Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Waterbeheer tussen oorlog en vrede

Home

Henk Donkers

Maandag is het Wereldwaterdag. De VN hebben deze dag in 1993 ingesteld om aandacht te vragen voor de toenemende zoetwaterproblemen. In het Midden-Oosten is water een bron van oorlog of vrede. Israël zou meer water moeten gunnen aan Palestijnen en Jordaniërs.

Dit jaar is 'Everyone lives downstream' het thema van de waterdag. Een toepasselijk thema voor iedereen die last heeft van te veel, te weinig of te vies water. Immers, mensen stroomopwaarts kunnen de belangen van mensen stroomopwaarts ernstig schaden.

Daarom is een stroomgebiedsgewijze, geïntegreerde aanpak van waterproblemen nodig. Daarbij moet een evenwicht worden gevonden tussen de strijdige belangen van de verschillende gebruikers en gebieden binnen het stroomgebied van een rivier.

Integraal waterbeheer is dus per definitie conflictmanagement. In Nederland en ook in het stroomgebied van de Rijn is daarmee een redelijk succesvol begin gemaakt. Partijen hebben oog voor elkaars belangen gekregen en zijn tot het inzicht gekomen zijn dat samenwerking meer oplevert dan het kortzichtig najagen van eigenbelang.

In het Midden-Oosten, bijvoorbeeld in het stroomgebied van de Jordaan, is daarvan nog geen sprake. Daar spelen landen al decennia lang een ingewikkeld upstream-downstream-machtsspel om het schaarser wordende water.

Israël haalt zijn water uit drie bronnen: grondwater uit een aquifer, een waterhoudende laag binnen de eigen grenzen, grondwater uit een aquifer die wordt gevoed vanuit de Westelijke Jordaanoever en oppervlaktewater uit de Jordaan. Die rivier wordt gevoed wordt door riviertjes uit Zuid-Libanon en Syrië (met name de Golan-Hoogten). Bij twee van de drie waterbronnen verkeerde Israël aanvankelijk in een zwakke downstream-positie. Door de verovering van de Golan-Hoogten en de Westelijke Jordaanoever en de bezetting van Zuid-Libanon heeft het land zichzelf een machtige upstream-positie gemanoevreerd. Het land maakt daar misbruik van ten koste van Jordanië en de Palestijnen. Politiek werkt dat destabiliserend, want water is emotie in het droge Midden-Oosten.

Vorig jaar laaiden de emoties hoog op tijdens een acute watercrisis in de Jordaanse hoofdstad Amman. Koning Hoessein bemoeide zich ermee vanaf zijn ziekbed in de Verenigde Staten en stuurde waterminister Munzir Haddadin de laan uit. Het toch al zwakke Jordanië verkeert in een zwakke downstream-positie ten opzichte van Israël, Syrië en Saoedi-Arabië. Doordat de eerste twee veel water aan de Jordaan onttrekken en deze vervuilen, blijft er voor Jordanië te weinig bruikbaar water over.

Extra water was voor koning Hoessein in 1994 een belangrijke reden vrede met Israël te sluiten. Volgens het vredesverdrag krijgt Jordanië jaarlijks 50 miljoen m3 water van Israël. Doordat Israël vorig jaar op uitdrukkelijk verzoek van Hoessein daarbovenop 25 miljoen m3 leverde, liep de watercrisis in Amman niet uit de hand. Het is dan ook onbegrijpelijk en wrang dat Israël, nu Hoesseins opvolger Abdallah in eigen land gezag moet zien te verwerven, deze week eenzijdig besloot komend jaar maar 40 procent van de in het verdrag afgesproken hoeveelheid te leveren, omdat het deze winter 40 procent minder heeft geregend.

De Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever staan sinds 1967 al op een karig waterrantsoen. Ze mochten geen nieuwe putten slaan, bestaande putten niet dieper maken en hun zeer beperkte geïrrigeerde landbouw niet uitbreiden, wat de economische ontwikkeling frustreerde. Een hoger watergebruik van de Palestijnen op de upstream gelegen Westelijke Jordaanoever zou immers betekenen dat er ondergronds minder water richting Israël stroomt. De watervoorziening van Palestijnse dorpen en steden is zeer gebrekkig. Dat in de joodse nederzettingen wel 24 uur per dag water uit de kraan komt en dat zij wel water voor geïrrigeerde landbouw hebben, zet veel kwaad bloed. Bovendien raken steeds meer beekjes en putten verontreinigd door afvalwater van Israëlische bedrijven. Die liggen, net als de nederzettingen, upstream op de heuvels, de Palestijnse dorpen liggen downstream in de dalen. Veel van die bedrijven zijn verhuisd naar de Westelijke Jordaanoever omdat de Israëlische milieuwetgeving daar niet geldt.

In de tot nog toe afgesloten overeenkomsten tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit zitten slechts kleine verbeteringen. Perspectieven op een eerlijke herverdeling van het beschikbare water ontbreken. Israël houdt vast aan volledige controle over de waterbronnen. Integraal waterbeheer kan hier een oplossing bieden. Het biedt een kader om de belangen van landen en sectoren tegen elkaar af te wegen. Nu neemt onder de landen Israël en onder de sectoren de (Israëlische) landbouw een dominante, bijna onaantastbare positie in. Daardoor worden de schaarse waterbronnen inefficiënt gebruikt. Binnen de Israëlische landbouw wordt het water wel efficiënt gebruikt dankzij druppelirrigatie en hergebruik van afvalwater, maar maatschappelijk gezien is het zeer inefficiënt om zoveel water aan landbouw te besteden. Twee derde van het water gaat ernaartoe, terwijl de Israëlische landbouw nog geen 3 procent bijdraagt aan het nationaal inkomen. Bij een integrale afweging zou veel minder water of vooral gezuiverd afvalwater naar de landbouw gaan, met name naar gewassen met een gering watergebruik en een hoge opbrengst. Het vrijkomende water zou allereerst ten goede moeten komen aan Palestijnse en Jordaanse huishoudens. Als er dan nog water overblijft, zou dat eerder naar Jordaanse en Palestijnse boeren moeten gaan dan naar Israëlische, omdat de laatsten meer en betere alternatieven hebben om een inkomen buiten de landbouw te verwerven. Voor Israël is water een kwestie van economie, voor de Palestijnen en Jordaniërs een kwestie van overleven.

Deel dit artikel