Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wegens omstandigheden geopend

Home

Bert van Panhuis

De manier waarop wij met de dood omgaan verandert met de tijd mee. Het nieuwe uitvaartmuseum Tot Zover in Amsterdam geeft een beeld van onze rituelen.

Talloze malen moet de laatste vijftien jaar wel de vraag zijn gesteld: ’Wanneer komt het er nu?’ En iedere keer moest de stichting die er zich sterk voor maakte een paar stevige slagen om de arm houden. Maar nu is het zover: vandaag wordt op het terrein van begraafplaats en crematorium De Nieuwe Ooster in de Amsterdamse Watergraafsmeer Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover in gebruik genomen. Zoals bij tentoonstellingen en zeker bij nieuw te openen musea gebruikelijk, zijn directeur Guus Sluiter en zijn medewerkers de afgelopen dagen nog druk in de weer geweest met de laatste inrichtingswerkzaamheden.

Het is een museum geworden dat thematisch is ingericht en niet chronologisch. ’Daarvoor zijn er te veel gaten’, zegt Sluiter. Maar dat wil niet zeggen dat er geen geschiedenis ligt van de plannen voor een uitvaartmuseum.

Onvermijdelijk valt daarbij de naam van Henk Kok, bij iedereen die iets te maken heeft met dood en begraven, bekend als fervent verzamelaar van alles dat met de funeraire wereld te maken heeft.

De amateur-historicus, die ook enkele standaardwerken over het onderwerp op zijn naam heeft staan, vatte al in de jaren zestig het plan op om zijn verzameling aan het grote publiek te laten zien. De plannen kregen geen vorm, ook niet toen in 1990 de stichting Nederlands Uitvaartmuseum was opgericht. Grote struikelblok was de locatie. En meteen daar achteraan de financiering.

Bij het aanbreken van het nieuwe millennium was de plaats gevonden, waar het uitvaartmuseum moest komen: op De Nieuwe Ooster, een van de monumentale begraafplaatsen van Nederland, was een roodbakstenen dienstwoning – rechts naast de ingang – beschikbaar. Maar het pand was veel te klein, zelfs voor een museum van bescheiden omvang. Dus moest er nieuwbouw komen, aanleunend aan het bestaande gebouw, waarin bijvoorbeeld ook een café en een museumwinkel konden worden ondergebracht. Het werd een uit glas, beton en staal opgetrokken complex van één bouwlaag.

Halverwege 2004 trok de stichting een projectleider aan in de persoon van Guus Sluiter, een kunsthistoricus, die ervaring had bij het Haagse Mauritshuis, het Dordrechts Museum en het kunsthistorisch instituut in Florence. Hij solliciteerde op de functie ’omdat het in de buurt van mijn huis was’ en zijn affiniteit met het onderwerp was op dat moment niet veel meer dan dat hij op vakantie de plaatselijke begraafplaats met een bezoek vereerde. Wat Nederland betreft deed Sluiter dus pionierswerk. „Er zijn in Europa een paar musea die met uitvaart te maken hebben. Spanje heeft een museum van lijkkoetsen en in Wenen is er een die vooral over het begraven in Wenen gaat. In Duitsland, in Kassel, zit onze grote broer en ons voorbeeld. Ook dat museum is tamelijk nieuw en de nadruk ligt daar op de wetenschappelijke kant. Ze hebben mooie tentoonstellingen en ieder jaar ga ik er wel een paar dagen naartoe.”

Op het moment dat Sluiter en zijn conservator Babs Bakels aan de slag gingen stond een groot deel van de collectie in het Groningse Leek in het depot dat gehuurd werd bij het Nationaal Rijtuigenmuseum. Die rijtuigen vormen een volgens Sluiter ’weergaloze collectie’ en hij beschouwt de koetsen, die van de stichting zijn als een van de pronkstukken van zijn museum. „Onze koetsen staan daar nog, maar we willen hier vlakbij een koetshuis gaan inrichten, waar twee rijtuigen komen te staan.”

Leidraad voor het project Uitvaartmuseum was dat het in de museumopzet moest passen. Dus dat het wat spannends moest krijgen. Sluiter: ,,Enerzijds willen we jongeren trekken, maar ook de ouderen willen we niet vergeten. We willen een moderne uitstraling hebben, niet iets tuttigs. Dat is een proces van jaren geworden met veel overleg met deskundigen. Kinderen van de hoogste klassen van de basisschool kunnen met een leuk en leerzaam spel zelf door het museum struinen.”

Een chronologische opzet had geen zin, want daarvoor zaten er dus te veel gaten in de collectie. ,,We zijn met thema’s gaan werken. Maar wel met een historische structuur in de vorm van een introductiefilm. De vier thema’s die we volgen zijn: de rituelen, het lichaam, de rouw en de herinnering en ten slotte het memento mori.”

In het museum moet vooral veel te zien zijn en daarom werkt Sluiter met zogeheten meanderende vitrines. Je loopt er dus in een rechte lijn langs, maar kronkelt je tussen de vitrines door, iets wat vaker wordt toegepast bij een beperkte ruimte. Er is een audiotoer door het museum en over de Nieuwe Ooster te maken en de vitrines worden voorzien van teksten. Hooguit tweehonderd woorden per vitrine, zegt de directeur.

Naast het koetshuis met de rijtuigen krijgt ook de verzameling historische grafzerken van Wim Vlaanderen van de Zwolse begraafplaats Kranenburg een plek in de omgeving van het museum. En Sluiter wil ook wat gaan doen met een collectie zerken voor dieren. „Zoals die steen met daarop de tekst ’Hier rust mijn gans’.” De lange gang in het museum wordt bestemd voor tijdelijke tentoonstellingen. „Hier kun je goed met foto’s werken. We hebben zo een lijst van veertig onderwerpen die levensvatbaar zijn.”

Meteen bij het begin van de permanente expositie in het Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover – ’die naam geeft de lagen aan, die mensen zelf in het onderwerp kunnen aanleggen’ – komt een monument. Mensen kunnen foto’s van overledenen aanleveren en die worden aangebracht op bewegende hangende spijlen, waar je tussendoor kunt lopen. Er is plaats voor tweehonderd foto’s. Als nummer 201 wordt aangebracht, wordt er een foto verwijderd. In een van de vitrines ’hangt’ op zijn kant een maquette van ’Westerveld’, de begraafplaats in het Noord-Hollandse Driehuis, waar in 1913 ook het eerste crematorium van Nederland kwam. In een andere vitrine wordt nog meer aandacht besteed aan het onderwerp cremeren. Er staat bijvoorbeeld een replica van de urn van de arts dr. C. J. Vaillant, die in 1914 als eerste in de moderne tijd op Nederlands grondgebied is gecremeerd.

Met enige trots wijst Sluiter op de vitrine met enkele miniatuur-lijkwagens. Ze zijn afkomstig uit een collectie van 23 miniatuur-lijkauto’s, die het museum in langdurige bruikleen heeft gekregen. Een mooie manier, aldus de directeur, om de grote verscheidenheid aan wagens in een beperkte ruimte te laten zien. Te midden van dodenmaskers, zwarte rouwserviezen, uniformen en bijvoorbeeld een urnhouder, die uit samengeperste persoonlijke paperassen is gemaakt, hangen enkele haarschilderijen, van de gebroeders Visser en het gezin Van Velzen. Haarschilderijen waren, vooral in de 19de eeuw in zwang zijnde herinneringswerkjes met daarop vaak een grafmonument afgebeeld. Het haar van de overledene werd geprepareerd en in het schilderij verwerkt, vaak in de vorm van treurwilg of tak.

De begrafenisrituelen in de Nederlandse veelkleurige samenleving worden weergegeven in zeven doodskisten met voorwerpen, die kenmerkend zijn voor bijvoorbeeld een Chinese of islamitische begrafenis. In een van de kisten ligt een figuur in lijkwade op de zijde, zoals in de islam wordt voorgeschreven. De Chinese dode wordt vergezeld van kleding, schoeisel en een pak bankbiljetten, om hem op zijn reis na de dood te helpen. Op het punt in ’de gang’, waar oud en nieuw gebouw in elkaar overgaan is verzonken in de vloer een urn te zien. Die is in 2006 toen met de bouw werd begonnen aangebracht en in de urn bevinden zich, net als een soort tijdcapsule, twintig brieven van bij het museum betrokken mensen. Die voorspellen onder meer hoe er in 2106, als de urn wordt opengemaakt, tegen dood en uitvaart wordt aangekeken.

Deel dit artikel