Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

We moeten blij zijn met de bankier

Home

Matthias Smalbrugge

Een zakenman kijkt uit over de skyline. © Corbis

Al twintig jaar lang hebben de bankiers het gedaan. Maar zij zijn zondebokken voor ons eigen ongemak. Tijd voor een rehabilitatie.

De vroegchristelijke polemist Tertullianus formuleerde rond 200 ironisch en vlijmscherp hoe een samenleving steeds weer haar eigen zondebok creëert, mensen zal verguizen en bloed wil zien, want Barbertje moet hangen. Christenen waren in zijn tijd nog gelovigen die er wel en niet bij hoorden en daarom de ideale groep vormden om te dienen als kop van jut: de Tiber stroomt over tot de stadsmuren, de Nijl valt droog, de hemel geeft geen regen of er is hongersnood dan wel een andere catastrofe. Meteen klinkt de kreet 'de christenen voor de leeuwen!'

Een bekend mechanisme, een of andere groep moet boeten voor het ongeluk en het onbehagen van een grotere groep. Het gaat niet om de zaak zelf, maar om een zondebok waar je je onbehagen op kunt botvieren, mensen die je voor de leeuwen kunt gooien. Rationele argumenten doen er eigenlijk weinig toe, de irrationele behoefte om af te rekenen met een groep is vele malen groter.

'Zondebokmechanisme'
René Girard, de Franse filosoof die het verband tussen geweld, groepsproces en imitatie onderzocht, noemde dat het 'zondebokmechanisme': door mensen voor de leeuwen te werpen, door een offer dus, ontstaat er weer een nieuw evenwicht. Zo kan de grote groep de eigen innerlijke spanning de baas en raakt zij niet onderling verscheurd. Zo wordt het bovendien geen oorlog van allen tegen allen; het is er maar één die de rekening van en voor allen betaalt.

Een tragische dynamiek, want we beseffen nauwelijks dat we het doen. Het gaat om een irrationele behoefte die we rechtvaardigen met morele argumenten om er toch nog iets van een schijn van redelijkheid aan te verlenen. 'Schande toch, die hebzucht!' Beter gezegd: 'Dit kan niet waar zijn!' - een uitroep die al meteen een oordeel en een impliciete beschuldiging in zich draagt.

Lees verder na de advertentie
© Colourbox

Met Joris Luyendijks boek 'Dit kan niet waar zijn!' zijn we bij de groep die heden ten dage zo'n perfecte zondebok is: de bankiers. In 1997 spreekt premier Kok van hun 'exhibitionistische zelfverrijking', in 2015 voegt premier Rutte hun toe dat ze beter naar het buitenland kunnen vertrekken: 'toedelidokie'.

Dat komt neer op zo'n kleine twintig jaar onafgebroken mensen aan de schandpaal nagelen. Met een op het oog heldere morele argumentatie, maar bij nader inzien gaat het vooral om een dekmantel van ons onbehagen. Zogenaamd gaat het over de ongepastheid van hoge salarissen en graaizucht, in werkelijkheid zijn het termen die ons eigen ongemak verhullen over zaken waar we geen antwoord op hebben. Dan is dit de ideale groep om je ongenoegen op af te reageren: klein genoeg om veraf te zijn, groot genoeg om herkenbaar te zijn.

Collectieve naming and shaming
Want gaat het inderdaad over geld en erg veel verdienen? Ik denk het niet. Topdirigenten verdienen meer dan de leden van de Raad van Bestuur van een bank. Zij worden bovendien uit gemeenschapsgeld betaald. Maar hebben we ooit gehoord van collectieve naming and shaming, als bij bankiers? Ging het rond het vertrek van Mariss Jansons ooit over het salaris van diens opvolger?

Het bankiersdebat gaat dus niet over geld, maar over maatschappelijk ongenoegen dat zich bedient van een schijnargumentatie. Topdirigenten worden de lucht in geprezen, en terecht. Misschien tijd om dat ook eens met topbankiers te doen?

© Colourbox

Vóór die lof, eerst de vraag wat dat ongenoegen eigenlijk is en waarom we dat op bankiers botvieren? Ik zie twee oorzaken: ongelijkheid en controlezucht. Dat zijn beide open zenuwen in ons bestel.

Ongelijkheid stuit op grote innerlijke weerstand. Weliswaar geven we graag toe dat mensen verschillend zijn, maar ongelijk? We willen het niet horen. Eeuwenlang is immers het streven geweest ongelijkheid uit te bannen. Het christendom formuleerde de gelijkheid van alle mensen voor God. De Franse Revolutie voegde daar de gelijkheid voor de wet aan toe. En na de Tweede Wereldoorlog werd er hard gewerkt aan gelijke kansen voor iedereen, een vermindering van sociale ongelijkheid.

Ons hele maatschappelijke streven is gericht op gelijkheid. Sterker, het is het ideaal geworden dat ons nog bij elkaar moet houden nu de grote verhalen er niet meer zijn. We hebben geen gemeenschappelijke religieuze traditie meer, geen gedeelde geschiedenis en zeker geen gedeelde moraal. Maar nog wel één overtuiging: dat we allemaal gelijk zijn!

Gelijkheid is ons houvast, waarmee we nog iets terug kunnen krijgen van de vroegere eenheid. Voor die eenheid betalen we een prijs: heel vaak moet er dwang aan te pas komen.

© Colourbox
De skyline. © Corbis

Hang naar gelijkheid
De ironie wil dat we juist om onder dwang uit te komen, gebroken hebben met vroegere vormen van eenheid op religieus, sociaal en moreel vlak. De Victoriaanse moraal, de dwang van de kerk, de rangen en standen: we hoefden het niet meer. Ze passen niet bij ons individualisme en onze democratische instelling. Niettemin, subtiele mechanismen als bureaucratisering en politieke correctheid, maar ook zoiets als de vakbondsrol (dwingende cao's afsluiten, maar met een steeds geringere representativiteit) hebben ongemerkt de dwangfunctie overgenomen. Met deze hang naar gelijkheid, deze nieuwe politiek-correcte vorm van dwang, roepen we het beeld op van een eenheid die we kwijtgeraakt waren. Een moreel baken in een tijd waarin we allang geen gemeenschappelijke moraal meer hebben.

Maar die gelijkheid staat wel haaks op het individualisme dat ons minstens zo dierbaar is en dat helemaal geen boodschap heeft aan eenheid. Is het niet vreemd om mensen aan te moedigen hun talenten te ontwikkelen ('go for it!') en vervolgens verontwaardigd te zijn als die mensen er inderdaad voor gaan en een bepaalde beloning bedingen? Zonder dat daarmee collectieve voorzieningen geschaad worden. Nee, die vinden we belangrijk, terecht, en we hebben er vele vormen van ontwikkeld. Maar de eigen creativiteit ontwikkelen, de eigen capaciteiten, je eigen unique selling point uitvinden, we juichen het toe en stimuleren het. Op welke morele grond mogen we ons dan beklagen over de uitkomst van dit individualisme, die hoge salarissen en dito bonussen?

Wie daarover klaagt, wekt de suggestie dat we nog iets van een gemeenschappelijk verhaal hebben, een gedeeld besef van het goede. Hoe kan onze individualistische maatschappij een appèl doen op de moraal die we zelf hebben afgeschaft? We eisen wel 'gelijkheid', maar vergeten dat we zelf geen antwoord hebben op de vraag naar het verband tussen ongelijkheid en individualisme.

Een gevaarlijk 'vergeten' - zie het boek van Luyendijk, die een wereld schetst van wolven en hyena's die hij als mens observeert. Proef vanuit die gezichtshoek eens de morele superioriteit van de titel 'Dit kan niet waar zijn'. Weliswaar meldt Luyendijk dat het gevaar schuilt in de giftige cocktail van perverse prikkels en een falend systeem - met dus de suggestie dat het hem echt niet gaat om de individuele hardwerkende bankier - maar hij komt niet tot het effectief onderscheiden van het persoonlijke aspect en het systeem (hebben politici, bankiers, wetenschappers geen verantwoordelijkheid voor het systeem waarin zij werken?). Het systeem is ziek, maar bankiers hebben koorts. Anders gezegd, het verwijt over het systeem komt via een omweg toch bij de bankier terecht.

Geen kloof
In werkelijkheid daarentegen bestaat die morele kloof tussen bankiers en de rest van de wereld niet. Het financiële systeem is een wereld die ons confronteert met onze ontkenning van ons onbehagen over moraal, ongelijkheid, eenheid en sociale verbanden. Ontkenning van ons eigen onbehagen, dat is ook onze woede over veel verdienen als het slecht gaat nadat de gemeenschap notabene op haar kosten de bank heeft gered. Voetballers verdienen een veelvoud van bankiers, maar er kan geen voetbalwedstrijd worden gehouden zonder dat de gemeenschap zondag na zondag opdraait voor de kosten van ordehandhaving, beveiliging, stadionbouw etcetera.

© Colourbox

De ongemakkelijke waarheid is dus dat de kwestie van gemeenschapsgeld geen issue is zolang we ons kunnen identificeren met de grootverdieners. Zolang accepteren we blijkbaar wel dat de top in een bepaald maatschappelijk veld zijn eigen beloningsplafonds creeert. Het maakt bankiers des te kwetsbaarder, want hun speelveld biedt zoveel minder identificatiemogelijkheden dan het voetbalveld. Het toegedekte ongemak zoekt een uitweg, de bankier wordt ideaal slachtoffer. We reageren er, in de waarschuwende woorden van de aartsbisschop van Canterbury, Justin Welby, lynch mobbish op: bankiers moeten boeten. Maar ja, wij zijn weer van ons dilemma af en het offer van de zondebok dekt ons ongemak weer heerlijk toe.

Er is nog een aspect dat er in dit verband toe doet. We zijn allergisch geworden voor de risico's van het leven. Gezondheid, vakantie, geld, het zijn allemaal gevaren die we slechts de baas kunnen door ons te hullen in een harnas van verzekeringen. Een vreemde houding, we raken verlamd van angst voor het eigene van het leven: risico's nemen. Dus een onderneming, een bank die alleen maar kan bestaan bij de gratie van het nemen van risico's en het exploreren van kansen, doet iets dat lijnrecht ingaat tegen onze cultuur van angst en risicomijding.

De regelgeving die we opleggen aan banken en bankiers beperkt de ruimte voor een bank om een eigen afweging te maken in de bedrijfsvoering. Die nieuwe regels zijn geformuleerd na de crisis van 2008. Ze getuigen vooral van wantrouwen jegens de persoon van de bankier. De Nederlandsche Bank mag bankiers individueel toetsen of zij 'betrouwbaar en geschikt' zijn (aldus de site van DNB). Dat wordt snel een schervengericht, zoals als laatst bij Delta Lloyd, waar DNB zo ongeveer de hele top wegstuurde. Toetsing is dan geen instrument meer van de integriteit van de bankier, maar van het afrekenen van personen.

© Colourbox

Dat is dus geïnstitutionaliseerd wantrouwen, ontstaan in het moreel vacuüm dat we zelf creëerden en dat fungeert als weer een verzekering, toegevoegd aan ons harnas.

Joris Luyendijk zegt het zo: wij zitten in een vliegtuig dat, hoog in de lucht, geen piloot aan boord blijkt te hebben. Geen centrale aansturing of externe controle.

Tja, wat wil Luyendijk dan? De enige experimenten die we hebben gehad met centrale aansturing stammen uit de communistische economieën en waren niet echt opwekkend. Zolang we daar niet voor kiezen, blijft een onderneming eigen afwegingen maken. Met de huidige controlezucht dekken we ons in. Als het straks toch misgaat, wassen we onze handen in onschuld (de regels deugden!) en maken we de bankiers weer tot zondebok.

Waarom willen we dit, bankiers tot zondebok maken? Durven we nog te denken over ongelijkheid, over de noodzaak van risico's en creativiteit; of is het taboe te groot? Waarom zijn christelijke begrippen als zondebok, schuld en boete populairder geworden naarmate het christendom verderaf is geraakt?

Al die vragen hebben met vertrouwen te maken. Waar bankiers mee handelen, is vertrouwen, geloofwaardigheid, geloof. Geld is vertrouwen. Het wordt niet gedekt door een gouden standaard als in vroeger tijden, het wordt gedekt door vertrouwen. Maar vertrouwen is een slinkend cultuurgoed. We durven nauwelijks meer te vertrouwen, risico's te nemen, te bouwen op mensen. Politieke partijen, kerken, banken, ze hebben allemaal met die crisis te maken.

© Colourbox

Durf
Daar zou je bankiers voor moeten loven, dat ze aan het front van die vertrouwenscrisis durven te presteren, dat ze blijven zoeken naar vormen van vertrouwen bij kredietverlening. Dat ze, ondanks publieke verguizing, hun waardigheid en gevoeligheid als mens kunnen behouden. Dat ze een belangrijke bijdrage leveren aan de nationale economie. Immers, het gaat om een bedrijfstak die groeide van 6 procent van ons bruto nationaal product in 2006 naar 8 procent in 2012. En ongetwijfeld kun je bij die groei economische vraagtekens zetten, maar dat zijn gewone vraagstukken, geen redenen om mensen zwart te maken.

Bankiers houden ons voor dat we ons wel kunnen beklagen over flitskapitaal, maar dat dit toch is wat we wilden, een global village waarin je snel van het ene land naar het andere trekt. Niet anders dan kennis en wetenschap die geen grenzen kennen. Bankiers stellen ons voor de scherpe keuze: bouwen op vertrouwen of je overgeven aan eindeloze controlezucht.

Banken zijn de laboratoria van het vertrouwen, waar 'krediet' en 'vertrouwen' opnieuw aan elkaar gekoppeld worden. Ze zijn laboratoria in een wereld die de oude vormen vaarwel heeft gezegd. Je kunt boos worden op het verlies van die oude vormen, maar niet op de laboratoria. Laten we daar blij mee zijn. Leve de bankier!

______
Joris Luyendijk heeft een reactie geschreven op dit essay van Matthias Smalbrugge. "Smalbrugge stelt dat bankiers de zondebokken zijn van onze tijd, te vergelijken met christenen in het oude Rome ... Dit is een drogreden. Tussen meteorologische omstandigheden en het bestaan van christenen was geen causaal verband. Tussen de financiële catastrofes van de laatste decennia en het gedrag van bankiers wel."

Lees hier de volledige reactie van Luyendijk.

Deel dit artikel