Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

We vernederen ons voor een schermpje

Home

MARCO VISSCHER

Filosoof Hans Schnitzler is een onheilsprofeet. Hij ziet tablet en iPad als 'digitale totems', waarvoor wij diep buigen. "God is doodverklaard, de digitale heilstaat is het nieuwe seculiere geloof."

Op Facebook zit hij niet. De Hans Schnitzler die u daar kunt vinden, is een Duitse boer die graag foto's deelt van speelgoedtractors en -graafmachines. Dat is - voor de goede orde - níet de Nederlandse filosoof die in zijn woonplaats Barcelona betrokken is bij 'diverse interdisciplinaire kunstprojecten', waarbij de 'grenzen tussen het particuliere en het publieke domein' worden afgetast. Een fout is snel gemaakt.

Die ándere Hans Schnitzler, die met dat speelgoed, is ongetwijfeld wat ónze Hans Schnitzler zou noemen: een 'digitale proletariër'. Daaronder verstaat hij een 'genetwerkt informatiemens' die even slaafs als onnadenkend zijn ziel en zaligheid uitlevert aan internetgiganten. Dat zou hij zijn Duitse naamgenoot ernstig willen afraden, want daarmee verkeert hij namelijk in een staat van 'geestelijke gevangenschap en afstomping'.

Om Hans Schnitzler en andere slachtoffers van de gewetenloze veroveraars van onze persoonlijkheid te waarschuwen, schreef Hans Schnitzler een boek dat binnenkort bij uitgeverij De Bezige Bij verschijnt: 'Het digitale proletariaat'. Bij een kop koffie in Amsterdam zet hij zijn zorgen uiteen.

Lees verder na de advertentie

Wat is problematisch aan onze houding met digitale techniek?

"De gedachte is dat techniek neutraal is, dat wij heel gewone instrumenten gebruiken die we naar believen kunnen oppakken of negeren. Daarmee onderschatten we de kracht van techniek en overschatten onze eigen kracht. De maker stopt namelijk altijd iets ín de techniek, dus zien we bepaalde mensbeelden en politieke ideologieën terug in de apparaten die ons steeds meer in hun greep houden."

Wat voor mensbeelden en ideologieën?

"Dat kunnen we afleiden uit de woorden van de directeuren van bedrijven als Google en Facebook en de investeerders van Silicon Valley. Zij hechten grote waarde aan het idee dat mensen vrij en autonoom zijn."

Vrijheid en autonomie? Dat klinkt toch niet meteen angstaanjagend?

"Klopt. Maar in werkelijkheid vertrouwen mensen steeds meer op hun gadgets. Onder het mom van individualiteit is een systeem opgetuigd dat onze aandacht kanaliseert en een bepaalde richting uit stuurt. Daardoor pakt het conformistisch uit. Dat is het paradoxale neveneffect van de maakbaarheidsideologie."

U heeft het in uw boek over de 'afgodische verering' voor onze laptop, tablet en smartphone. Legt u dat eens uit.

"Die vindingen oefenen een mythische aantrekkingskracht uit. We schrijven deze digitale totems krachten toe die verwijzen naar typische geloofsovertuigingen als transparantie en connectiviteit. Uiteindelijk fungeren ze om ons oorspronkelijk gebrek steeds beter te maskeren."

Daar is techniek toch altijd voor gebruikt?

"Ja, wij zijn technologische wezens. De mens is het enige dier dat niet zonder techniek kan. We hebben de prothese nodig om ons te kunnen voortbewegen in de wereld. In de prothese zie je steeds verdere veruitwendiging van onze capaciteiten. De bijl was nog een soort verlengstuk van ons geraamte, bij de Industriële Revolutie legden we spierkracht in onze machines en nu zien we de veruitwendiging van onze geest, onze verlangens, onze fantasie. Dat heeft iets vernederends, meen ik, want de steeds geavanceerdere techniek verkleint de wrijving tussen onszelf en de wereld.

Zo experimenteer Pizza Hut met een 'onderbewuste' menukaart, die op basis van eye-tracking binnen drie seconden bepaalt wat je werkelijk zou willen hebben, in plaats van wat je zelf zou bestellen. Zo wordt onze keuzestress verlegd naar de techniek."

Ziet u niet ook een hoop voordelen van de veruitwendiging van onze geest?

"Er zijn zeker grote voordelen: het gemak wordt enorm gediend, je bespaart tijd. Die voordelen wil ik niet onder het vloerkleed vegen..."

Maar?

"...het stelt ons voor fundamentele vragen. Wat betekent het om mens te zijn? Gaan we naar een wereld die steeds tammer en voorspelbaarder wordt? Wíllen we dat wel? Had de wrijving misschien een nut? Die vragen moeten worden gesteld."

Toch staan die vragen niet centraal in uw boek. Uw boek is een pamflet, een aanklacht tegen de digitale techniek en cultuur.

"Ik heb het boek geschreven met een pamflettistische toon, want ik vind de situatie vrij urgent. We staan op een tweesprong: worden we batterijen voor de machine of behouden we onze waardigheid?"

De techniekkritiek van Hans Schnitzler is niet nieuw. Voortdurend verwijst hij naar andere denkers. Om hun meer autoriteit te geven, worden ze omschreven als 'vooraanstaande intellectuelen' die tot hun sombere gedachten zijn gekomen dankzij 'voortschrijdend inzicht'. Jacques Ellul was niet zomaar een filosoof, maar een 'gerenommeerde techniekdenker'. Dave Eggers is geen schrijver meer, maar een 'gevestigde auteur', Jonathan Franzen zelfs een 'literair zwaargewicht'.

Intussen beschrijft Schnitzler zijn interpretaties als vaststaande ontwikkelingen: de algoritmisering van het bestaan, de verdinglijking van de mens, de gamificatie van het onderwijs, de googlificatie van informatie, de facebookisering van vriendschappen, de virtualisering van de werkelijkheid die de macht heeft vertechniseerd en gedeterritorialiseerd.

Er zijn al aardig wat boeken met vergelijkbare kritiek op de digitalisering van onze samenleving. U zit op een golf.

"Ja, klopt. Dat is het onbehagen dat steeds breder wordt."

Maar dat onbehagen zit bij de intellectuelen, niet bij de massa. Hoe komt dat, denkt u?

"Wanneer je als beroep hebt om te reflecteren op onze cultuur, stuit je al snel op problemen die je wellicht ontgaan als je dagelijks bezig bent je gezin draaiende te houden. Het ligt dus voor de hand dat een intellectuele elite kanttekeningen plaatst."

Is die stroom boeken misschien een indicatie dat de boodschap van naderend onheil er makkelijk in gaat?

"Ik vraag me dat af. Ik heb aan den lijve ondervonden dat mensen die de noodklok luiden of die doemscenario's schetsen, kunnen rekenen op enorme hoon. In een column heb ik eens de internetpathologie op een rij zet: egomanie, identiteitsvervorming, grootheidswaanzin, dwangneuroses zoals twitteritis, digitale dementie, exhibitionisme, reaguurdersverkokering, infobesitas, digistress, ontvolgdepressie... Nou, de reacties waren niet mals. Ik heb het idee dat het juist moeilijker is om de keerzijde te laten zien, omdat je op veel weerstand stuit."

Azijnzeiker, cultuurpessimist, zuurpruim: zo bent u al eens genoemd.

"Ja. God is dan wel doodverklaard en de grote verhalen zijn voorbij, maar de digitale heilstaat is het nieuwe seculiere geloof geworden. Wie aan de techniek twijfelt, raakt mensen persoonlijk."

Op uw beurt beschrijft u uw critici als 'technogroupies' en 'cyberfeestgangers'. Doet u over hen niet net zo schamperend als zij over u?

"Daar heeft u een punt. Ik heb een zekere toon in mijn boek willen leggen, gedreven door een geloof dat het ons voorgespiegelde beeld van een prachtige toekomst niet klopt."

Ik bedoel: maken u en uw critici zich niet schuldig aan dezelfde overdrijving?

"Dat vraag ik me af. De kritiek die ik krijg, is gericht op de persoon, op mij, en niet op de boodschap. Er zit een zeker venijn in de reacties wanneer je, zoals ik, vragen stelt bij ons idee van vooruitgang. Ik kan me voorstellen dat de toon van mijn boek misschien de indruk wekt dat ik ook word gedreven door zo'n soort sentiment, maar ik gebruik de overdrijving, de hyperbool, slechts om iets aan te geven en daarvoor zijn grote woorden nodig. Vind ik."

Van een auteur die een marxistische term als 'proletariaat' in de boektitel zet, zou je een bemoedigend, revolutionair epistel verwachten. Het blijft echter bij enkele terloopse verwijzingen naar 'hacktivisten', de 'open-source'-beweging en het TrackMeNot-programma dat zoekmachines doelbewust in de war brengt.

En waar Marx zich nog verheugde over de enorme vooruitgang die het kapitalisme had gebracht ten opzichte van het armetierige leventje op het platteland in een feodaal stelsel, daar uit Schnitzler zich minachtend over de 'mogelijkheidsmens' die maar geen genoegen wil nemen met de werkelijkheid. Hij betreurt het dat de vooruitgangsoptimisten de wetenschap - door Schnitzler omschreven als 'de beschrijving en verklaring van het onveranderlijke' - ondergeschikt hebben gemaakt aan de techniek, 'de kunde tot manipulatie'.

Ziet u zichzelf, met uw kritiek op de 'mogelijkheidsmens', als een conservatief denker?

"Nee, niet per se, nee. Ik heb wél problemen met het radicale vooruitgangsgeloof, dat vanuit Silicon Valley uitstraalt. Dat is het idee van disruptie: alles moet veranderen. Als vooruitgang betekent dat je álles overboord moet zetten, verzet ik me ertegen. Veel dingen in de wereld werken goed en dat moeten we vooral zo houden. En trouwens, ik wil helemaal geen negatieve lading stoppen in dat woord 'mogelijkheidsmens'. Ik besef heel goed dat techniek ook een creatieve, opwaartse kracht heeft."

Toch beschrijft u de producten van de industrialisatie als 'eenvormig, inwisselbaar en onper- soonlijk'. U had ook kunnen zeggen dat indu-

strialisatie een rijk assortiment aan luxe con- sumptieartikelen toegankelijker maakte voor steeds grotere groepen. Kwam dat niet bij u op?

"In het boek heb ik duidelijk gekozen om de schaduwzijde over het voetlicht te brengen. Ik schrijf ook dat ik technologie op geen enkele manier als problematisch ervaar. Ik ben geen technofoob, maar ik analyseer dat de snelheid waarmee techniek ons nu overspoelt van een andere orde is dan wat we ooit eerder hebben meegemaakt. Dat zorgt voor oververhitting."

Wij kunnen niet langer tiencijferige telefoon- nummers onthouden, stelt u. Hoe erg is dat?

"Je kunt zeggen dat we ruimte creëren om andere dingen te doen wanneer we niet langer telefoonnummers hoeven te onthouden. Maar de vraag is: wat dóen we met die extra tijd? Schrijven we een boek? Componeren we mooie muziek? Besteden we meer aandacht aan onze naasten? Of zitten we nóg meer vastgelijmd aan onze smartphones en onze schermpjes?"

En als dat nu is wat mensen kennelijk willen?

"Tja, dan is het prima. Dat moeten ze vooral doen. Ik wil daar geen normatieve uitspraak over doen."

In uw boek bent u anders heel wat stelliger.

"Nou ja, een gigantische industrie is bezig met het uitmelken van onze intieme binnenwereld. De kudde laat zich dat welgevallen en zich als makke schapen de virtuele megastal in drijven."

En u komt de kudde waarschuwen.

"Besef wel dat techniek niet neutraal is, maar dat er een ideologie aan ten grondslag ligt. De wijze waarop het onderscheid tussen publiek en privé wordt opgeheven, heeft totalitaire trekken. De hele geschiedenis lang zijn we bezig geweest om de kudde te temmen, zodat die ons niet voor verrassingen stelt. We stevenen af op een nieuwe tirannie. Mijn boodschap is een onheilstijding van machtsideologie, techniek en ontmenselijking. Vanuit mijn eigen achtergrond is dat een enorme zorg. Ik ben Joods. Mijn familie is vermorzeld door machtsideologie, techniek en ontmenselijking. Natuurlijk, we worden nu niet massaal over de kling gejaagd, maar tirannie kan ook met zachte dwang ons handelen temmen. Daardoor ben ik wat alerter. Ik bespeur een trend, een verlangen om het menselijk handelen te bevriezen."

Denkt u dat u de digitale proletariër bereikt?

De vraag verrast hem. Schnitzler laat een stilte vallen en staart uit het raam.

"Goede vraag... Of ik het proletariaat bereik... Ik hoop het wel..."

Wie is Hans Schnitzler?

Hans Schnitzler (46) is filosoof en publicist. In zijn essays en opiniërende artikelen is een centrale rol ingeruimd voor de invloed van de digitalisering op onze cultuur.

'Het digitale proletariaat' is zijn eerste boek.

Hans Schnitzler woont in Barcelona.

Deel dit artikel