Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wie niet voelen wil blijft zitten

Home

Malika el Ayadi

Gevangenisdirecteur Jan Koolen heeft genoeg van criminele jongeren die zich niet laten behandelen. Dus liet hij een test ontwerpen die uitwijst welke crimineeltjes vatbaar zijn voor therapie, en welke zich hoe dan ook weer op het slechte pad zullen begeven. In die laatste groep hoeft niet langer geïnvesteerd te worden, vindt Koolen. Die jongeren moeten gewoon achter slot en grendel, desnoods voor járen.

Brian is klein van stuk en nog geen zeventien jaar. Hij denkt dat iedereen het op hem heeft gemunt. Hij is nors en lacht soms als hij vertelt over de student die hij op straat van zijn portemonnee beroofde. Hij zit soms uren alleen in zijn kamer in jeugdbehandelinrichting De Hunnerberg in Nijmegen. Volgens de afdelingspsycholoog hoort hij stemmen en geven die stemmen hem opdrachten. Soms om anderen pijn te doen, soms zichzelf.

Brian is de enige niet. Als de psycholoog aan het einde van zijn dag in zijn agenda kijkt, telt hij meer jongens als Brian. Ze zijn soms veroordeeld voor moord, zeden- of geweldsdelicten, vaak voor inbraken en afpersing. Ze kwamen binnen met ernstige psychiatrische klachten en verlieten de inrichting zonder dat die stoornissen verminderden. Vaak ondanks de jarenlange intensieve behandeling.

Behandel-directeur Jan Koolen (47) ziet dat met lede ogen aan. Koolen: ,,We proberen het al zes jaar, maar een aantal jongeren is ondanks de jonge leeftijd niet meer te behandelen.'' De directeur beseft dat hij de missie die op een groot bord voor het complex staat niet kan waarmaken. De Hunnerberg, zo staat er te lezen, 'stelt zich tot doel om de kans op recidive bij de haar toevertrouwde jongeren, tot een minimum terug te brengen. De behandeling van de jongeren richt zich op de reïntegratie in de maatschappij binnen aanvaardbare risico's.' Met name die verantwoorde terugkeer in de samenleving ziet hij als een probleem.

De jeugdinrichting, gevestigd in een groot gebouw met een beveiligde entree, staat aan een weg met grote herenhuizen in de bebouwde kom van Nijmegen. Het pand staat op de plek waar ooit een Romeinse legervesting lag. Nu staat er rondom het terrein een met camera's beveiligd hekwerk van vijf meter hoog. Ontvluchten uit de leefgroepen is nauwelijks mogelijk. De ramen zijn nauwelijks veertien centimeter breed. Te smal voor zelfs de kleinste schedel in de Hunnerberg.

Binnen volgen de zestig jongens, tussen twaalf en achttien jaar, overdag cursussen metaal- of houtbewerking. 's Avonds leggen ze een kaartje, blazen of tokkelen wat op de instrumenten van de jeugdgevangenis of doden ze de tijd met tekenen en verven. Om tien uur 's avonds worden de jongens weer opgesloten in hun cel en gaan de lichten uit. Dan heerst er stilte in de lange gangen en zijn alle zestig verzonken in hun eigen gedachten.

Zo op het eerste gezicht is er niets aan de hand met de jongens, zegt Koolen. ,,Als je ze zo ziet, zijn ze niet te onderscheiden van hun leeftijdsgenootjes buiten de gevangenismuren. Pas als je met ze praat of bij de minste of geringste tegenslag merk je het. Dan zie je hun vijandigheid, gericht op iedereen. Ze blazen zich als het ware op en achter hun woorden zit die wrok die vaak ten grondslag lag aan hun criminele daad.''

De directeur maakte het gisteravond nog mee. Sinds de nieuwe Wet op de jeugdhulpverlening moeten de bewaarders de kinderen kunnen horen als ze worden opgesloten in een cel. ,,Ik zat op mijn kamer, met de deur op een kier. Ik hoorde een jongen volledig uit zijn dak gaan. Hij trapte tegen zijn deur en smeet met alles wat hij voor handen kreeg. Na een nachtje isoleercel vroeg ik hem vanochtend wat er aan de hand was. Hij vertelde dat hij voelde dat de groepsleiding het op hem gemunt had. Zijn insluiting ervoer hij als een vernedering. Hij wilde de leiding persoonlijk te lijf. Van dit soort incidenten ken ik er honderden. De jongens zien dingen die er niet zijn. De scheldwoorden 'kankerhoer' en 'teringlijer' vliegen om je oren.''

Ook na jarenlange behandeling ziet Koolen die wrok, die soms ontaardt in explosief gedrag, niet afnemen. Hij liet daarom een onderzoek doen door twee wetenschappers van de Katholieke Universiteit Nijmegen, J. Oud en J. Spee. Zij bevestigden wat Koolen al vermoedde: dertig procent van de minderjarige criminelen is niet te helpen en daarin hoeft niet langer geïnvesteerd te worden. Deze groep moet als het zware (levens-)delicten betreft, desnoods levenslang worden opgesloten, alleen maar om de samenleving te beschermen.

Koolen wilde met de hulp van de wetenschappers eerst eens beter inzicht krijgen in wat de psychiatrische wereld 'anti-sociale persoonlijkheidsstoornissen' noemt. Oud en Spee brachten als het ware de geestelijke gezondheid van de jeugdige gedetineerden in de Hunnerberg in kaart. Daarnaast ontwikkelden zij een methode om de kans op recidive (herhaling van crimineel gedrag) bij terugkeer in de samenleving te berekenen.

Brian en zijn mede-gedetineerden zijn zes weken na binnenkomst en vervolgens ieder half jaar getest. Ook na ontslag zoeken medewerkers van de Hunnerberg in het vervolg de jongens op. Ze houden twee keer per jaar bij of de uit de inrichting ontslagen jongens werken, waar ze wonen en of ze weer in aanraking zijn gekomen met justitie.

Zo'n dertig procent verlaat ondanks langdurige therapeutische sessies de inrichting even gestoord als toen ze binnenkwamen, blijkt uit het onderzoek van Oud en Spee. Ook pakt de helft het criminele leven op. En nu Koolen dat zwart op wit heeft, wil hij daar consequenties aan verbinden.

Oud: ,,Vroeger behoorde het niet tot de verantwoordelijkheid van een jeugdinrichting wat de jongens ná hun detentietijd deden. Dat is nu anders. Nu moeten de inrichtingen recidivecijfers tonen. Het ministerie van justitie vindt dat van belang.''

Bindingsangsten, psychopathologie, sadistische neigingen, een weinig ontwikkeld geweten, egocentrisme. De onderzoekers van de katholieke universiteit turfden de Hunnerberg-jongens veelvuldig in deze categorieën. 'Anti- sociale persoonlijkheidsstoornissen' die de psychiatrie kopzorgen opleveren. Het ontbreekt gedragswetenschappers aan know-how over deze stoornissen, die vooral veel voorkomen bij delinquenten die gewelddadige delicten plegen. Te lang heeft de psychiatrie zich gericht op psychoses. En juist die stoornissen komen weinig voor in de gevangenis, maar meer in psychiatrische inrichtingen, die niets met het strafcircuit van doen hebben.

Het aantrekken van jeugdpsychiaters die juist deze tak in de gedragswetenschap beoefenen stond daarom lang op Koolen zijn verlanglijstje. ,,Ik heb stad en land afgebeld, maar ze zijn er niet. Werken met delinquenten is niet populair onder psychiaters. Maar als jij er één kent moet je het zeggen.''

Kraaide er vroeger geen haan naar de recidivecijfers van de justitiële jeugdinrichtingen, nu zijn ze gedwongen hun scores uit te leggen. De behandelings-directeur wil daarom aantonen dat ondanks de vele en dure investeringen het vooral de jóngeren zijn die niet willen. Onderzoeker Spee, die behalve bij de universiteit in dienst is bij de Hunnerberg, zet daar wel zijn vraagtekens bij. ,,We leggen het onvermogen nu bij de cliënt neer, maar dat kunnen we ook bij ons zelf neerleggen.''

Koolen beaamt dat en vindt ook wel dat jongeren een tweede kans verdienen om terug te keren in de samenleving. Maar zo simpel ligt de werkelijkheid niet, vindt hij. ,,Er zíjn jongens die van de ene inrichting naar de andere trekken. En nergens lukt het om die jongens op het goede spoor te krijgen. Dat moet eens afgelopen zijn. We zijn toch gek dat we koste wat kost aan een dood paard blijven trekken.''

Op jaarbasis gaat het in Nijmegen alleen al gauw om twintig jongens die volgens de Hunnerberg blijvend gevaarlijk zijn. In Nederland staan vijftien jeugdinrichtingen. Volgens een prognose van het ministerie van justitie zullen er in 2006 3000 cellen voor jeugdigen nodig zijn. Dat is twee keer zoveel als nu. Dat betekent de bouw van nog eens vijftien gesloten inrichtingen in vier jaar tijd.

Van de jongeren die in een behandelinrichting zaten, recidiveert landelijk 47 procent binnen twee jaar, op de Hunnerberg is dat dertig procent. Een snelle rekensom leert dat het om zo'n zevenhonderdvijftig onbehandelbare delinquente jongeren gaat in heel Nederland.

Koolen: ,,Er is nu een jongen bij ons en die vertoont nog hetzelfde gestoorde gedrag als op de dag van binnenkomst. Hij zit aan het eind van zijn 'maatregel', dus staat hij binnenkort op straat. Het klinkt merkwaardig, maar ik hoop echt dat hij snel iets uithaalt en de politie hem snel oppakt. Hij is inmiddels meerderjarig en de rechter kan hem nu veroordelen tot tbs. Ik weet zeker dat de samenleving dan lang van hem verlost is.''

De directeur wil nu weten waar hij aan toe is als hij de gedragsgestoorde jongens niet meer behandelt. Koolen: ,,Als we een jongen niet behandelen en hij steekt iemand neer, wil ik tegen de rechter kunnen zeggen dat ik alles heb geprobeerd. Het onderzoek dat ik nu laat uitvoeren door de universiteit dient daarvoor als bewijs. Al na drie maanden weten we door de testen dat sommigen jongens die hoog scoren op psychiatrische onderdelen van de lijst, zeker zullen recidiveren. We besparen ons dan de moeite om in die jongen te investeren. Als iemand het beter weet, moet hij het zeggen.''

Het niet meer investeren in deze jongens is dan ook geen trucje, zegt Koolen, om zijn recidivecijfer omlaag te krijgen. ,,Recidiveren doen ze toch wel, met of zonder behandeling. Dus in mijn cijfers maakt het niets uit.'' Bijkomend voordeel is wel dat de jeugdwerkers meer tijd overhouden en die kunnen investeren in jongens van wie de Hunnerberg denkt dat zij nog wel te veranderen zijn.

Koolen verwacht dat de politiek zich de komende jaren veelvuldig laat horen over onorthodoxe maatregelen om jeugdcriminaliteit aan te pakken. Roepen politici nu nog vooral dat jongeren hard aangepakt en opgesloten dienen te zijn, de volgende stap is discussie over levenslang verblijf voor jeugdige tbs'ers, voorspelt hij. Zelfs voor kinderen van onder de twaalf jaar. ,,Stel dat we in Nederland een James Bulgar-affaire krijgen, waarin twee kinderen een ander kind van het leven beroven, dan volgen zeker politieke consequenties. Dat wordt het begin van de discussie over het langdurig opsluiten van twaalfjarigen. Dat is nu nog bij de wet verboden.''

Dat de jeugdbehandelinrichting na verloop van tijd ook deze twaalf- en elfjarigen zal onderwerpen aan testen om het recidive-risico te meten, is dan ook onvermijdelijk, denkt Koolen. ,,Uiteindelijk gaat het erom om de behandeling van jeugdige delinquenten inzichtelijk te maken. De samenleving is daar klaar voor en vraagt daar nu ook om.''

Deel dit artikel