Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wij dragen onze doden door de nacht

Home

door Peter Henk Steenhuis

Ze waren meer dan vijfendertig jaar bevriend. Toen kreeg Bart van Mierop te horen dat hij een ongeneeslijke hersentumor had. Tijdens de laatste maanden van zijn leven las zijn vriend, de schilder Dick Stoffers, hem voor uit de ’Odyssee’ van Homerus. En na zijn dood begon Stoffers schilderijen te maken, over zijn vriend, over hun verleden, over zijn aangekondigde dood, over zijn sterven, over het verlies. Telkens opnieuw schilderijen over zijn vriend.

Die schilderijen hangen nu in rijen aan de wanden van zijn atelier in Ankeveen. Kleurrijke, vierkante werken zijn het, met vlakken, golven, vogels, en vaak een persoon op de rug gezien.

Stoffers: „Ik verbeeldde me, nee, ik hoopte dat ik die schilderijen niet hoefde toe te lichten. Dat bleek een illusie. Men begreep niet wat ik verbeeldde.”

„Toen ben ik er gedichten bij gaan maken”, vult Mariët Mesdag aan. „Ik wilde Dick bereiken, want zijn schilderijen en zijn verdriet om zijn vriend waren een gesloten geheel geworden.”

Mesdag, bevriend met Stoffers, is psychotherapeut van beroep. Niet verwonderlijk dat zij deze schilderijen zag als fasen in een rouwproces. „In Nederland hoor je vaak dat kunst er niet is om emoties uit te drukken, maar om emoties op te roepen. In Griekenland heeft millennialang een kunstvorm bestaan waarin zowel emoties worden uitgedrukt als opgeroepen: de rouwklacht.

Hoewel deze traditie de laatste jaren snel aan het verdwijnen is, heeft Mesdag verschillende keren meegemaakt dat een kring vrouwen rondom een sterfbed dagenlang klaagliederen zingt, die half geïmproviseerd zijn, maar een vast stramien volgen.

Mesdag: „Op een cadans draagt een voorzanger het lied voor. Zegt iets als: ’Jij was mooi als een cipres. Ons huis schitterde in de straling van jouw takken’.”

„Zulke oerthema’s worden afgewisseld met kenmerkende strofen over de gestorvene, waarin ook de negatieve kanten worden bezongen. Nu is het niet de voorgangster die zingt, maar een van de andere aanwezigen. En het kan over alles gaan wat ze op haar lever heeft: ’Jij was elke avond dronken en sloeg je vrouw.’

De vrouwen lamenteren tot de kist in de aarde verdwenen is. Drie dagen na de begrafenis herhalen ze de rouwklacht.

Na negen dagen is er een herdenkingsdienst, na veertig dagen weer, en na drie maanden opnieuw, na een half jaar, na een jaar. Rouw is daar een sociaal gebeuren. Dat kennen wij nauwelijks meer. Wij hebben weinig vormen voor ons verdriet, voelen ons er verlegen mee. Het gevaar daarvan is dat de achterblijvers vereenzamen.”

Maar wat moeten we doen? Traditionele kerkdiensten hebben voor velen hun geloofwaardigheid verloren, allerlei nieuwe rituelen zijn even snel bedacht als vergeten. En het past ons ook niet om aan het sterfbed een Griekse klaagzang aan te heffen.

Mesdag: „Bij die Griekse rouwrituelen valt vooral de nabijheid op. Vrienden en buren gaan elke dag bij de rouwenden op bezoek, met eten, met troost.”

Stoffers knikt: „Je moet dichtbij iemand blijven. Daar is moed voor nodig, we hebben aanvankelijk allemaal de neiging af te haken. Toen ik ging voorlezen uit de Odyssee realiseerde ik me dat ik het goed moest doen, niet moest gaan zitten janken.”

Hoe voorkom je dat? Stoffers: „Ik schreeuw altijd: je moet het vorm geven. Het is niet zo dat verdriet pas inhoud krijgt als je het vormgeeft, het is wel zo dat de inhoud duidelijker wordt.”

Mesdag: „Als je het vormgeeft, daal je dieper in het verdriet af. Er is een laag in ons bewustzijn, misschien kun je dat het collectieve bewustzijn noemen, waar beelden vandaan komen die voor iedereen geldig zijn. Bij de Griekse klaagzangen zijn het de oerbeelden die in het gezang naar voren komen: vogels die niet meer zingen, bomen die omvallen, oeroude heidense beelden naast christelijke symboliek.”

Al schilderend merkte Dick Stoffers iets vergelijkbaars. „Er kwamen heel sterke beelden in mij op. Die waren van mij – dacht ik. Later bleken deze beelden Tibetaanse gebedsvlaggen te zijn, die driehonderd jaar geleden ook al bij rouw gebruikt werden.”

Die oerbeelden vermengden zich met specifieke beelden, bijvoorbeeld de ruitvormige figuren. „Wij hebben in onze jeugdjaren ongelooflijk veel gevliegerd”, vervolgt Stoffers. Hij wijst op een schilderij met een man, die op de rug gezien een manshoge vlieger voor zich houdt. Boven hem hangt een reusachtige vogel. „Op een dag, ergens in het broedseizoen, waren we aan het wandelen in een polder ten noorden van Amsterdam. We hadden een roeiboot gehuurd, na een tijdje kwamen we op een grasveld waar het barstte van de meeuwen. Stort er op een gegeven moment een meeuw uit de lucht. Ik zag die meeuw, ik dacht: nu bijt hij in zijn kop. Het gebeurde niet, de meeuw scheerde vlak boven Bart langs.”

„Dat zijn van die omineuze gebeurtenissen”, zegt Mesdag, „die later pas betekenis krijgen. De neerduikende meeuw is een beeld geworden van de vooraankondiging van de dood. Zo is het ook in het gedicht ’Omen’ komen te staan.”

Zij pakt het boek op en begint voor te lezen:

Toen was daar plotseling

Een grote vogel boven jou

Die roerloos stond te bidden,

Een jager met een feilloos oog

Azend op prooi – ik zie het nog

En hoe jij nietsvermoedend

boog.

Stoffers: „Mariët ontdekte een verhaal in mijn schilderijen, zij heeft de afzonderlijke werken kunnen binden.”

Mesdag: „Er zijn schilderijen die het moment verbeelden vlak na het overlijden. Daaruit spreekt een wanhopig protest. Ik heb daarbij een gedicht gemaakt dat eindigt met de woorden: ’Zeg dat het nooit gebeurd is/ Een dwaalweg, niet begaan/ Kom terug!’. Maar er is ook een schilderij waaruit veel meer acceptatie spreekt, daarin lijkt de dood bijna een geboorte geworden. Dat riep bij mij de woorden op: ’De aarde heeft je uitgedreven/ zoals haar vruchten en haar rijpe graan’. Gaandeweg ontstond het idee er een boek van te maken, een soort kalender, als een spiegel van de ziel.”

Stoffers laat een boek zien. Het is het getijdenboek ’Très Riches Heures du Duc de Berry’, dat in de veertiende eeuw door de gebroeders Van Limburg rijk gedecoreerd is. „In de Middeleeuwen was dit gebedenboek er voor de gelovige, die op vaste uren van de dag zijn gebeden diende op te zeggen. Misschien, zo dachten we, kan ons boek een getijdenboek worden voor rouwenden.”

Om dit idee uit te werken, verdwenen sommige schilderijen uit beeld en kwamen er nieuwe bij. Die latere werken staan nu vooral aan het begin van het boek. Ze zijn illustratiever dan de oudere. Het duurde zo’n vijf jaar voor ’De Leegte heeft jouw vorm’ af was. Uiteindelijk heeft het boek niet precies de vorm van een kalender gekregen, maar het uitgangspunt van een rouwproces met een begin en een eind is er nog goed in terug te vinden.

Stoffers: „Toen het boek net gedrukt was, ik het voor het eerst in mijn handen had, voelde het als een complete eenheid, alsof de schilderijen niet meer van mij waren. Niemand vraagt mij ook meer: wat betekent dat schilderij, waarom gebruikte je die vorm? Het boek blijkt ook al te functioneren: mijn vriendin werkt in een hospice. Zittend op de rand van het bed heeft zij midden in de nacht een van de gedichten voorgelezen.”

Mesdag: „We hebben nooit van te voren bedacht dat ons werk zo zou kunnen functioneren. Dit project is begonnen als een interactief rouwproces, waarin wij een vorm hebben proberen te vinden om elkaar te bereiken. Maar omdat het zo lang heeft geduurd, en er ondertussen in onze levens ook anderen stierven, gaat het boek lang niet meer alleen over de dood van Bart. Onze zelfverzonnen sociale structuur bleek bij anderen ook te werken. Als je rouw vormgeeft, graaf je een kanaal waar het verdriet doorheen kan.”

Deel dit artikel