Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Westerse moslims in houdgreep

Home

Mohammed Ajouaou

Westerse moslims worden gegijzeld door een dubbele klem: van hun oorspronkelijke cultuur en van de westerse. Deze constatering van Tariq Ramadan in Trouw (Podium, 12 oktober) is vruchtbaarder dan de onverdiende bewering dat hij met dubbele tong spreekt.

Uitgaande van de publicaties waarvan ik kennis heb genomen en van zijn maatschappelijke debatten die ik heb bijgewoond, kon ik bij Tariq Ramadan geen sporen van fundamentalisme of opportunisme traceren. Wel vindt hij dat goed staatsburgerschap, hetzij in moslimlanden, hetzij in westerse landen, nimmer mag betekenen dat men minder goed moslim moet zijn.

Sterker nog, hij vindt dat de verlichte idealen van de islam juist een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan democratie, openheid en pluralisme. Dat dit een reële optie is bleek reeds toen moslimfilosofen als Al Kindi, Ibn Sina en Averroës de Griekse filosofie en wetenschap vertaalden, bestudeerden en aan de voorouders van de moderne Europeanen onderwezen. Mogelijk is deze zoektocht naar de islamitische identiteit en de verlichte islam datgene wat dr. Jan Slomp als fundamentalisme afdoet (Podium, 16 oktober).

In zijn open brief nodigt Ramadan westerse moslims uit om een interne dialoog te voeren over de toekomst van hun islamitisch Europese burgerschap en over hun bijdrage aan de plurale samenleving.

Volgens Slomp spreekt Ramadan met twee tongen: een fundamentalistische en een pluralistische. In andere geschriften zou Ramadan een voorstander zijn van islamisering van moslimlanden, terwijl hij voor secularisatie, openheid, vrijheid en pluralisme in het Westen pleit.

Bij de opening van het Academisch jaar van de Rijks Universiteit Gent in september 2000 hield Ramadan een toespraak waarin hij zijn verlichte inzichten en standpunten jegens de westerse islam uiteenzat. Deze inzichten en standpunten komen in grote lijnen en consequent in de bovengenoemde brief terug. Ramadan, geboren, opgegroeid en opgeleid in Genève, vindt terecht dat westerse moslims de hand in eigen boezem moeten steken en voor hun islamitische westerse identiteit moeten uitkomen. Westerse moslims worden namelijk dubbel gegijzeld. Aan de ene kant door culturele erfenissen, landen van herkomst en krachten die van daaruit de voogdij over Europese moslims willen hebben. Aan de andere kant door de ontvangende samenleving en haar veiligheidsdiensten die Europese moslims als exotische elementen beschouwen en in hen een factor van instabiliteit en desintegratie zien.

Zolang moslims zich niet uit deze dubbele gijzeling hebben bevrijd, komen ze niet uit hun isolement. Daarvoor is het aanklagen van foute regimes in islamitische landen niet voldoende. Deze hebben in Europa uitgebreide netwerken opgebouwd, die via religieuze beïnvloeding, de civiele integratie van moslims in het Westen belemmeren. Ook tegen deze krachten moeten westerse moslims zich afschermen. Tegelijkertijd moeten ze hun aanspraak op hun westerse staatsburgerschap luider maken.

Over de loyaliteit aan de samenleving waar westerse moslims deel van uitmaken, met alle rechten en plichten van dien, moet geen misverstand bestaan. Aldus Ramadan in andere documenten.

De oproep aan westerse moslims om zich met christenen, humanisten en anderen voor een leefbare samenleving en een betere wereld in te spannen is niet ingegeven door opportunisme. Deze oproep vertolkt, onder de schijn van het tegendeel, het intuïtieve gevoel dat moslims en niet-moslims op elkaar aangewezen zijn. Het is het gevoel van mijn buurman die mij op de koffie uitnodigde om over zijn zorgen over de oorlog te praten. Het is het gevoel van het moskeebestuur dat tegen oorlog in Afghanistan wilde protesteren, maar ook inzag dat dit meer effect heeft als ook kerken en andere autochtone krachten meedoen, het gevoel van vele autochtone collega's, vrienden, geestelijken en wetenschappers die voortdurend bezorgd zijn over de 'kleine terreur' en hun solidariteit met moslims uiten.

Daar waar Slomp wantrouwend op de brief van Ramadan reageert, toont Aboutaleb zich in zijn column (Podium, 16 oktober) sceptisch over de haalbaarheid en werkbaarheid van Ramadans inzichten. Volgens Aboutaleb zijn westerse moslims net kinderen die niet in staat zijn te debatteren. Bovendien zijn ze dom. Ze zouden niet op de hoogte zijn van de 'diepe spirituele waarde van de islam', geen kennis hebben van de Koran en de Hadith en overwegend analfabeet zijn.

Afgezien van de vraag of deze karikatuur klopt, had Aboutaleb vanuit zijn functie als directeur van het instituut voor multiculturele ontwikkeling Forum de brief anders moeten lezen. Namelijk als een uitnodiging voor al die gesubsidieerde instellingen om die dialoog ook in die gegevenheden te helpen van de grond te krijgen. De brief van Ramadan heeft wel degelijk effect en heeft mogelijk duizenden moslims en niet-moslims geïnspireerd.

Deel dit artikel