Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ze zien het als doktertje spelen

Home

Iris Pronk en Perdiep Ramesar

Wie is de pedoseksueel? Wat voor typen zijn er? En is er verschil tussen de ’pedopriester’ en de ’lekenpedo’, die als hulpverlener in een kindertehuis werkt?

De pedoseksueel die in de cel belandt, is meestal een blanke man van middelbare leeftijd. Maar veel pedoseksuelen belanden niet in de cel. Zij misbruiken kinderen ongestraft.

Bij de twee commissies die nu kindermisbruik onderzoeken – Deetman binnen de katholieke kerk, Samson binnen jeugdinrichtingen van de overheid – melden zich hoofdzakelijk slachtoffers. De daders zijn dood of hoogbejaard, of ze slagen er ook nu nog in om hun pedoseksuele leven of verleden voor hun omgeving te verbergen.

Wie waren of zijn deze mannen, die kinderen betastten, penetreerden of dwongen tot masturbatie of orale seks – eenmalig of jarenlang? Is er verschil tussen de zwemleraar of hulpverlener als dader en de katholieke geestelijke die kinderen verkracht? Tussen de ’lekenpedo’ en de ’pedopriester’?

Jaarlijks worden in Nederland enkele duizenden mannen – pedoseksuele daders zijn bijna allemaal mannen – gearresteerd op verdenking van kindermisbruik. Precieze cijfers heeft het ministerie van justitie niet. Uit verschillende wetenschappelijke rapporten van het ministerie – die in de afgelopen tien jaar verschenen – blijkt dat pedoseksuelen die verdacht worden van zwaar misbruik, gemiddeld 47 jaar zijn. Plegers van iets minder ernstige delicten zijn gemiddeld 39 jaar. In de loop van een criminele carrière neemt de ernst van het kindermisbruik dus toe.

Pedoseksuele plegers zijn overwegend autochtoon (69 procent). Ze zijn meestal bekenden van het slachtoffer: bijna de helft van de daders heeft met het kind een bloedband (vader, oom of broer). De andere helft bestaat uit buurmannen, leraren, andere omstanders. Slechts in zo’n vijf procent van de gevallen is de dader een vreemde (bij kinderen vanaf twaalf jaar is dat overigens iets meer: tien procent).

Justitierapporten werpen een vraag op, zonder die te beantwoorden: komt kindermisbruik meer voor in de ’lagere’ kringen dan onder de fortuinlijken in sociaal-economisch opzicht? Ja, zeggen sommigen: waarschijnlijk hangt kindermisbruik samen met werkloosheid, slechte gezondheid, verslaving, psychische stoornissen – met malaise die vaker laag opgeleiden treft.

Nee, zeggen anderen: kindermisbruik komt in alle kringen voor, maar de hoger gesitueerden slagen er beter in het te verbergen. Aanhanger van die laatste ’stroming’ is de Vlaamse victimologe Carine Hutsebaut. Deze slachtofferdeskundige is specialist op het gebied van kindermisbruik en was als gerechtsdeskundige betrokken bij meer dan vierduizend zaken in heel Europa. Ze schreef een treffend daderprofiel van de Belg Marc Dutroux (de crimineel die zes meisjes ontvoerde, verkrachtte en vier van hen vermoordde), geruime tijd voordat hij in 1996 werd gearresteerd. Ook verdiepte ze zich grondig in misbruik binnen de Belgische katholieke kerk.

Hutsebaut: „Mijn ervaring is dat pedoseks veel vaker voorkomt in de hogere sociale klasse. Alleen blijft het veel langer ongestraft. Een priester of een advocaat die kinderen misbruikt, dat gelooft niemand. Een werkeloze man die elke dag dronken in de kroeg zit? Ja, die wel.”

Op kindermisbruik in ’de betere kringen’ rust, denkt zij, nog een flink taboe, alle onderzoekscommissies ten spijt: „Veel mannen die nu hoge posities bekleden, moeten misbruikt zijn in hun jeugd. Dat verzwijgen ze. Dat is ook logisch: als een bekend politicus dat zou moeten opbiechten, ligt zijn wereld in duigen. Dan zien mensen hem niet meer als leider, maar als slachtoffer.”

Volgens de slachtofferdeskundige bestaat dé pedoseksueel niet, maar zijn er wel veel overeenkomsten tussen de verschillende typen daders. In haar boek ’Kinderen houden niet van krokodillen. Over pedoseksueel misbruik en kindermoord’ (onlangs heruitgegeven) onderscheidt Hutsebaut zes typen daders, waaronder de explosieve sadist en de egocentrische ’bullebak’ die verslaafd is aan porno en anderen dwangmatig wil domineren. En de ’grote kindervriend’, de medeorganisator van sinterklaasfeestjes en kinderuitstapjes naar zee, die eerst het vertrouwen wint van kinderen en hen daarna aanrandt.

De belangrijkste gemene deler? Hutsebaut: „Alle pedoseksuelen hebben een zeer, zeer onvolwassen profiel.” Dat geldt voor de laag opgeleide scoutingleider én de hoog opgeleide priester: „Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat 92 procent van de pedocriminele priesters immatuur is.”

Die onvolwassenheid geldt de emotionele ontwikkeling: die is bij de daders blijven steken op het niveau van een kind van vier tot zes jaar. „Ze zijn emotioneel zwaar gehandicapt. Ze zien het verschil niet tussen een kind en een volwassene. Ze beschouwen seks met kinderen als doktertje spelen, maar vergeten dat ze zelf in een volwassen lichaam zitten”, zegt Hutsebaut.

Ook Jan Hendriks wijst op de emotionele onvolwassenheid van mannen die zich aan kinderen vergrijpen. Hendriks is hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en een van dé experts op het gebied van kindermisbruik in Nederland. Hij onderzoekt en behandelt jeugdige en volwassen pedoseksuelen in forensisch kliniek De Waag in Den Haag.

„Pedoseksuelen zien de hele wereld als hun vijand”, zegt Hendriks. „Ze menen dat alleen kinderen die pure onschuld hebben die zij ook met zich meedragen. In de onschuld van kinderen ziet de pedoseksueel wederzijdse liefde. Hij denkt dat een kind dezelfde seksuele gevoelens heeft als hij. Daar gaat het vaak mis, want bij een kind gaat het om aandacht en niet om seksualiteit.”

Volgens Hendriks zijn pedoseksuelen ’vanaf hun jeugd kwetsbare typen’: „Omdat ze hun gevoelens niet kunnen uiten, zien ze zichzelf als anders dan de rest. Ze zijn nog weleens het slachtoffer van pesterij. Daardoor raken ze vaak geïsoleerd. Ze leven op zichzelf, omdat niemand ze begrijpt.”

Hendriks stelt dat pedoseksuelen vanwege hun maatschappelijk onaanvaardbare, seksuele gevoelens al vroeg in een isolement kunnen raken. Volgens Hutsebaut gebeurt het vaker andersom: kinderen groeien op in een omgeving zonder liefde of troost, waarin niet gepraat wordt en emoties moeten worden onderdrukt. Ze raken geïsoleerd en worden daardoor pedoseksueel.

„Het is een misverstand dat mannen pas op hun dertigste pedo worden”, zegt Hutsebaut. „Pedoseksualiteit ontstaat rond een jaar of zeven, acht. Dan beginnen ze al te fantaseren over het misbruik van andere kinderen. Die fantasieën ontstaan omdat ze zich machteloos voelen. Hiermee compenseren ze hun eigen frustratie, bijvoorbeeld over hun vader of moeder die hen mishandelt.”

De volwassen pedoseksueel was als kind ’een bonsaiboompje’, zegt Hutsebaut. Hij werd beknot in zijn ontwikkeling, mocht geen eigen wil hebben, werd zo klein mogelijk gehouden. Hij werd een gekwetst kind dat zich later, als volwassene, alleen prettig voelt bij kinderen.

Intussen weet de pedoseksueel eigenlijk wel dat seks met minderjarigen niet in orde is; met zijn mentale ontwikkeling is vaak niets mis. Maar dat besef drukt hij volgens Hutsebaut op verschillende manieren weg. „Hij geeft het kind de schuld; dat keek hem op een bepaalde manier aan, of het had een te kort kleedje aan.” Daarnaast bedreigt of manipuleert hij kinderen (’Niemand gelooft je’) of koopt hij ze om (’Als je zwijgt, krijg je privileges’).

Het kan goed zijn dat er in katholieke internaten – maar ook in niet-katholieke kostscholen – relatief veel ’bonsaiboompjes’ groeiden. Dat jongens zich – onder het strenge, kille regime – eerder ontwikkelen tot pedoseksuelen.

„Dat is het beeld dat ik erbij heb”, zegt Ruard Ganzevoort, hoogleraar praktische theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Priesters gaan met twaalf, dertien jaar naar het kleinseminarie. Ze zijn ver van huis, eenzaam, raken beschadigd. Ze leren niet hoe ze met intimiteit en seksualiteit moeten omgaan. Later worden zij voor dezelfde jongens verantwoordelijk.” En gaan ze meer of minder de fout in: ze verkrachten jongens stelselmatig of laten zich één keer gaan.

Ganzevoort heeft de afgelopen tijd veel nagedacht over het kindermisbruik in de katholieke kerk. Hij vermoedt dat pedoseksuelen drie soorten motieven kunnen hebben om kinderen aan te randen: ze zijn vooral uit op seks, op macht of op intimiteit. „Ik weet het niet, maar ik denk dat de derde groep daders, die intimiteit wil, onder priesters en broeders belangrijker is dan onder zwemleraren en leiders van de scouting. Omdat ze opgegroeid zijn in datzelfde systeem en er ook door zijn beschadigd. Ze zijn mogelijk zelf misbruikt. Het wordt van generatie op generatie doorgegeven.”

Deel dit artikel