Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Weer bruist waterpolo van het optimisme

Home

Rob Velthuis

EINDHOVEN - In het uitspreken van ambities vormt Nederland in de wereld van het waterpolo een grootmacht. Woorden omzetten in daden, dat is een heel ander verhaal. Volgens bondscoach Johan Aantjes zal het er nu dan eindelijk van moeten komen.

Met de plaatsing voor het Europees kampioenschap werd de afgelopen drie dagen in Eindhoven niet voor het eerst een 'eerste stap gezet'. Waar het nu op aankomt, zijn de vervolgpassen richting volwassenheid die in de afgelopen decennia steeds weer uitbleven.

Doelloos zwom het Nederlands zevental rond in het labyrint van de middelmatigheid. Terwijl de poort naar de top overal staat aangegeven: wie in het hedendaagse polo met de beste landen mee wil, zal moeten professionaliseren.

Veel fraaie plannen zijn al ter tafel gekomen om daaraan uitvoering te geven. Waterpolo is nu eenmaal geen mediagenieke sport waar televisie en sponsors warm voor lopen; de zwembond is niet inventief genoeg om daar verandering in te brengen. En zo was Oranje na kwalificatie via een achterdeur tijdens de Spelen in Sydney de enige amateurploeg. Die kansloos voorlaatste werd.

In Eindhoven werd vrijdag de eerste en meteen beslissende wedstrijd van het EK-kwalificatietoernooi tegen het gelijkwaardige Oekraïne knap met 9-5 gewonnen. Waarna een dag later onderdeur Denemarken met 25-1 werd lekgeschoten.

Vervolgens wees vice-olympisch kampioen Rusland de formatie van Aantjes de juiste (tweede) plaats. De nederlaag bleef gisteren met 7-5 draaglijk. Maar was te danken aan een 'rustperiode' van de Russen bij een 7-2 voorsprong en vele reddingen van de Nederlandse doelman Arie van de Bunt.

Zoals na een succesje gebruikelijk, bruist het polo meteen van het optimisme. Terwijl de toekomst toch onzeker is. Er is een beleidsplan geschreven, gericht op professionalisering van de sport. Maar concreet is nog niets ingevuld, een 'goed gesprek' met NOC-NSF ten spijt.

De 'vaak pittige discussies' met alle betrokken partijen stemmen Aantjes hoopvol; hij is er althans van overtuigd dat hij ,,geen dood paard trekt''. Maar hij moet ook toegeven dat NOC-NSF, de voornaamste partner waarop de hoop is gevestigd, geen sponsor van het waterpolo is. ,,Van bond en spelers zal ook een offer worden gevraagd. Waarbij ik me over de spelers geen zorgen hoef te maken.''

Er zal voor Oranje een fulltime begeleidingsteam moeten komen. Nu is Aantjes als bondscoach twintig uur per week beschikbaar. En voor de internationals moet een situatie worden geschapen waarin zij structureel voor minstens twintig uur per week worden vrijgemaakt voor waterpolo. Want elf maanden trainingsachterstand is voor een EK, WK of de Olympische Spelen niet weg te poetsen met een trainingskamp van een maand.

Het bewijs daarvan is in de afgelopen jaren afdoende geleverd. En de bevestiging ligt ook binnen de huidige selectie. Die nadrukkelijk leunt op de in buitenlandse dienst spelende fullprofs Van de Meer (Bogliasco), Uri, Scheffer, Silvis en De Bruijn (Olympique Nice).

Aantjes uit zich als een optimist, misschien wel tegen beter weten in. ,,Ik hoop dat uit al het gepraat iets goeds groeit'', is een veelzeggende uitspraak. ,,In Sydney waren we slechts deelnemer, in Athene moeten we meer zijn. Dat kan alleen met professionaliseren, meer trainen. En het heeft niet alleen met geld te maken, ook bij de clubs in Nederland moet een en ander veranderen.''

,,Wat dat betreft bespeur ik een gunstige tendens, er is zich een cultuuromslag aan het voltrekken. Al zal dat niet betekenen dat we nu meteen overgaan in de meest optimale situatie. Maar er is de bereidheid om meer te trainen. En er is het idee dat er genoeg is gezegd. De knop moet om, we gaan ervoor.''

Het argument dat Nederland tot meer in staat moet zijn, omdat het over de grootste waterpolocompetitie ter wereld beschikt, snijdt volgens Aantjes geen hout. Integendeel. ,,Ik vind dat juist in ons nadeel. De clubs moeten niet alleen dat kostbare badwater huren voor hun eerste team, zoals bij de profclubs in Italië het geval is, maar moeten dat water verdelen over al die senioren en aspirantenteams. Daar valt dat voordeel van dat grote arsenaal om uit te putten bij in het niet.''

Deel dit artikel