and sings;

But Day shall clasp him with strong hands,

And Night shall fold him in soft wings.

(De donderende gevechtslinie blijft staan

en in de lucht kreunt en zingt de dood

maar de Dag zal hem met sterke handen grijpen

en de Nacht zal hem in zachte vleugels omwikkelen)

Zo eindigt 'Into Battle' van Julian Grenfell. Dezelfde Captain van de Ist Royal Dragoons schreef op 24 oktober 1914 in een brief naar huis deze zinnen: "Ik vind de oorlog zalig. Het is net een grote picknick, maar dan zonder de doelloosheid van een picknick."

Krankzinnig, geheel wat u zegt, maar Grenfell drukt de gangbare victoriaanse opvatting uit dat het zoet en gepast was te sterven voor het vaderland.

Grenfell was een uitzondering. De meeste oorlogsgedichten zijn bloederig, modderig en stinken naar gas; de helden zijn stervende jongens die om hun moeder huilen. Het zijn anti-oorlogsgedichten. Apollinaire vind ik de beste dichter van dat tijdperk: hij gebruikt wilde metaforen en wrange grappen om de lezer naar het front te brengen. Maar ook bij de lectuur van dichters die trouwhartig bleven rijmen en de traditionele strofebouw respecteerden, zakte menige dame, verzen neuzelend boven haar glaasje port, van schrik door haar korset. Hun vorm is wellicht nog niet modernistisch, hun inhoud schreeuwt de moderniteit en haar angsten, ongeloof, trauma's en anarchie uit.

Al voor 1914 waren dichters en schilders aan het experimenteren met de vorm, Benn, Cendrars, Apollinaire, de kubisten, de futuristen. De geschiedenis beloonde die ijver met haar grootste oorlog tot dan toe, een oorlog die Gertrude Stein 'kubistisch' noemde, een oorlog die het uiteenvallen van de grammatica en het op zijn kop vallen van de semantiek als het ware een morele reden gaf. Zij die aan de toekomst dachten te bouwen, vervaardigden in werkelijkheid brokstukken van een beschaving die weldra zou verzinken.

Je zou kunnen zeggen dat Gavrilo Princip in Sarajevo niet alleen de Oostenrijkse kroonprins vermoordde, maar ook de principes en vormen van de oude eeuw, haar heldendom, lijfeigenschap, wals, impressionisme, symbolisme... en misschien vooral haar coherentie.

De frontsoldaten raakten al snel doordrongen van de krankzinnigheid van het abattoir. En hoewel hij als genaturaliseerde Fransman patriottischer was dan veel geboren Fransen, dicht ook Apollinaire geen patriottische hymnen - hooguit gebruikt hij een keer het woord boche, mof. De vijand was een sukkel in de spiegel. De ware vijand was de oorlog zelf.

Maar dat veranderde radicaal in de volgende oorlog. Het bestrijden van de oorlogsveteraan Hitler was een categorische imperatief. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij als ordonnans de post besteld langs het westelijke front, zich verplaatsend per rijwiel. (Op een foto uit die tijd lijkt hij sprekend op mijn grootvader Barnard, maar dat doet hier verder niet ter zake.) Ook korporaal Hitler deed in zijn vrije tijd aan kunst: hij vervaardigde aquarelletjes. Zijn impressie van het half in puin geschoten Vlaamse dorp Besselare is niet echt goed geschilderd, maar ook niet abominabel, zoals een steile democraat in uw oor fluistert. Opvallend is vooral de brave, volkomen traditionele stijl ervan. Of er een omgekeerd causaal verband te bespeuren valt met Hitlers verdere bijdrage aan de twintigste eeuw, durf ik niet te zeggen.

In elk geval was de oorlog tegen de nazi's en de met hen verbonden totalitaire regimes (Turkije bijvoorbeeld) een rechtvaardige oorlog, ook als bepaalde daden van de geallieerden, zoals het bombardement op Dresden, op zichzelf beschouwd immoreel waren. Maar eigenaardig genoeg heeft de Tweede Wereldoorlog nauwelijks dichters geïnspireerd tot verzen over de immanente rechtvaardigheid van de strijd tegen Hitler (ik laat de verplichte verheerlijking van Stalin buiten beschouwing). Ik ken grote dichters die over verbrande mensen en verbrande steden hebben geschreven, van Paul Celan en Nelly Sachs tot Czeslaw Milosz. Maar ik kan maar één gedicht bedenken dat expliciet de geallieerde politiek roemt: 'Defence of the Islands' van T.S. Eliot namelijk, dat door hem zelf dan nog als een gelegenheidsgedicht werd aangemerkt.

Valt dat gebrek aan politieke gedichten te verklaren vanuit een gevoel dat poëzie ongeschikt is voor politieke onderwerpen, oorlog, klassestrijd, ideologie of wat dan ook?

Mocht iemand op dit punt tegenwerpen dat Pablo Neruda toch bevlogen socialistische verzen heeft geschreven, en anders Herman Gorter wel, dan antwoord ik met de woorden van Czeslaw Milosz uit het gedicht 'Voorwoord', in 1945 in het verwoeste Warschau geschreven:

Wat is een poëzie

die volkeren noch mensen redt?

Laten we wel wezen: tijdens het volgende wereldconflict, de Koude Oorlog, bleken veel westerse intellectuelen en schrijvers naar een communistische dictatuur te hunkeren. Op de Rive Gauche in Parijs begon het politiek-correcte denken, dat navolging vond op onze eigen linkerslootkant. Je zou kunnen zeggen dat Sartre de geestelijke vader van de oikofobie is, zoals de filosoof Thierry Baudet het verschijnsel heeft gedoopt: een irrationele afkeer van het eigen huis, de eigen westerse cultuur. Gaarne ruilde men dat alles in voor een Centraal Comité, collectieve armoede en een bende sadisten die hun kans roken om carrière te maken.

Dertig jaar geleden was een dichter als Joseph Brodsky nodig om ons te wijzen op het simpele feit dat de Sovjet-Unie wel degelijk onderdak bood aan het kwaad. Maar het Westen had dat al veel eerder kunnen weten van een andere Joodse dichter, Osip Mandelsjtam (Joodse dichters zijn de beste seismografen van de geschiedenis). Zie hier de slotregels van het gedicht 'Leningrad':

O Petersburg, ik heb geen zin,

om nu al dood te gaan.

Jouw telefoongids geeft

nog al mijn nummers aan.

O Petersburg - adressen heb

ik nog genoeg:

daar haal ik alle stemmen op

van onze dodenploeg.

Ik woon onder de trap en aan

mijn slapen hamert schel

de met vlees en al uitgerukte

klap van de voordeurbel.

De hele nacht door wacht ik tot

hij komt, mijn lieve gast:

die met de ketting rinkelend

naar knop en grendel tast.

Mandelsjtam was in 1891 in Sint-Petersburg geboren. Maar deze stad mocht van de bolsjewieken geen deel meer uitmaken van het burgerlijke Europa, en dus veranderde ze in het ver van iedere westerse beschaving gesitueerde Leningrad, een oord waar zo'n beetje alles als metafoor van de terreur kon dienen - zoals die voordeurbel, een ouderwetse schel blijkbaar, die een vertegenwoordiger van het Kremlin lekker uit het stenen lichaam kon rukken, zodat het huis alvast gemarteld werd voor de bewoner ervan aan de beurt was.

De dichter is zijn stem, zei Mandelsjtam; die stem is hier nagesynchroniseerd door Charles B. Timmer. De fysieke dichter werd in december 1938 ergens in de buurt van Vladivostok vermoord.

Het is moeilijk voor ons, hedendaagse Europeanen, om nog een vijand te herkennen. Niet alleen de oikofobie, ook de psychologie heeft onze beschaving ondermijnd. Eeuwen van bloedvergieten hebben ons de Verlichting opgeleverd; één eeuw psychologie heeft ons naar de rand van de afgrond gevoerd. Van de psychologie mag je met een beschuldigende vinger naar je ouders wijzen, maar niet naar een vijand. Vijanden zijn mensen die zelf door hun ouders zijn misvormd en hen treft dus geen schuld.

Omdat we ons eigen karakter verachten, zijn we karakterloos geworden. We verslijten die toestand voor ruimdenkendheid, maar in werkelijkheid zijn we even laf als Herr Biedermann uit het beroemde toneelstuk van Max Frisch, die de brandstichters de lucifers aanreikt om zijn eigen huis in de fik te steken. In de salon, waar onze gekoesterde burgerlijke meubelen en onze liberale boekenkast staan, hebben we handenwringend Saoedische predikers en hun geestverwanten verwelkomd, gasten met 1400 jaar ervaring als pyromaan.

Maar inmiddels heeft ook bij de meeste argeloze zielen wel het inzicht postgevat dat alles wat ons dierbaar is bedreigd wordt door een nieuwe vijand: het kalifaat en zijn sympathisanten in het Westen. Dat kalifaat is een vijand die zo monsterlijk slecht is dat zijn slechtheid werkelijk niet meer weg te redeneren valt met behulp van de psychologie of enkele politiek-correcte clichés over uitsluiting. Niemand begint uit boosheid over zijn opvoeding of een paar mislukte sollicitaties hoofden af te snijden - tenzij hij zelf de lobotomie van het islamisme heeft ondergaan.

Bestaan er gedichten tegen het islamisme? Ik ken er een. Daarvoor moet ik wel vier eeuwen teruggaan. In het jaar 1622 publiceerde Hugo de Groot zijn 'Bewys van den waaren Godsdienst. Mitsgaders zyne andere stichtelyke gedichten, en gesangen'.

Hugo de Groot ofte Grotius (hij leefde van 1583 tot 1645) was zoals u weet de meest invloedrijke jurist uit de geschiedenis van de Lage Landen: een bestrijder van alle intolerantie, inclusief die van de contraremonstrantse staatskerk. Om die reden werd hij door Prins Maurits tot levenslange opsluiting in slot Loevestein veroordeeld. Hij, die zelf uit letters bestond, ontsnapte op gepaste wijze: in een boekenkist, die hij later in een vers aldus zou toespreken: 'O soete schuyl-plaets!' Via Antwerpen bereikte hij Parijs, waar de Franse koning hem een geldbedrag voor zijn levensonderhoud toekende. (Ach, ancien régime, niet alles aan u was even slecht...)

In zijn stichtelijke dichtbundel staat dit sonnetachtige gedicht, 'De wederlegging van de Mahumetisterij' getiteld:

Alsoo daer is ontstaen een trotse wrede wet

Ontrent de roode zee door d'hand van Mahumed,

Seer vreemd van Christus leer, een spiegel dogh van 't leven

Waer toe het Christendom sigh hadde toen begeven.

Dees' Alcoransche wet, in 't minst niet ootmoedigh

Nogh lijdsaem, maer tot wraek genegen ende bloedigh,

Maekt sonderlingh haer werk van 't uitterlijk gelaet,

Als wesend' ingestelt tot styvingh van den staet,

En den gemeenen man neemts' uit de hand de boeken,

Jae op de straff van 't lijf verbied sy t'onderzoeken.

Om nu te weten welk van beyde dese wetten is beter,

Wilt voor eerst op bey de brengers letten.

Den onsen was altijd heel reyn en vroom van leven,

Daer Mahumet heeft rooff en overspel bedreven.

De islam is volgens Hugo de Groot een bloederige superstitie, ontworpen om de staat te 'stijven', wat me een geschikt werkwoord lijkt om het karakter van een dictatuur mee uit te drukken. En in de islamitische dictatuur staan op vrij onderzoek lijfstraffen, zegt Grotius, want studeren leidt tot opstandigheid. Intellectueel gemotiveerde opstandigheid was de moeder van de Nederlandse revolutie, waarvan hijzelf zo'n prominente vertegenwoordiger was. Het verbod in de islam op interpretatie en zelfstandig nadenken moet hem, de humanist en voorloper van de Verlichting, met walging hebben vervuld - hij zal het ongetwijfeld met het duistere katholicisme van de Spaanse vorsten hebben geassocieerd.

Het kalifaat is de gestijfde islamitische staat. Het vorige kalifaat was het Ottomaanse, dat van 1517 tot 1924 heeft geduurd. In 1914 bestond het dus nog. Goethe had al zijn twijfels; Flaubert verachtte de integrale islam en pleitte voor de verpulvering van de Zwarte Steen - maar in de romantische verbeelding van de meeste ontwikkelde Europeanen zag de wereld der muzelmannen er honderd jaar geleden nog als een met warme dampen gevuld oriëntaals badhuis uit, waar het gerimpelde roze vlees vertoefde in een toestand van aangename bedwelming.

De vraag is nu: wie schrijft gedichten over het lot van de Koerden en de yezidi's en de christenen in Syrië en Irak, een gedicht tegen het kalifaat en zijn handlangers?

Ik in elk geval niet.

Zogenaamde 'geëngageerde' gedichten zijn affuiten van lucifershoutjes voor kanonnen van staal. Ik voel schaamte bij de gedachte aan zo'n gedicht. Het onderwerp is te groot, althans voor mij. Wij dichters kunnen geen mensen redden, Czeslaw, laat staan volkeren.

Dit is het Edmond Hustinx-essay, geschreven in opdracht van de 'Maastricht International Poetry Nights'. Benno Barnard las het eergisteren voor bij de opening van het festival, dat tot en met vanavond duurt.

Deel dit artikel