Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wonderboy in de wetenschap

Home

Joep Engels

Fysicus Robbert Dijkgraaf gaat volgend jaar de KNAW leiden. In die hoedanigheid wil hij de wetenschappers in Nederland een forum bieden, waar alfa én bèta hun stem kunnen laten klinken.

Hij weet het nog goed, het was op een vrijdag, 1989. Hij was met zijn vrouw aangekomen in Princeton waar hij een aanstelling had gekregen op het vooraanstaande instituut aldaar. Ze waren net getrouwd en dachten zich rustig in hun nieuwe vaderland te gaan settelen.

Maar hij kreeg nog niet de kans zijn koffers uit te pakken. Aanstaande collega’s trokken aan zijn jas. Of hij het al had gehoord, er waren spectaculaire ontwikkelingen op zijn vakgebied, de snaartheorie. Hij moest meteen aan de bak.

Die hectiek lijkt Robbert Dijkgraaf achter zich te laten. Vanaf 19 mei is hij de nieuwe president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), een stevige bestuursfunctie die weinig tijd en ruimte lijkt te laten voor de abstracte fysica van de snaren. Maar dat ziet Dijkgraaf anders. „Het is maar voor drie jaar, en het is maar voor drie dagen in de week. Dan blijft er voldoende tijd over om bijvoorbeeld ’s ochtends op internet alle nieuwe artikelen op mijn vakgebied te bekijken. Dat moet te doen zijn, zeker als ik zie hoe ik nu mijn leven inricht. Ik ben altijd een multi-tasker geweest.”

Wat heet. Dijkgraaf is behalve hoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam, lid van het Innovatieplatform, columnist van NRC Handelsblad, stuwende kracht van de bèta-canon, panellid in de tv-wetenschapsquiz ’Hoe?Zo!’ en initiator van proefjes.nl, een website met alledaagse proefje voor jonge kinderen. Allemaal bèta-activiteiten. Krijgt de KNAW – die volgend jaar haar 200-jarig bestaan viert – dan ook weer eens een echte bèta-president?

„Nee hoor”, zegt hij in zijn riante vertrek in het Maagdenhuis. „De KNAW kent twee afdelingen, één voor letterkunde en één voor natuurkunde, en het is de taak bij uitstek van de president om een brug tussen die twee te slaan.” Maar, voegt hij er diplomatiek aan toe: „Als je een brug bouwt, moet je ergens beginnen. Dan is het logisch dat ik aan de bèta-kant begin, zoals de letterkundige Frits van Oostrom, de huidige president, aan de alfa-kant is begonnen. En ter geruststelling: tijdens de bouw is je oog meer op de overkant gericht.”

Hij is een wonderboy. Zijn opleiding is een aaneenrijging van cum laudes, zijn wetenschappelijke loopbaan is geplaveid met prijzen en eerbetonen. Toch verliep zijn carrière minder glad dan je op het eerste oog zou verwachten. „Ik was een laatbloeier. Pas op het eind van mijn middelbare school raakte ik in de ban van de natuurkunde. Maar toen verslond ik ook de nieuwste boeken over de relativiteitstheorie. Het meeste ging ver boven mijn pet, maar dan probeerde ik toch de baan van een planeet rond een zwart gat te bepalen. Kwam ik op de universiteit, was mijn eerste opdracht: bereken de baan van een planeet rond de zon. Dat ik dit al op een hoger niveau had gedaan, deed niet ter zake.”

Hij raakt gaandeweg zijn drive kwijt en gaat zich vervelen. Maakt nog wel zijn kandidaats af, maar meldt zich dan aan bij de Rietveld Academie, voor de opleiding vrij schilderen. Met succes. „Zo vreemd is dat niet. Fysici denken heel visueel, werken misschien minder met de rationele linkerhelft van de hersenen dan je zou denken. Wij zijn gewend om figuren in ons hoofd te draaien en van verschillende kanten te bezien.”

Maar na een jaar lonkt de natuurkunde. Hij keert terug op het nest, doet in één zomer alle openstaande tentamens en stort zich op het onderzoek. „Iedereen zegt dat ik een omweg heb bewandeld, maar ik ervaar het eerder als een shortcut. Toen ik weer aan de natuurkunde begon, was ik fris en gemotiveerd. Ik kan iedereen zo’n sabbatical aanraden.”

Daarna gaat het gezwind. „Ik had het geluk in een groep geweldige promovendi terecht te komen die allemaal lak hadden aan reputaties. Dat was een verademing. We stortten ons iedere keer op de nieuwste publicaties en dachten daar zelf over na. Niet meer dat volgzame waar ik eerder op was afgeknapt. We ontwikkelden zo onze eigen stijl, onafhankelijk van onze promotor, de Nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft. Hij is natuurlijk een gouden standaard, die kun je niet kopiëren. En toch weer wel: ook ’t Hooft is origineel, eigengereid.”

Ook in Princeton, het Mekka van de theoretische natuurkunde, gaat het Dijkgraaf voor de wind. Na zijn driejarige aanstelling krijgt hij er een riante aanbieding. Maar het loopt anders. Het thuisland belt: of hij hoogleraar wil worden in Amsterdam. „Het was wrang dat nu net ik die vraag kreeg! De meeste Nederlanders daar zagen hun verblijf in de VS als tijdelijk, maar mijn vrouw en ik hadden echt het gevoel dat we de trossen los hadden gegooid. Dat we daar definitief zaten. Ik heb het toch gedaan; die baan was ook een grote uitdaging.”

De terugkeer in Nederland is een ruwe landing. Van een wereld van overdaad met alleen al veertig, vijftig snaarfysici en een riant budget belandt hij in een Amsterdamse werkkamer; alleen en aan een instituut dat vreest voor zijn voortbestaan. Hij bouwt er een groep van wereldfaam. De ervaringen vormen zijn ideeën over wetenschapsbeleid.

„De wetenschap in Nederland staat onder druk. De ontwikkelingen gaan heel snel en de concurrentie zit niet stil. Het is niet alleen het opkomende China. De universiteit van Harvard verdubbelt in omvang, de Zweedse onderwijsminister heeft een half miljard te besteden voor de infrastructuur, Ierland geeft een miljard extra uit. En wat doen wij? Wij hevelen geld over van het ene naar het andere potje. Dat doe ik in de keuken ook wel eens, maar daardoor zet ik niet meer calorieën op tafel. Iedereen is het erover eens dat we het met de lerarensalarissen hebben laten liggen. Dan is het toch triest dat we het benodigde miljard uit de onderwijsbegroting gaan halen, en niet kunnen bedenken dat er geld bij moet.”

„Intussen is de politiek met de heel korte termijn bezig. Ik begrijp wel dat het in de huidige samenleving moeilijk is om onderwijs en wetenschap prioriteit te geven, maar politiek is ook leiderschap.”

„Twintig jaar geleden heeft Nederland fors geïnvesteerd in het digitale netwerk. Daar plukken we nu de vruchten van; Amsterdam is een internationaal knooppunt waar veel internetbedrijven hun hoofdkantoor hebben gevestigd. Wetenschap is de kurk waar onze economie op drijft maar dat vereist wel een ambitieuze overheid die ver vooruit durft te kijken.”

Maar Dijkgraaf weet ook wel: de wetenschap verkeert niet meer in de positie waarin nut en noodzaak vanzelfsprekend zijn. „We kunnen niet meer rustig achteroverleunen. In deze tijd, met haar kakofonie van meningen, zul je je positie in het publieke debat moeten verdienen. Sommige wetenschappers hebben een heel interessante mening, maar zeggen dat ze niet meer aan het debat beginnen. Dat vind ik jammer.”

„Daarom zie ik het als een voorname taak de adviesfunctie van de KNAW te versterken. Wetenschap is behoorlijk verkaveld in Nederland. Het is bijvoorbeeld erg lastig om een gelegenheid te vinden waarin ik als fysicus in gesprek kan komen met een jurist of een psycholoog. Ik wil dat de KNAW nog meer een forum wordt waarin de wetenschap haar mening kan vormen en haar stem kan laten klinken.”

„We moeten de maatschappij helpen om over de grote problemen na te denken. Om die reden zijn de academies ooit opgericht. Maar we moeten daarbij wel trouw blijven aan onze waarden en inzichten. Wetenschap staat wat dat betreft met de rug tegen de muur. Er is niet iets dat nog fundamenteler is. Dus: hou het wetenschappelijk, maar wees je bewust van de vertaalslag.”

„En durf ook een beetje dwars te zijn. Kijk bijvoorbeeld naar het klimaatdebat: dat is soms over the top, mensen gelóven er echt in. Dan moeten wij de boze fee spelen en zeggen: sorry, maar zo werkt het ook weer niet.”

„Met de geweldige groei van de universiteiten in de jaren zeventig is de wetenschap in Nederland sterk naar binnen gekeerd. Men was zo groot, dat men dacht alles wel intern af te kunnen. Die tijd is voorbij. De wetenschap moet laten zien waar ze goed voor is.”

Deel dit artikel