Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Weinig gehoor voor eigen verhaal Indische Nederlanders

Home

Van een onzer verslaggevers DEN HAAG - Het gevoel van miskenning is nooit helemaal verdwenen. De belangstelling voor het koloniale verleden mag dan sterk opgebloeid zijn, maar voor hun persoonlijke lotgevallen is er volgens Indische Nederlanders nog steeds weinig oor.

Dat werd afgelopen dagen duidelijk op de studiedagen Indische Nederlanders, die het Leids instituut voor sociaal wetenschappelijk onderzoek (Liswo) in Leiden en Den Haag organiseerde. De archieven zitten vol met de officiële geschiedenis van politici en bestuursambtenaren, stelde de Utrechtse historicus dr. Han Meijer vast, maar niet met de 'geleefde werkelijkheid' van al die mensen die in Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea woonden. “Er zijn nauwelijks systematische pogingen in het werk gesteld om hun verhalen aan te horen.”

Meijer vindt dat vooral de persoonlijke levensgeschiedenissen van de mensen die in de kolonie hebben gewoond, moeten worden verzameld. Artsen, militairen, machinisten, huisvrouwen, schoolkinderen, klerken, postbodes - hun lotgevallen zijn van belang om de sociale geschiedenis van het koloniale verblijf te schrijven.

De studiedagen Indische Nederlanders, de vijfde sinds 1989, zijn bedoeld om dergelijk onderzoek aan te vatten en de 'herkenbaarheid' van de Indische gemeenschap - zowel maatschappelijk als wetenschappelijk - te vergroten. Het resulteerde gisteren onder meer in de presentatie van een boek en een documentaire waarin mensen uit de Indische gemeenschap zijn geïnterviewd.

Persoonlijke herinneringen

In het boek 'Het einde van Indië' onder redactie van de Leidse wetenschappers Wim Willems en Jaap de Moor (uitg. Sdu) komt onder meer aan de orde hoe mensen in en buiten de Japanse kampen wisten te overleven, wat het seksuele geweld teweeg bracht en hoe de vergeten Indisch-Europese jongens op Nieuw-Guinea zich voelden. Het zijn persoonlijke verhalen, zoals dat van de 'Indische jongen' (Ruud Boekholt brigade-generaal b.d. en voorzitter van de stichting Herdenking 15 augustus 1945) en van een anjing belanda ('een Nederlandse hond') als Adriaan van Dis.

De gelauwerde schrijver, die zijn jeugd in Indië doorbracht en drie Indische halfzusjes heeft, kreeg vorig jaar op zijn roman 'Indische Duinen' veel enthousiaste reacties van Indische Nederlanders: “Men denkt in mij een steun te hebben gevonden voor de groep en dat vervult me met schaamte”, vertelt Van Dis.

Hij voelt zich vereerd door een uitnodiging om bij een herdenking te spreken, maar hij durft niet. “Dat is net één stap te ver, dan eigen ik me iets toe wat niet van mij is.” Hij wil niet spreken namens een wereld waar hij geen toegang toe heeft. “Ik ben erdoor getekend, maar ik ben geen Blue Diamond. Het ontbreekt mij, bij wijze van spreken, aan een Indisch pasje. Op de keper beschouwd blijf ik een buitenstaander.”

In de documentaire 'De geschiedenis van een keuze' van Liane van der Linden en Joop de Jong hebben de geïnterviewden wèl een 'Indisch pasje'. Het zijn drie Indische families die vertellen hoe ingrijpend hun leven veranderde, toen zij hun geboorteland moesten verlaten.

Nadat ze eerst hun toevlucht hadden gezocht in Nieuw-Guinea, werden de zusjes Elly en Noesje Mondt door de dekolisatie achterhaald en emigreerden ze in 1962 naar een vaderland, dat tegelijk een thuishaven als een vreemd land voor hen was.

Het was aanvankelijk een eenzame tijd, vertelt Noesje. Ze voelde zich buitengesloten in de Haagse Wormerveerstraat en werd teruggeworpen op haar 'Indisch zijn'. Ze beschermde zichzelf door met niemand om te gaan. “Ik had weinig contact met de Nederlanders in onze straat; alleen met de zandman, de olieman, de kolenboer en de scholen van de kinderen.”

Haar banden in Nederland zijn in de loop der jaren alleen maar Indischer geworden, vertelt ze in 'Het einde van Indië'. Bijna al haar vrienden en kennissen zijn Indisch. Maar over dat Indisch-zijn wordt door mensen van haar generatie absoluut niet gesproken. “Dat is de generatie van mijn kinderen. Die houden zich daar mee bezig. Wij niet, zíín gewoon Indisch.”

Haar nichtje Pamela Pattynama is er wèl mee bezig. Niet in haar jeugd, die ze doorbracht op Nieuw-Guinea. Pas na haar promotie ontdekte ze dat haar boekenkast ongemerkt gevuld geraakt was met boeken over Indië en boeken van Indische auteurs. “Dat Indisch-zijn had ik niet gevoeld als van mijzelf, maar alsof het van buitenaf op me gedrukt werd. De manier waarop anderen naar mij keken, maakte dat ik mij Indisch voelde.”

Onderscheiden

Op school had haar afkomst haar wel de drang gegeven om de beste te willen zijn: de beste van de klas, de knapste van de groep, beter dan al die Hollanders. Het maakte deel uit van het 'beruchte assimiliatie-proces van Indo's', van de behoefte om zo Hollands mogelijk te zijn.

Haar boekenkast vertelde de docent vrouwenstudies aan de rijksuniversiteit Utrecht dat zij tegelijk bezig was met de 'andere kant' van haarzelf, de Indische, 'die niet aan de oppervlakte kwam maar wel voortdurend aanwezig was'.

Zij stortte zich op haar familiegeschiedenis en op de geschiedenis van haar geboorteland. “Het is een soort zoektocht naar de vraag wat Indisch-zijn is. Een antwoord is er niet. Het is een buitenstaanderschap. Hollanders hoeven zich nooit af te vragen wie ze zijn. Voor Indo's is dat heel anders: die zijn hier niet vanzelf. Voor de derde generatie is dat nog minder vanzelfsprekend.”

Deel dit artikel