Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

We zijn meer dan ons brein

Home

Bert Keizer

© Thinkstock

Hersenonderzoekers die de mens reduceren tot neuronen in ons hoofd, hebben het mis. De mens bestaat, met zijn vrije wil, zijn emoties, met al zijn grilligheden

Bestaat ons geestesleven uit niets anders dan wat gesputter tussen neuronen? Hersenonderzoekers wekken graag die indruk. Daarom goochelen deze 'neurosofen' graag met hersenscans: je zou daarop kunnen zien wat iemand denkt.

Een hersenscan is een zwart-witfoto van levende hersenen. Je kunt er veel meer op zien dan op een gewone röntgenfoto. De plaatjes zijn min of meer driedimensionaal, omdat je steeds een foto neemt van opeenvolgende plakjes hersenen.

De techniek is perfect voor het opsporen van een tumor, bloeding, schrompeling en dergelijke. De fMRI is een verfijning van deze techniek, waarbij de toegenomen doorbloeding van een bepaald hersendeel in kaart wordt gebracht. Dat wijst op een toename in neuronale activiteit.

Laten we maar meteen doorstoten naar de achilleshiel van elke neurowetenschappelijke uiteenzetting: je weet nooit wat er door iemand heen gaat aan de hand van zijn hersenactiviteit alleen. Je zult het hem moeten vragen. Bij het in kaart brengen van de hersenen moet je de volgende drie stappen nemen:

1. Jaaps hersendeel C licht op in de scanner.

2. Ik vraag: "Wat gaat er nu door je heen?" Hij zegt: "Ik denk aan Koninginnedag."

3. Veertien dagen later ligt Jaap weer onder de scan, en C licht weer op. Ik roep: "Volgens mij denk je aan Koninginnedag!" "Klopt", zegt Jaap verrast. "Hoe wist je dat?"

Zonder stap 2 zijgt het hele fMRI-circus reddeloos ineen.

Bepaalde hersendelen worden bij u en bij mij ongeveer gelijkelijk benut voor visuele, emotionele of motorische activiteiten. Maar in het deel waar bij u 'fietsen' zit, zit bij mij 'hinkelen'. Als iemand nu met mijn breinkaart uw brein gaat lezen, dan ziet hij 'hinkelen' opflakkeren, maar u denkt aan 'fietsen'.

Het opstellen van een breinkaart waarmee je zou kunnen bepalen wat er door iemand heen gaat, zou een plaatjesboek opleveren met aan de ene kant miljarden scans en aan de andere kant de bijbehorende gedachte, zoals door de breinbewoner gerapporteerd.

Mocht zo'n gedachte 'ns terugkeren, dan zou de breinkaartlezer kunnen roepen: "Hij denkt weer aan een trauma op Koninginnedag!" met de frustrerende toevoeging: "Alleen weet ik niet of het over de aanslag op Koninginnedag in Apeldoorn gaat of over die Koninginnedag in 1963 toen hij zijn arm brak."

De ultieme demonstratie van hoe elk mens dezelfde plaats in de hersenen anders benut levert de zogeheten Penfield-procedure. Daarbij maakt de neurochirurg de patiënt halverwege de ingreep wakker om aan de hand van 'Wat gaat er nu door je heen' te besluiten welk stukje hersenweefsel weg kan en welk niet. Ik heb er een keer bij gestaan en het is een huiveringwekkend gebeuren.

Een jonge vrouw werd geplaagd door een ernstige vorm van epilepsie die niet reageerde op medicijnen. Besloten werd wat hersenweefsel weg te halen in het gebied waar de epilepsie ontstond.

De neurochirurg legt daartoe de gebruikelijke weg af naar het brein: luikje uit de schedel zagen, de verschillende hersenvliezen klieven en opzijleggen totdat het naakte brein in de opening ligt. Het gaat erom zoveel hersenweefsel weg te halen dat de epileptische activiteit ophoudt, waarbij je wel wilt weten welke schade je toebrengt als je een bepaald stukje verwijdert.

Die schade kun je niet voorspellen aan de hand van de vele breinen die we al in kaart hebben gebracht, omdat elk brein door elke persoon weer anders wordt ingericht. Je weet nooit zeker of bij anatomisch vrijwel identieke veranderingen in verschillende breinen dezelfde geestelijke verandering optreedt.

Daar heb je de achilleshiel weer: als je zeker wilt weten wat waar zit, dan moet je de hersenbewoner wakker maken. Dat gebeurt dan ook tijdens de Penfield-procedure. Technisch gesproken is het niet de moeilijkste opgave voor een neurochirurg, maar dat er in het geopende brein van een wakkere patiënt wordt rondgetast, heeft iets spectaculairs.

Toen het moment naderde waarop de patiënte wakker werd gemaakt om als breinbewoner deel te nemen aan de ingreep, stroomden er meteen mensen toe vanuit de omliggende operatiekamers.

Na een tijdje begon de linkerhand van de patiënt weifelend te plukken. De neuropsycholoog had al kennis met haar gemaakt, zodat ze tijdens deze benarde minuten precies wist wie hij was en wat ze nu samen gingen doen.

Hij liet haar plaatjes zien waarop ze aanvankelijk heel traag en schuchter reageerde om geleidelijk aan snelheid en duidelijkheid te winnen: peer - tafel - boot - vliegtuig - telefoon - doosje lucifers - koekepan - kameel - vlag.

Het leek me toch wel link om alleen op grond van die plaatjes hersenweefsel te kwalificeren. Het onzegbaar vreemde van de Penfield-procedure is dat je het idee hebt ineens pal boven op de relatie tussen brein en geest te staan.

Al die mensen kwamen kijken naar wat ik ervaar als de fascinerendste illustratie van het begrip 'vastzitten' aan je brein.

Ook zonder scan
Wat ik probeer aan te tonen is dat we iemands geestelijke toestand nooit inschatten op basis van alleen een hersenscan. We slagen er tenslotte al vele jaren in om mensen ontoerekeningsvatbaar te verklaren (of schizofreen of dement), zonder dat er ooit een scan aan te pas kwam. Ik zou hier bijna vergeten te melden dat we er in het dagelijks verkeer al vele miljoenen jaren in slagen om elkaars geestelijke inhoud goed in te schatten zonder dat we ooit van neuronen hebben gehoord.

Maar ook bij afwijkende patronen laten we ons niet door scans leiden. Ik zorg zelf al jaren voor dementerenden en daar komt nooit een scan bij kijken. Ik weet wel dat de scans van vele bezoekers er niet veel anders uitzien dan die van vele patiënten, maar die inwisselbare scans leiden niet tot inwisselbare levens. Wat mensen dóén, geeft de doorslag. Al blijkt bij een scan dat er binnen in hun schedel iets vreemds aan de hand is, zolang ze gewoon rechts houden in het verkeer is er niets aan de hand.

Nu we het hier toch over hebben: hoe ziet dementie er eigenlijk uit op een scan? Je ziet helemaal geen dementie op een scan. Je ziet ook geen verlamming op een scan. Wat je ziet, is een beeld dat ontstaat op basis van weefseltoestanden en de veranderingen daarin.

De neurowetenschapper kan ons niet verrassen door op nieuw gedrag te stuiten. Hersenonderzoeker Dick Swaab heeft bijvoorbeeld de homoseksualiteit niet ontdekt. Die was er al; Swaab heeft daar de passende neurologie bij gevonden. We weten al eeuwen dat homo of hetero zijn een onomkeerbaar aspect is van de menselijke persoonlijkheid en de neurowetenschapper bevestigt dat.

Dit helpt allemaal niet tegen 'de geest', die de breinadepten zouden willen verjagen in de hoop dat we onszelf dan beter begrijpen. Wat is dan die geest, wat is geestelijk? Ik zou zeggen dat de aardappelprijs geestelijk is, maar de aardappel stoffelijk. Die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar het is niet zo dat die prijs eigenlijk een aardappel is, hoewel hij wel door aardappels wordt bepaald. Wie zegt dat geestelijke activiteit eigenlijk een kwestie is van neurologische impulsen, die zegt dat sommige euro's eigenlijk aardappels zijn.

Of in Dick Swaabs ultrakorte opsomming van deze verwarring: 'Wij zijn ons brein.'

Essay in NRC
In NRC Handelsblad van 25 februari 2010 las ik in een ernstige uiteenzetting over neuronale vuurpatronen de opmerking: "Het brein reageert opgetogen!" Een kernachtige formulering van de verwarring die dreigt, met al die aandacht voor hersenfysiologie. Neuronen zijn helemaal niet 'opgetogen' te krijgen. Niet omdat ze zo somber zijn, maar omdat ze zich ontologisch in een heel ander gebied bevinden.

Zo zou je van de ontstoken appendix kunnen zeggen dat die bang is voor het mes van de chirurg. Neuronen worden geacht emoties te vervoeren en de gedachte is dat dit ze niet helemaal koud kan laten.

Wat de neurofysioloog niet beseft is dat hij nooit zonder een overweldigende hoeveelheid context (die nergens in de neuronen te vinden is) kan uitmaken waar ik voor kies: voor vanille- of chocoladeijs. Verzin maar eens hoe een scan (alleen de scan, met als bonus de mededeling dat het om een mensenbrein gaat) eruit moet zien om het voor u mogelijk te maken om dit erin te lezen: Keizer denkt nu dat hij vanilleijs wil bij die en die ijstent in Amsterdam.

Uit die scan weet u niet eens of ik Keizer ben, u kunt ook niet zien waar ik ben, in Irkoetsk of in Amsterdam. U kunt niet zien hoe lang ik daar ben, u kunt de hond niet zien die ik bij mij heb, evenmin dat ik wel loop maar op de fiets ben gekomen, dat mijn dochter er ook bij is, dat ik ijs wil omdat de temperatuur boven de vijfentwintig graden is, dat ik met mijn dochter heb afgesproken dat we bij een dergelijke temperatuur gewoon recht hebben op ijs.

Er is scanmorfologisch gesproken geen enkele vorm van signaal denkbaar die naar zaken als 'we' of 'Amsterdam' of 'Irkoetsk' of 'ijs' zou kunnen verwijzen op de voorbeeldige wijze waarop woorden dat wel kunnen.

Kortom: je ziet niks op een scan, tenzij je er een heel panorama omheen bouwt.

Ontnuchterd
Misschien zijn we nu voldoende ontnuchterd om een rustige blik te werpen op het specifieke stukje neuroreductie dat de Amerikaanse neurofysioloog Benjamin Libet heeft geleverd, of vreesde te hebben geleverd.

Libet ontdekte het volgende. Als u besluit om uw vinger te buigen, dan is de neurologische aanloop voor vingerbuigen al begonnen. Dat zie je op een EEG. Nog een keer, want dit is wel belangrijk. We onderscheiden hier drie gebeurtenissen:

1. Uw besluit om uw vinger te buigen

2. Het buigen van uw vinger

3. De bijbehorende neuronale activiteit

Libet ontdekte dat 3 eerder begint dan 1. Er is dus al activiteit in de neuronen voordat u besluit om uw vinger te buigen. Dat noemde hij de 'bereidheidspotentiaal'. Men beschouwt dit experiment graag als schokkend, omdat dit zou betekenen dat 'uw' besluit al in het brein is genomen voordat u het meende te nemen.

Het beeld dat de 'neurosofen' voor ogen zweeft is dat van een schip waarbinnen zich een Echte Stuurhut bevindt, ergens diep midscheeps, waar de informatie over de koers van het schip binnenkomt.

Daar worden de besluiten over de koers omgezet in daadwerkelijk uitgevoerde wijzigingen.

Daarnaast is er nog een Pseudo Stuurhut op de traditionele plaats op het dek. Hier loopt de kapitein heen en weer te drentelen en ook hij draait heftig aan het stuurwiel als hij een koerswijziging wil, maar zijn stuurwiel is niet met het roer verbonden.

Uit toegeeflijkheid en om zijn ego te sparen, ontvangt hij signalen uit de Echte Stuurhut over de naderende koerswijziging, die hij dan ook braaf inzet, niet wetend dat hij aan een loos wiel staat te draaien.

Deze kapitein is overbodig. Als hij roept 'we zetten koers naar Groenland', dan zullen kenners heimelijk lachen bij de gedachte dat de stakker denkt dat hij het schip bestuurt. Het besluit om naar Groenland te gaan, was midscheeps allang genomen.

Merkwaardige ellende
Dat 3 er eerst is en dat men dat als schokkend ervaart, is een fraai voorbeeld van de merkwaardige ellende die neuroreductie heet.

Een eerste vraag is of er ooit iemand geweest is die na kennis te nemen van dit experiment de ontwrichtende ervaring had dat zijn geestelijke leven onherstelbaar onderuitgehaald werd.

Ik ben, op zoek naar een menu voor het avondeten, niet bij de pakken gaan neerzitten onder de wanhopige uitroep: "Wat maakt het uit of ik voor bietjes of prei kies, het besluit is immers elders toch al genomen?" Wat een onzin.

Hoe fataal de verleiding van neuroreductie is, blijkt uit het feit dat iedereen de bereidheidspotentiaal als een genomen besluit ziet. Een absurde bewering. Ik zei al dat het brein nooit opgetogen is en de appendix niet bang. Ik voeg daar nu aan toe dat neuronen geen besluiten nemen, al vuren ze zo hard dat je het door het schedeldak heen hoort knetteren. Neuronen nemen helemaal geen besluiten. Niet vóór, niet tijdens en niet ná dat u het doet.

Men lijkt niet te beseffen dat er nogal wat volgt als je neuronen eenmaal opzadelt met het vermogen om besluiten te nemen. Iets dat een besluit kan nemen, kan ook aarzelen, onzeker worden, angstig en gefrustreerd raken. Geestelijke begrippen vormen een kluwen. Het is niet goed voorstelbaar dat iets besluiten kan nemen, maar niet kan dagdromen.

De verhouding tussen geest en stof stelt de mens al eeuwen voor problemen. Wat men hier doet is het stokje van 'geestelijk leven' doorgeven aan neuronen. Daarmee ben je weer terug bij af, want in neuronen is de problematiek van geest en stof van precies dezelfde aard als in de hersenen.

Zo eindigen we met een nieuw mannetje in het mannetje, een nieuw oog achter uw oog, ditmaal in de gedaante van een besluitend neuron.

Er is nog een verbazingwekkend aspect van Libets werk. Stel dat er iets valt te beweren over vingerbuigbesluiten aan de hand van het gedane experiment, wat zou dit kunnen betekenen voor andere besluiten?

Kijk eens naar de verschillende besluiten die wij nemen: bij Emma weggaan ¿ naar Canada emigreren ¿ bietjes vanavond ¿ met roomsaus ¿ Ans bellen ¿ toch maar geen roomsaus.

Als iemand iets zou willen beweren over de activiteit van 'willen' zoals we die aantreffen in deze bezigheden, dan zou ik wat er gebeurt rond 'vingerbuigen' bij Libet niet als inzichtgevend beschouwen. Neem dat weggaan bij Emma, gevolgd door de emigratie naar Canada, een slopende toestand die bijna anderhalf jaar geduurd heeft. Ik zou wel eens willen weten wie daarvoor een 'bereidheidspotentiaal' zou durven aanwijzen in het EEG van de betrokkene.

Wie denkt dat het vingerbuigen van Libet veel in zich heeft van 'willen', die is als de man die vindt dat het beklimmen van een ladder lijkt op reizen naar de maan.

Daarom slikken we pillen
Als onze geestelijke bezigheden worden gezien als alleen maar gepruttel tussen neuronen, dan kun je geestesziekte zien als een afwijking in dat gepruttel. De gevolgen zijn groot als je de mens op die manier reduceert tot zijn neuronen, zegt Bert Keizer. Want waarom zou je met de patiënt praten, als je de neuronen met een pil weer normaal kunt laten werken?

Mensen met psychische problemen worden in kaart gebracht op basis van het Amerikaanse handboek DSM. Bert Keizer: "De psychiatrische vraag luidt al lang niet meer: uit wat voor gezin komt deze mevrouw en wat betekende de zelfmoord van haar moeder voor haar eigen keuzes? Nee, zij wordt ingedeeld à la DSM en daar volgt vaak een pil uit."

Volgens Keizer bestaan er wel degelijk effectieve pillen, tegen psychose, bipolaire stoornis en angststoornissen, maar de werking van antidepressiva is zeer twijfelachtig. "Toch slikken 950.000 Nederlanders antidepressiva. Hoe kunnen we zo vergeten dat we in het dagelijks leven niet met gestoorde of ongestoorde hersenen omgaan, maar met mensen?"

Bert Keizer is de schrijver van het essay voor de Maand van de Filosofie, 'Waar blijft de ziel?' (Lemniscaat, Rotterdam; € 4,95). Dit is een deel uit dat essay, dat vandaag verschijnt.

Op vrijdag 13 april gaat Bert Keizer tijdens de Nacht van de Filosofie (Felix Meritis, Amsterdam) in debat met Dick Swaab ('Wij zijn ons brein').



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie