Welvaartsverlies door kabinetsmaatregelen arbeidsmarkt

home

Loek Groot

Samsom, Asscher en Rutte. © ANP

Het zojuist aangetreden kabinet van VVD-PVDA versobert de WW en versoepelt het ontslagrecht naar Deens voorbeeld. Werknemers zullen makkelijker kunnen worden ontslagen en hun inkomenszekerheid neemt af. Vooral oudere werknemers worden de dupe.

De zojuist aangetreden VVD-PvdA regering gaat de Werkloosheidswet (WW) versoberen en het ontslagrecht versoepelen. Het voorgenomen beleid voorziet in vier grote veranderingen: de duur en hoogte van de WW-uitkering gaat omlaag, de opbouw van WW-rechten wordt beperkt, de definitie van passende arbeid aangescherpt en het ontslagrecht versoepeld. Mijn inschatting is dat de voorgestelde maatregelen leiden tot welvaartsverlies en een verslechtering van de onderhandelingspositie van - met name - de oudere werknemer tegenover de werkgever. De versoepeling van het ontslagrecht en versobering van de WW zijn dubbelop: niet alleen wordt de kans om ontslagen te worden groter, maar ook de potentiële terugval in besteedbaar inkomen wordt hoger. Hierdoor neemt zowel de baanzekerheid als de inkomenszekerheid af. Daar tegenover staat een ongewisse welvaartswinst in de vorm van een meer dynamische arbeidsmarkt, met grotere kansen voor outsiders.

Voorgenomen wijzigingen
De aangekondigde wijzigingen voorzien allereerst in een verlaging van de maximale duur van de uitkering ingevolge de werkloosheidswet: straks 24 maanden, tegen 38 maanden nu. De hoogte van de WW-uitkering gaat omlaag van 75 procent naar 70 procent van het laatstverdiende loon, waarbij een maximum dagloonbepaling geldt van €193,09 bruto. Omgerekend komt dit ongeveer neer op een bruto maandsalaris exclusief vakantietoeslag van €3890. In het tweede en laatste jaar daalt de WW-uitkering tot bijstandsniveau (70 procent van het wettelijk minimumloon). Dit betekent dat de toekomstige bestaanszekerheid van tweeverdieners bij ontslag feitelijk wordt beperkt tot maximaal 12 maanden, want daarna krijgen ze te maken met het bijstandsregime met partner- en vermogenstoetsen. Ontslagen 55-plussers vallen onder de Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW), weliswaar met sollicitatieverplichting, maar zonder partner- of vermogenstoets.

Ook de opbouw van de WW-rechten wordt anders ingericht. Concreet ziet dat er als volgt uit: in de eerste tien jaar bouwt een werknemer per jaar 1 maand WW-recht op, daarna per dienstjaar een halve maand. Dat betekent bijvoorbeeld dat iemand die vanaf zijn 27e onafgebroken betaalde arbeid verricht en op zijn 65e wordt ontslagen, straks precies de maximale 2 jaar WW-rechten heeft opgebouwd. In de eerste 10 jaar van zijn werkzame leven heeft de werknemer uit het voorbeeld 10 maanden WW-rechten opgebouwd en in de laatste 28 jaar 14 maanden. Nieuw is dat een werknemer bij onvrijwillig ontslag de beschikking krijgt over een door de werkgever te betalen transitiebudget van een kwart maandsalaris per gewerkt dienstjaar dat kan worden ingezet voor omscholing of outplacement. Verder wordt om uitstroom uit de WW te bevorderen de definitie van passende arbeid aangescherpt, waarbij na 6 in plaats van 12 maanden alle arbeid als passend aangemerkt.

Tenslotte is er de versoepeling van het ontslagrecht, die erop neer komt dat de route via de kantonrechter vervalt. Daarnaast wordt het ontslagrecht van ambtenaren in overeenstemming gebracht met dat van de werknemers in de marktsector. Ook is er het voornemen om de secundaire arbeidsvoorwaarden van ambtenaren gelijk te trekken met die van werknemers in de private sector.

Sociaal beleid en economische doelstellingen
Met deze aanpassingen in de WW en het ontslagrecht wordt het sociale beleid dienstbaar gemaakt aan economische doelstellingen, zoals groei, dynamiek en flexibiliteit, waarvan niet zeker is of ze bijdragen aan de kwaliteit van het bestaan. Elke verzekeringsdeskundige weet dat het werkloosheidsrisico moeilijk op de private markt te verzekeren is. Daarom is de dekking tegen inkomensverlies bij werkloosheid ondergebracht bij de overheid. Nu wordt van overheidswege deze collectieve verzekering verder versoberd, terwijl de gemiddelde bereidheid onder werkenden om bruto loon in te leveren ter financiering van loongerelateerde werkloosheidsuitkeringen misschien wel hoger is dan nu door de overheid wordt opgelegd. Iedere werknemer kan natuurlijk sparen om zelf het eventuele werkloosheidsrisico op te vangen, maar omdat het risico relatief klein is, is het inefficiënt als ieder voor zichzelf een voorziening treft. Hoogte, duur en polisvoorwaarden voor de WW zouden idealiter afhankelijk moeten zijn van het risico waartegen werknemers zich zouden willen verzekeren. Opgelegde versoberingen in werknemersverzekeringen die in het verleden in de cao's (deels) werden gerepareerd,  tonen aan dat de overheid de collectieve regelingen heeft versoberd tot voorbij het punt dat werkenden bereid zijn te betalen.

Uit de literatuur is bekend dat ontslagbescherming twee tegengestelde effecten heeft, waarbij het netto-effect op de werkgelegenheid of participatiegraad ongewis is. Enerzijds maakt een goede bescherming het voor de werkgever moeilijker en duurder om mensen te ontslaan, wat tot gevolg heeft dat de gemiddelde duur van een verbintenis langer is en de instroom in werkloosheid lager. Anderzijds zullen werkgevers vanwege het duurdere ontslag grotere terughoudendheid betrachten bij het sluiten van vaste contracten. En dat leidt op zijn beurt tot een lagere uitstroom uit de werkloosheid of uit het flexibele segment naar het primaire segment van de arbeidsmarkt. Strikte ontslagbescherming leidt dus weliswaar tot langere verbintenissen, wat werkgevers stimuleert om in hun vaste personeel te investeren, maar ook tot langere werkloosheid en daarmee aan een tegenstelling tussen insiders en outsiders op de arbeidsmarkt. Langdurige verbintenissen, strikte ontslagbescherming en CAO's bevorderen de bereidheid van zowel werknemers als werkgevers om te investeren in het bedrijfskapitaal. Door de versoepeling van het ontslagrecht verzwakt de onderhandelingspositie van de werknemer tegenover de werkgever. Dat kan ertoe leiden dat de werknemer huiverig wordt om zich via  specialisatie in bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden volledig te committeren aan een bedrijf.

Deens model
De kabinetsmaatregelen zijn vooral geïnspireerd op het Deense model van flexicurity, waarbij een soepel ontslagrecht wordt gecombineerd met een relatief genereuze maar kortdurende werkloosheidsuitkering. Het regeerakkoord stelt (p. 33): 'De werking van de arbeidsmarkt zal voor alle werknemers verder moeten verbeteren. Kansen van vooral oudere werknemers op nieuw werk zijn te laag en flexwerkers verdienen betere bescherming. Een snelle doorstroming van baan naar baan, met een zo kort mogelijke terugval op een uitkering, is voor iedereen wenselijk. Door het ontslagrecht te hervormen en de Werkloosheidswet te moderniseren kan de route van werk naar werk sterk worden verkort.'

Het is zeer de vraag of het kopiëren van enkele elementen uit het Deense model in Nederland dezelfde gunstige effecten geneert. Bij het schaken is de sterkte van de e4 pion in de Spaanse opening immers ook anders dan in het Koningsgambiet. Denemarken kent in tegenstelling tot Nederland een zeer actief arbeidsmarktbeleid en een zeer hoge vakbondsgraad. Voor zover baan-baan mobiliteit en de insider-outsider problematiek systeemvariabelen zijn, is er geen garantie dat de voorgenomen maatregelen van het kabinet de gewenste Deense effecten zullen hebben. Versoepeling van het ontslagrecht zonder de effectiviteit van het Deense actieve arbeidsmarktbeleid en de macht van de vakbonden zal waarschijnlijk vooral de positie van de oudere werknemers schaden. Hiertegenover staat een ongewisse welvaartswinst in de vorm van een meer dynamische arbeidsmarkt, met grotere kansen voor outsiders.

Loek Groot is Universitair hoofddocent Economie van de publieke sector aan de Utrecht University School of Economics (USE)

Lees verder na de advertentie

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie