Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

We wilden bedrogen worden

Home

FRED FEDDES en IS JOURNALIST EN PUBLICIST. ONLANGS VERSCHEEN VAN ZIJN HAND '1000 JAAR AMSTERDAM' BIJ UITGEVERIJ THOTH.

Bedrog is geen eenmansactie, maar een relatievorm. Lance Armstrong en kunstvervalser Han van Meegeren hadden degenen die hen geloofden iets te bieden.

De ontmaskering van Lance Armstrong, gevolgd door het gezichtsverlies van velen om hem heen, doet op cruciale punten denken aan de val van de grootste kunstvervalser in de Nederlandse geschiedenis, Han van Meegeren. Zeker, Armstrong en Van Meegeren bewogen zich op verschillende terreinen, de wielrennerij en de schilderkunst, maar hun affaires roepen morele vragen op die verrassend parallel lopen. Van sporters en kunstenaars verlangen we eerlijkheid; we verwachten dat ze met open vizier presteren en dat hun werk ook echt hun werk is. Eerlijkheid in kunst en sport is echter niet altijd gemakkelijk vast te stellen, en dus is ze voor een flink deel een kwestie van vertrouwen. Om die reden reageren we zo heftig op kunstvervalsing of wedstrijdvervalsing: die raakt ons in onze zwakke plek, namelijk ons vertrouwen.

Het is over het algemeen een lovenswaardige eigenschap om anderen te vertrouwen; de uitdrukking luidt niet voor niets dat we 'goed van vertrouwen' zijn. Maar het is belangrijk te bedenken dat vertrouwen niet alleen altruïstisch is, maar ook een eigenbelang dient. Als we iemand vertrouwen, hoeven we hem niet voortdurend in de gaten te houden en kunnen we onze tijd aan iets anders besteden. Vertrouwen is een stilzwijgende afspraak tot beider profijt, en het beschamen van vertrouwen is derhalve een drama in de relationele sfeer. Laat ik het zo formuleren: bedrog is geen eenmansactie maar een relatievorm, die kan bestaan bij de belofte van wederzijds voordeel.

In de herfst van 1937 werd in Zuid-Frankrijk een tot dan toe onbekend schilderij van Johannes Vermeer ontdekt. De eerste deskundige die het zag was Abraham Bredius, de meest gezaghebbende kunsthistoricus van Nederland, dik in de zeventig en aan de Rivièra genietend van zijn pensioen. Hij was wildenthousiast over het schilderij en verklaarde dat het een echte Vermeer was, misschien zelfs de allermooiste. Ogenblikkelijk kwam een campagne op gang om het schilderij 'voor een Nederlands museum te behouden' en dat lukte. 'De Emmaüsgangers' werd een van de pronkstukken van Museum Boymans in Rotterdam.

Tijdens de bezetting doken meer onbekende Vermeers op, en een daarvan werd gekocht door nazitopman Hermann Göring. Pal na de oorlog werd de schilder en kunsthandelaar Han van Meegeren gearresteerd wegens betrokkenheid bij de verkoop van dit Nederlands cultureel erfgoed aan de vijand.

In de gevangenis besloot Van Meegeren dat hij beter als kunstvervalser terecht kon staan dan als oorlogsprofiteur, en hij onthulde dat hij de 'Vermeer' van Göring zelf had geschilderd - en trouwens ook die in Rotterdam. Het kostte hem voor de rechter nog behoorlijk wat moeite om alle experts die hun lof en hun prestige aan de Emmaüsgangers hadden verbonden, te overtuigen.

Los van alle verschillen roept de geschiedenis van Van Meegeren twee sleutelvragen op die ook voor de zaak-Armstrong gelden. Ten eerste: waarom deed hij het? Dat is een interessante psychologische kwestie, maar die laat ik hier rusten ten gunste van de tweede vraag, die minder pijnlijk is voor de dader, maar des te meer voor ons en ieder ander: waarom slaagde hij?

Natuurlijk, beide mannen slaagden voor een deel dankzij een echte prestatie. Armstrong was hoe dan ook een sterke wielrenner en een dominante charmeur, en Van Meegeren had een bijzonder slim schilderij gemaakt. Maar geen van beiden had alleen op eigen kracht kunnen slagen. Ze behaalden hun valse succes mede doordat anderen het hun mogelijk maakten om te slagen.

Van Meegeren profiteerde bovenal van de ijdelheid van Abraham Bredius. De ontdekking van zo'n formidabel meesterwerk plaatste een schitterende kroon op diens lange en toch al imposante loopbaan in dienst van de kunst, en zijn opwinding won het van zijn professionaliteit. Doordat Bredius vanaf de top van de apenrots sprak, lag het voor lager gerangschikte collega-kunsthistorici niet voor de hand om zijn oordeel te betwisten.

Liever redetwistten zij over de vraag of het een vroege Vermeer of een rijpe Vermeer of een Vermeer uit de tussenperiode was, en zo hadden ze de primaire vraag eenvoudigweg overgeslagen, namelijk of het wel een Vermeer was. Velen zagen in dit wonderlijke schilderij de bevestiging van hun eigen hypothesen over de raadsels rond de sfinx van Delft, en zij voelden zich door de nieuwe vondst dan ook als wetenschapper gevleid. Destijds waren er al prima natuurwetenschappelijke methoden voorhanden om de ouderdom van een schilderij te bepalen, maar die lieten ze ongebruikt. De deskundigen hadden bovendien haast, want het schilderij moest naar Nederland komen voordat een rijke Amerikaan het kon kapen of de oorlog uitbrak. Dat buitenlandse experts twijfelden over de echtheid, hoorden ze liever niet of deden ze af als jaloezie.

Ook het Nederlandse publiek vond het schilderij, of het verhaal, prachtig en kwam massaal kijken naar het hervonden meesterwerk uit de Gouden Eeuw. Nederland genoot dankzij de Emmaüsgangers een heerlijk chauvinistisch moment van blijdschap en trots. Dat kon het ook wel gebruiken, in die naargeestige jaren waarover de oude en nieuwe schaduwen hingen van crisis en oorlogsdreiging.

Niet iedereen geloofde dat de Emmaüsgangers een echte Vermeer was, maar de sceptici spraken hun twijfels om verschillende redenen niet uit. De historicus Johan Huizinga voelde nattigheid, maar schroomde om zich te mengen in een discussie over de kunstgeschiedenis. De Rotterdamse stadsbouwmeester Willem Witteveen vermoedde meteen de hand van zijn oude Deventer schoolvriend Van Meegeren, maar vertelde dat alleen aan zijn vrouw en voelde zich niet geroepen het aan de grote klok te hangen.

Interessant is de verklaring van Maurits van Dantzig, een schilder die zich had gespecialiseerd in onderzoek naar kunstvervalsing en die in 1947 een boek over de affaire-Van Meegeren zou schrijven. Hij twijfelde al in 1938-1939 aan het schilderij, maar sprak er met bijna niemand over. In zijn boek legt hij uit waarom: "In de loop der jaren heb ik zoveel tegenstand ondervonden, wanneer er sprake was van een vervalsing die, zoals ook bij dit stuk het geval was, verder algemeen voor goed werd gehouden, dat ik mij had voorgenomen mijn oordeel niet dan na diepgaande studie van den meester, die zo'n stuk toebedeeld had gekregen, te publiceren."

Diepgaande studie vergt tijd, vervolgt Van Dantzig, en die moest hij op dat moment aan ander onderzoek besteden. Het klinkt misschien als een zwakke smoes maar we kunnen aannemen dat het oprecht is gemeend. En het lijkt frappant op de verklaringen en de mea culpa's die we recentelijk van wielerdeskundigen en wielerjournalisten hebben gehoord.

Van Meegeren hoefde de omstandigheden maar een beetje naar zijn hand te zetten om ervan te kunnen profiteren. Hij maakte een schilderij dat inspeelde op de sentimenten van deskundigen en leken, en vervolgens deden die sentimenten zelf het werk. Hij gaf experts en publiek wat ze graag wilden hebben, en ze wilden het zo graag dat ze geen moeilijke vragen stelden. Elk van hen had er belang bij om te delen in de euforie; elk van hen warmde zich aan het prestige van de meester.

Over Armstrongs Umwelt kunnen we een vergelijkbaar verhaal vertellen. De personages en de rolverdeling verschillen, maar de strekking komt overeen. Opnieuw speelt een Nederlander een sleutelrol, ditmaal de tragikomische Hein Verbruggen. Onder zijn voorzitterschap ging de internationale wielerunie UCI de Amerikaanse markt veroveren en de wilskrachtige communicator Armstrong was hiertoe de best denkbare marketingtroef. Door de klassieke Europese sport te mengen met de dynamiek van de Amerikaanse droom werd het wielrennen naar een hoger niveau getild: het werd een wereldsport met een grootse allure en met een bijpassend inkomstenplaatje. Velen uit de oude en de nieuwe wereld wilden daar graag bijhoren, als renner, sponsor, bestuurder, journalist of gewoon als liefhebber. Zij hadden er geen belang bij om te twijfelen aan het grandioze succesverhaal dat ook op hen afstraalde; met andere woorden, zij waren uit eigenbelang ontvankelijk voor bedrog.

Bovendien lokte Armstrong sympathie uit door zich nadrukkelijk als ex-kankerpatiënt te profileren. Hij zette een liefdadigheidsorganisatie op die goed werk deed en die tevens kon dienen als een menselijk schild om hem tegen verdachtmakingen te beschermen. Chauvinistische Amerikanen, kankerpatiënten, de UCI, journalisten hongerend naar exclusieve interviews, en wielerfans in het algemeen, hadden allemaal hun redenen of belangen om Armstrong te geloven en hem te beschermen tegen beschuldigingen die in hun beleving niet anders dan kwaadaardig konden zijn.

Een belangrijk maar niet doorslaggevend verschil met Van Meegeren is dat de zaak-Armstrong zich vijftien jaar lang wereldwijd in het brandpunt van de aandacht heeft afgespeeld; we leven tenslotte niet meer in 1937, maar in de 21ste eeuw. We konden allemaal jaar na jaar de prestaties van de Amerikaanse sportheld meebeleven, en ook de controversen en de manier waarop hij en zijn bewonderaars critici afpoeierden. De Ierse journalist David Walsh heeft, anders dan Van Dantzig destijds, zijn twijfels over Armstrongs zuiverheid vanaf het begin in het openbaar uitgesproken; Van Dantzig durfde het zonder afgerond onderzoek niet aan spelbreker te zijn en Walsh wel. Toch is hun positie vergelijkbaar. Walsh kan beamen hoeveel tegenstand iemand ondervindt die aandacht vraagt voor een vervalsing die, in Van Dantzigs woorden, 'verder algemeen voor goed werd gehouden'.

Of, zoals de socioloog J.A. Barnes ooit schreef in een studie over liegen: "Vaardigheid in het opsporen van bedrog kan sociaal riskant zijn. Vaardigheid in het bedriegen brengt vaak minder gevaren met zich mee."

De geschiedenis van Lance Armstrong nodigt uit tot een fascinerende karakterstudie. We kunnen Armstrongs psyche onder de loep nemen ('Wat dreef hem? Meende hij echt dat het nooit zou uitkomen?') maar het is nog interessanter om de blikrichting om te draaien voor een reflectie op ons eigen karakter. Zeker als we de affaire niet alleen binnen de context van de wielrennerij bestuderen, maar haar plaatsen in de bredere geschiedenis van bedrog en moedwillige waan.

Van Meegeren en Armstrong hebben ons opgezadeld met twee spectaculaire voorbeelden van langdurig volgehouden bedrog.

Dat vond plaats in een aantrekkelijke 'toestand van beneveling', zoals Van Dantzig de roes noemde die het zicht op de waarheid vertroebelde. We kunnen er veel uit leren over het menselijk vermogen om te bedriegen en bedrogen te worden. We kunnen ervan leren dat bedrog als relatievorm tot wederzijds voordeel strekt zolang het discreet blijft, en dat we er dus een belang bij kunnen hebben om ons eigen of andermans bedrog zo lang mogelijk discreet, en de waarheid zo lang mogelijk toegedekt te houden.

Wat er gebeurt als het bedrog ten slotte toch openbarst, hebben wij vorige maand gezien. Het is een pijnlijk en leerzaam schouwspel. Verdriet, boosheid, ontkenning, jij-bakken en ander retorisch geweld - alle symptomen van het rouwproces zijn herkenbaar. Illustratief zijn de melodramatische pogingen van sportjournalist Mart Smeets om in het reine met de geschiedenis te komen. (Ja, zijn naam moet genoemd. Smeets was jarenlang de hoogste van alle Nederlandse bomen en het verbaast niet dat hij nu veel wind vangt.) Wat opvalt, bijvoorbeeld in het interview in Trouw van 27 oktober, is zijn warrige, instabiele betoogtrant.

Hij hanteert een mengverhouding waarin tegenover iedere theelepel zelfkritiek een emmer zelfbeklag staat. Het is evident dat hij nog lang niet is hersteld van de enorme dreun die ook hij door Armstrongs val heeft geïncasseerd.

Het is de vraag of hij, en vele anderen met hem die beneveld zijn geweest, er ooit helemaal overheen zullen komen. In 1979 publiceerde Marijke van den Brandhof het proefschrift 'Een vroege Vermeer uit 1937' over de affaire-Van Meegeren. "De voornaamste verdienste van het boek is het feit dat hier een vervalsing en de achtergrond van waaruit zij is ontstaan in de beschouwingen van de kunsthistorische wetenschap is opgenomen", schrijft haar promotor H.L.C. Jaffé in het voorwoord. Hij merkt op dat Van den Brandhof de gebeurtenissen die zij beschrijft niet zelf heeft meegemaakt: "Zij heeft door haar leeftijd juist de afstand tot de gebeurtenissen gekregen, om een en ander wetenschappelijk en omvattend te kunnen onderzoeken en bespiegelen."

Jaffé impliceert dus dat iedereen die de affaire wel heeft meegemaakt niet tot die wetenschappelijke afstand in staat is geweest. Let wel, hij schreef dit veertig jaar na de ontdekking van de Emmaüsgangers en dertig jaar na het demasqué. Zo diep waren de wonden van het bedrog en de beneveling, en zo lang bleven ze branden, een generatie lang.

Groepsdruk
De schilder Maurits van Dantzig ontwikkelde in de jaren dertig de 'pictologie', een eigen methode om echte en valse kunstwerken te onderscheiden. In 1947 publiceerde hij een boek over de zaak-Van Meegeren, Johannes Vermeer, de 'Emmaüsgangers' en de critici. Hij vertelt erin dat hij de 'Emmaüsgangers' in 1938 en 1939 meerdere malen had bekeken, en pas bij de derde keer, in alle rust in een lege museumzaal, begon te twijfelen aan de echtheid:

"Achteraf heb ik mij afgevraagd welke krachten eigenlijk in het spel waren, die direct een juiste reactie op het stuk verhinderden. Ik schrijf dit niet om mijzelf te verontschuldigen, maar omdat mijn ervaringen vermoedelijk overeenkomen met die van vele kunstcritici en dus een licht werpen op de noodzaak een zekerder houding te vinden tegenover een schilderij.

De eerste beide keren dat ik het stuk zag, hing het in een ruimte die vol was van kijkers. Dit belette reeds een nauwkeurige waarneming. Bovendien werd een stemming van eerbied voor het stuk gewekt, niet alleen door die talrijke aanwezige bewonderaars, maar ook door de wijze waarop het stuk werd getoond en niet minder door het belang, dat in woord en schrift door autoriteiten eraan werd toegekend. Door deze combinatie van omstandigheden ontstond een toestand van beneveling, die belette tot een zakelijk en nuchter onderzoek te komen."

Deel dit artikel