Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Worstelen voor recht en vrijheid

Home

Colet van der Ven

Het is allemaal zo vanzelfsprekend, leven. Je ademt, je eet, je drinkt, je doet, je denkt. En als alles goed is, ga je daar járen mee door. Ziekte of tegenslag zet soms de zaken op hun kop; zo vanzelfsprekend is het allemaal niet. Maar de mens is veerkrachtig en hervindt zijn ritme. Toch zijn er situatie waar de veerkracht amper nog tegenop kan, een verlies of tekort dat heel het leven stempelt. Maar zelfs dan is er de drang om door te gaan. Met ademen, eten, drinken, doen en denken. Sander Terphuis (28), van zijn moeders winkeltje in Teheran via de Paralympics naar de rechtenstudie: ik wil veel, hoop op het hoogste.

'Dagelijks keek ik naar 'Onderweg naar morgen'. Daarin liep een jongen rond die Sander heette, een prachtige naam vond ik en dat werd mijn voornaam. Als achternaam had ik Ten Brink in mijn hoofd, dat klonk mooi. Ik heb het voorgesteld aan het ministerie van justitie maar ik mocht alleen een naam kiezen die niet in Nederland voorkwam. In Friesland had ik huizen gezien die op een terp waren gebouwd en zo werd het Terphuis. Ik heb ook nog even gedacht over 'Bospeek'. Het grappige is dat mensen zich bij de naam Terphuis een blonde boerenjongen voorstellen en verrast zijn wanneer ze een donkere vluchteling aantreffen.

Mijn moeder is analfabeet, heeft nooit op school gezeten, mijn vader heeft de koranschool gevolgd. Beiden komen van het Iraanse platteland. Ze hadden een boerenbedrijf met meer dan honderd schapen en koeien, maar toen na mijn vijf zussen mijn broer werd geboren vond mijn vader het tijd om te verhuizen naar de stad. Hij wilde dat zijn zoon zich een plaats in de maatschappij zou verwerven, carrière zou maken en daar was op het platteland weinig mogelijkheid voor. Hij heeft de boerderij verkocht, we zijn naar Teheran verhuisd en daar zijn mijn jongste zusje en ik geboren. Omdat mijn moeder rode hond kreeg toen ze zwanger was van mij, kwam ik visueel gehandicapt ter wereld.

Met mijn linkeroog zie ik één procent en met mijn rechteroog zes. Ik zie de tafel, de koffiekopjes, maar van jouw gezicht kan ik details niet onderscheiden. Ik kan er goed mee leven. Mijn handicap heeft me ook verrijkt. Het contact tussen visueel gehandicapten is fysieker, intiemer, warmer. Jullie zienden maken contact met de ogen, wij met de handen en andere zintuigen. De omgang tussen slechtzienden is ook gemoedelijker. Het maakt voor hen niet uit als ik tegen een paal knal of iets uit mijn handen laat vallen want dat doen we allemaal. Soms kan ik, na maanden contact met zienden, verlangen naar contact met blinden of slechtzienden. Gelukkig heb ik beide werelden. En ik heb het uiteindelijk ook aan mijn slechtziendheid te danken dat ik kon vluchten.

Mijn ouders hadden de eerste jaren helemaal niet door dat ik visueel gehandicapt was. Pas op de lagere school ontdekten de leerkrachten dat ik nauwelijks kon zien. Ik moest tekeningetjes maken en kon het niet. Iedere dag kwam ik huilend thuis. Aanvankelijk dachten de onderwijzers dat ik gewoon dom was, tot ze na zes maanden doorkregen dat ik een handicap had. Ik ben toen overgeplaatst naar een speciale school.

In Teheran was mijn vader naast ons huis een kruidenierswinkeltje begonnen waar van alles te koop was: ijzer, plastic, vleeswaren. Hij is in '86 overleden aan een longziekte. Te hard gewerkt, teveel gerookt. Mijn broer heeft toen de zaak overgenomen met hulp van mijn moeder en mij. De meisjes werden geacht binnenshuis te blijven. Ik had niet zo'n sterke band met mijn zussen en broer. Ik was toch een buitenbeentje. Wel met mijn moeder. Zij is me zeer lief. En erg bezorgd voor mij. Nu, na negen jaar, belt ze me nog steeds op. 'Slaap je wel genoeg, eet je wel genoeg?'.

Toen ik zo'n jaar of veertien was begon ik te lezen over het westen en ik ontdekte dat de mensen daar allerlei vrijheden hadden. Vrijheid van meningsuiting, vrijheid van betogen, vrijheid van godsdienst. In Iran wordt iedere vorm van vrijheid ingeperkt door strakke voorschriften en rigide regels. De media worden gecensureerd. Je kunt niet ongestraft iets roepen wat tegen het zere been van het regime is. Het is de reden waarom mensen elkaar niet vertrouwen, niet open met elkaar durven praten. Ik begon me af te vragen in wat voor cultuur ik leefde en in wat voor cultuur ik wilde leven. Ik ontwikkelde opvattingen die afweken van de in Iran gangbare meningen. Ik wilde niet het keurslijf van de islamitische traditie, dat voorschrijft hoe we ons moeten kleden en gedragen. Ik wilde vrij zijn. Kreeg rebelse neigingen. Ben een paar keer in elkaar geslagen door de politie omdat ik geen overhemd met lange mouwen maar een T-shirt aan had.

In die tijd ontstond de gedachte om te vluchten. Ik had van vrienden gehoord dat je, als je het land uit wilde, tienduizend gulden moest betalen aan mensensmokkelaars. Dat was voor mij niet haalbaar maar ik zag de sport als een alternatieve vluchtweg. Al vanaf mijn elfde worstelde ik. Worstelen is de nationale sport in Iran. Wanneer ik erin zou slagen in de selectie te komen, bestond er kans om afgevaardigd te worden naar het buitenland. Ik stortte me op de training en het lukte me om een plaats in de selectie te krijgen. Eerst op stedelijk, toen op provinciaal, vervolgens op landelijk niveau en uiteindelijk werd ik landskampioen in mijn gewichtsklasse.

Ik praatte met niemand over mijn verborgen agenda, het vluchtplan. In Iran weet je nooit of je buurman geen lid is van de geheime politie. En het project had de meeste kans van slagen als het waterdicht was, ik er met niemand over sprak. Ik vertelde zelfs mijn moeder niet van mijn voornemen. Ik was bang dat ze een emotioneel appèl op me zou doen om te blijven. Ik wist dat ik haar zou missen, maar ik koos voor de vrijheid.

In 1990 werden in Assen de Paralympics gehouden. Iran zou een worstelteam sturen en ik kwam voor dat team in aanmerking. Ik werd onderworpen aan een toetsing. In de wijk werd een buurtonderzoek naar mijn doen en laten gehouden maar daar kwam ik goed uit de bus. Aardige jongen. Niks mis mee. Ik voldeed blijkbaar aan de eisen die de Iraanse overheid stelt inzake de islamitische voorschriften. Uiteindelijk werd ik uitgezonden naar Nederland. Naar Assen. Ik had geen idee waar ik terecht zou komen, ik wist alleen dat ik niet meer zou terugkeren. We maakten een overstap in Zürich en mijn mond viel open. Zoveel kleuren, zoveel mooie, zomers geklede meisjes. Op 10 juli 1990 kwamen we aan in Assen. Vanaf de eerste dag van het toernooi was ik gericht op vluchten. Het was een geluk bij een ongeluk dat ik al snel geblesseerd raakte waardoor ik niet meer aan de wedstrijden hoefde deel te nemen. Ik probeerde me zo goed mogelijk te oriënteren op de ligging van, en de wegen uit het Olympisch dorp. Speciaal voor de sporters waren er bussen om hen te vervoeren. Op 24 juli, toen iedereen een middagdutje deed, ben ik naar een van die bussen gegaan met mijn sporterskaart om mijn hals, en heb ik de chauffeur gevraagd me naar het station te brengen. Daar heb ik een enkele reis Amsterdam gekocht. Het was de enige Nederlandse stad die ik van naam kende. Op het Centraal Station kostte het me, met mijn slechtziendheid, drie kwartier om de uitgang te vinden. Ik kon niets lezen, was bang en in paniek. Uiteindelijk belandde ik op de taxistandplaats en heb ik een taxi naar het politiebureau genomen. Daar registreerden ze me als vluchteling.

Ik mocht blijven. Ze vonden een onderduikadres voor me in Amsterdam, een kamertje van drie bij vier waar ik zes dagen in angst en onzekerheid gezeten heb. Geslapen, gegeten, (vluchtelingenwerk bracht maaltijden) en naar het plafond gestaard, vurig hopend dat de Iraanse veiligheidsmensen me niet zouden vinden. Mijn vluchtverhaal was zelfs op CNN. Na mijn verdwijning zijn de Iraanse autoriteiten naar de winkel van mijn moeder en mijn broer gegaan. Ze hebben beslag gelegd op goederen en geprobeerd hen via economische chantage onder druk te zetten om zo mijn terugkeer te bewerkstelligen. Uiteindelijk is dat niet gelukt. De eerste reactie van mijn moeder op mijn vlucht was er een van schrik en verontwaardiging. Inmiddels heeft ze zich met de situatie verzoend omdat ze merkt dat het goed met me gaat.

Toen de Olympische ploeg terugkeerde naar Iran, kwam iemand van de vluchtelingenpolitie me halen en werd ik naar de vreemdelingenpolitie gebracht. De ontvangst daar was uitermate onvriendelijk. Ik kreeg een enkeltje Leeuwarden met de mededeling dat ik me daar bij het asielzoekerscentrum moest melden en dat was het. Ik moest zelf maar uitvinden hoe ik daar kwam, en dat terwijl ik niet bekend was met de Nederlandse steden en geen borden kon lezen. Ik ben er gekomen, al was het een barre tocht. Het asielzoekerscentrum (AZC) was een donker, somber gebouw, niet geschikt voor visueel gehandicapten, maar belangrijker: ik was nog steeds bang. De sportploeg had een aantal veiligheidsmensen achtergelaten, dus er bestond gevaar dat ze me zouden vinden. Ik ben naar de directie van het AZC gegaan en zij hebben op mijn verzoek een ander adres voor me geregeld. Een opvanghuis in Bergum dat bewoond werd door allerlei types. Weggelopen kinderen, gescheiden vrouwen, alcoholisten. Daar kreeg ik een kamer.

Na een paar niet zo gelukkige maanden waarin ik tamelijk eenzaam en afgesloten van de buitenwereld leefde, heb ik aangegeven dat ik de taal wilde leren en een studie wilde volgen. Nu waren er in dat dorp weinig mogelijkheden voor visueel gehandicapten maar uiteindelijk vonden ze voor mij een revalidatiecentrum waar ik allerlei praktische dingen kon leren.

Het leven werd een stuk prettiger, niet in de laatste plaats door de ontmoeting met Sjoukje. Zij liep stage in het opvanghuis. Ik werd op slag verliefd, maar de eerste zoen kwam van haar. Daar was ik te verlegen voor. Ze is een blonde Friezin met blauwe ogen, intelligent, vrolijk, charmant en van anderen hoor ik dat ze knap is , wat wil je nog meer.

Vanuit Bergum ben ik naar het landelijke revalidatiecentrum in Apeldoorn gegaan en ik heb Sjoukje overgehaald om met mij in deze flat te gaan samenwonen. Dat is nu zeven jaar geleden. Mijn familie denkt dat we getrouwd zijn want met een begrip als samenwonen hoef je in Iran niet aan te komen. In het revalidatiecentrum in Apeldoorn heb ik van alles geleerd, onder andere de taal, en na een jaar ben ik een beroepsopleiding voor administratief medewerker gaan volgen. In '95 kreeg ik de Nederlandse nationaliteit en in dat jaar heb ik ook een Nederlandse naam aangenomen. Om praktische redenen, jij breekt je tong over mijn naam: Ahmad Qeuleich-Khany, maar meer nog om ideologische redenen. Ik wilde me nog Nederlandser voelen.

Al vanaf mijn veertiende was het mijn droom om rechten te studeren. Dat had op zich ook wel in Iran gekund maar was toch ingewikkeld geweest omdat ik het in allerlei opzichten niet eens ben met het Iraanse rechtsstelsel. Na die administratieve opleiding besloot ik om hier mijn kansen te beproeven. Mijn middelbare schoolopleiding werd ingeschaald op 4 havo. Uren en uren heb ik aan deze tafel zitten blokken maar niet voor niks. Binnen een jaar heb ik het staatexamen vwo gehaald. Ik werd toegelaten tot de universiteit. Nu zit ik in mijn vierde jaar rechten en daarnaast studeer ik filosofie in deeltijd.

Na mijn afstuderen wil ik de raio-opleiding (rechterlijk ambtenaar in opleiding) volgen. Ik wil rechter worden of in de politiek, dat lijkt me ook wel wat. Via wetsvoorstellen meedenken over een betere inrichting van de samenleving. Of bij een internationale organisatie werken als de UNHCR, de Verenigde Naties of Unicef. Zinnige organisaties.

Kinderen in arme landen en vluchtelingen voor wie een gegronde vrees voor vervolging bestaat, moeten de kans krijgen om ergens in de wereld een veilig bestaan op te bouwen. Kortom, plannen genoeg. Ik doe veel, wil veel, hoop op het hoogste. Wat dat hoogste is weet ik niet. De tijd zal het uitwijzen. Ik heb geen seconde spijt gehad van mijn beslissing. Ik denk en droom in het Nederlands, voel me Nederlander. Ik heb me willens en wetens begeven in deze cultuur en hoop er tot mijn dood te blijven. Hier ben ik gelukkig. En ik doe dit jaar weer mee met de Paralympics. Als Nederlander.

Deel dit artikel