Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wat sou toch Hollant zijn, dan veen, en enckel sant?

Home

Cokky van Limpt

Om de hoek bij het stille, verlaten paleis Soestdijk, een eindje richting De Bilt, ligt Laag Hees. Een fraai natuurgebied waar het goed toeven is: tussen de oude boerenhoeven, weilanden, sloten en hakhoutwallen, in het bos met zijn indrukwekkende beukenlanen en op de heuvels, zandverstuivingen en de restanten van de grote heidevelden van weleer.

Nog interessanter wordt het hier rond te dolen met het boekje van de Historische Vereniging Soest in de hand: daarin is het gebied op de noordwestflank van de Utrechtse Heuvelrug via twee wandelroutes cultuurhistorisch en landschappelijk in kaart gebracht. Van de oude geschiedenis is nog een hoop terug te vinden.

De Wieksloot en de Praamgracht bijvoorbeeld herinneren regelrecht aan de periode dat hier turf werd gewonnen. En natuurlijk de Turfweg, een oude door beuken en eiken omzoomde laan die al voorkomt op kaarten uit 1674 en waarlangs het in het noordwestelijke deel van Laag Hees gestoken turf per wagen werd afgevoerd naar de Wieksloot. Daarna ging het op platte pramen via de Praamgracht of per wagen over de Zoesterdijck naar de losplaats aan de Eem. Afzetgebieden voor het gedroogde veen waren de steden Amsterdam, Amersfoort en Utrecht.

Wat nu prachtige weilanden zijn, waren vroeger veengronden die, tot de turfwinning in de Middeleeuwen begon; ze lagen wel één à twee meter hoger dan het gras nu reikt. Het moet een woest en gevaarlijk terrein zijn geweest, met heide, struiken, oerbos, zandverstuivingen, moeras en vennen met kwelwater.

Hees is ouder dan Soest, het wordt al in een oorkonde uit 838 genoemd. Het eerste serieuze menselijk ingrijpen dient zich, voor zover bekend, aan, wanneer het gebied in 1240 in handen komt van de St. Paulusabdij uit Utrecht. De geestelijke machthebbers verkavelen de grond vanuit De Zoom in het zuidoosten -waar nu het spoor Soest-Den Dolder loopt- in noordwestelijke richting, tot aan de huidige Biltseweg. Daarlangs wordt de Praamgracht gegraven en de percelen krijgen hier afwateringssloten op.

De monniken van de abdij waren niet alleen met liturgie in de weer, maar ook met de ontginning en exploitatie van woeste gronden. Dat kwam goed uit, want zij moesten in hun eigen onderhoud voorzien. Op het hoogste gedeelte van Laag Hees, bij De Zoom, stichtten en verpachtten zij zes hoeven, waarna de ontginning kon beginnen; de heide werd afgegraven, het veen kwam beschikbaar voor turfwinning, en de horigen droegen hun tienden af aan de penningmeester van de abdij.

Overal in natuurgebied Laag Hees zijn nog restanten te vinden van hakhoutwallen, die oorspronkelijk werden aangelegd als afscheiding tussen percelen en om het vee binnenboord te houden. Als gevolg van het regelmatig afhakken van jonge takken werden de wortels van de bomen steeds breder en dikker. Ook deze stobben of stoven met een omvang van soms wel vijf meter zijn nog steeds te zien, vooral in het westelijk deel van Laag Hees, dat grenst aan de gemeente Zeist.

Een sprong in de tijd brengt ons bij Andries de Wilde en Jacob Staal, twee nijvere heren die in het begin van de 19de eeuw samen meer dan tachtig procent van de gronden van Laag Hees in handen hadden en de basis hebben gelegd voor de huidige productiebossen in het gebied. De methode van toen -kaalkap, gevolgd door nieuwe aanplant- hebben de huidige eigenaren vervangen door wat heet gentegreerd bosbeheer; gedeeltelijke kap, waardoor op de open, lichte plekken spontane verjonging kan optreden door zaailingen. Het resultaat laat zich in Laag Hees aanzien: op veel plaatsen is er inmiddels een natuurlijk ogend, gevarieerd bos ontstaan.

Maar, benadrukken de auteurs van 'Laag Hees (v)erkend': ,,Dat wij als recreanten van de 21ste eeuw kunnen genieten van dit lanenstelsel, is voornamelijk te danken aan vroegere eigenaren zoals Andries de Wilde en Jacob Staal.'' Ter lering en vermaak voegen zij aan hun vermaning de volgende oude wijsheid toe van vadertje Cats: ,,Wie prijst er oyt een mensch die oude bossen velt, en weder in de plaets geen jonge planten stelt? Het ongeboren volck, dat nae ons staet te komen, behoort ook heden selfs in acht te zijn genomen: Want hadden over langh ons ouders niet geplant, wat sou toch Hollant zijn, dan veen, en enckel sant?''

Op onze rondgang door Laag Hees passeren we ook enkele hoeven en buitenplaatsen, die nog herinneren aan de illustere heren De Wilde en Staal. De namen van 'Huize Staalwijk' en 'Klein Staalwijk' spreken voor zich.

Andries de Wilde, als planter rijk geworden op Java, kocht in 1823 het landgoed Pijnenburg onder Baarn en acht kavels woeste grond op Laag Hees. Hierop ontwikkelde hij landbouwgronden en legde hij bossen aan. En iedere keer als hij een zoon kreeg, liet hij op Laag Hees een boerderij bouwen; de Andrieshoeve, Lodewijkshoeve, Christoffelhoeve en Gerritshoeve. Ook hoeve Bouwlust liet hij later bouwen. Al deze boerderijen, die hij verhuurde aan zijn vaste personeel, kregen min of meer dezelfde lange-rechthoekvorm. Die is tot op de dag van vandaag nog duidelijk te herkennen aan de Andrieshoeve (tegenwoordig 'De Kooi'), het helaas nogal verwaarloosde Bouwlust en de fraai onderhouden Christoffelhoeve.

Sporen uit het verleden te over dus en genoeg afwisseling in het landschap voor een mooie wandeling.

Deel dit artikel