Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wat rest, is de merknaam op de koelkast

Home

WIM BOEVINK

BERLIJN - Het geweeklaag over de kwaliteit van Duitsland als industrienatie en die van zijn management zal de komende dagen en weken groot zijn. Want met het definitieve einde van AEG verliest het land een van zijn oudste en meest traditierijke ondernemingen. De naam AEG die als notering aan de beurs zal verdwijnen, zal weliswaar voor de consument nog voortleven - maar de produktie van AEG-koelkasten en mixers, kortom van de huishoudelijke apparaten, is al sinds 1993 in handen van het Zweedse Elektrolux-concern.

De ondergang van AEG is in fasen verlopen en laat zich lezen als een 'kroniek van een aangekondigde dood'. Ook de overname van het concern door Daimler-Benz (in 1985) heeft dat proces hooguit kunnen vertragen en heeft de grote onderneming in Stuttgart per saldo een verlies van zeker vijf miljard mark berokkend.

De wijze waarop Daimler-Benz in de afgelopen jaren stuk voor stuk de AEG-onderdelen afstootte en verkocht en tenslotte een restant van de onderneming inlijfde - in feite de onderneming daarmee het nekschot gaf - zal door de werknemers van Fokker die volgende week maandag van het Daimler-moederconcern post mogen verwachten, met belangstelling worden gevolgd.

Vervelend voor de opeenvolgende AEG-managers (en daarmee ook voor hun Daimler-bazen in Stuttgart) is dat de neergang van het bedrijf niet zomaar valt toe te schrijven aan slechte afzetmarkten of tegenvallende conjuncturele ontwikkelingen. Want tegelijk met het verval van AEG rees de ster van aartsrivaal Siemens - die andere grote naam in de Duitse elektro-industrie.

Praktisch alles wat bij Siemens slaagde - het marktleiderschap in de communicatietechniek, de reactortechnologie van kerncentrales en bovenal de opbouw van een financiële reserve - mislukte bij AEG. Bij AEG groeiden na talrijke technische problemen alleen de verliezen en de kredietafhankelijkheid: in de jaren tachtig werden alle tien zetels in de raad van toezicht bezet door bankmanagers. De ondergang van AEG is daarmee ook - en dat is de laatste tijd wel vaker opgevallen (Schneider, Metallgesellschaft) - een brevet van onvermogen van de Duitse banken.

Bijna 113 jaar geleden, in april 1883, stichtte de Duitse ingenieur Emil Rathenau de 'Deutsche Edison Gesellschaft für angewandte Elektrizitüt'. In 1887 wijzigde hij de naam van zijn onderneming die met vijftien werknemers begon in 'Allgemeine Elektrizitüts-Gesellschaft' - de AEG dus. Binnen enkele decennia groeide het bedrijf uit tot een wereldconcern, parallel aan de enorme opbloei van de Duitse staat. In 1915 werkten 66 000 mensen voor de AEG, dat over een stamkapitaal van 150 miljoen rijksmark beschikte. Men produceerde alles wat met elektriciteit te maken had, zelfs tot en met auto's en vliegtuigen.

In de crisisjaren aan het eind van de jaren twintig volgde een terugslag, maar de grote klap kwam in 1945, nadat de onderneming negen jaar lang van de bewapeningswaanzin van de nazi's had geprofiteerd. Aan het eind van de oorlog was 75 procent van wat het concern bezat op slag verdwenen. Wat niet kapot gebombardeerd was verdween in het oosten: fabriekshallen, machines, grondarealen, alles viel in handen van de Sovjets. Wat dat aangaat had het familiebedrijf van Siemens een betere naoorlogse start: in West-Berlijn kon de onderneming blijven beschikken over de Siemens-stad en verder bevonden zich veel bedrijfsonderdelen in Zuid-Duitsland. Dat bewaarde bezit legde de basis voor het grote eigen kapitaal van Siemens.

Niettemin breidde ook AEG zich (met veel geleend vermogen) in die eerste jaren sterk uit: in 1950 werkten bij het bedrijf alweer 27 400 mensen en was de omzet gestegen tot 270 miljoen mark. De banken spendeerden gulzig kredieten. Tot in de jaren zestig hield de 'boom' in de elektro-industrie met de enorme vraag na huishoudelijke apparaten en het ontvouwende 'Wirtschaftswunder' aan: in 1966 gaf de AEG werk aan 138 000 mensen. De omzet bedroeg 4,9 miljard mark, de winst 74 miljoen. Dat waren de hoogtijdagen van de naoorlogse AEG, maar ook al in die jaren werken de verschillende bedrijfsonderdelen - krachtstroom, zwakstroom (Telefunken) en bureautechniek (Olympia) - eerder tegen dan met elkaar.

Het in Frankfurt zetelende hoofdbestuur bekommerde zich vooral om de melkkoe van het bedrijf: de huishoudelijke apparaten-divisie. Men slokte tegen hoge kosten en kredieten concurrenten als Zanussi, Zanker en Linde op, maar het bedrijfsresultaat liep onder andere door verkeerde investeringen in de kernreactor-technologie en de computertechniek terug. In 1974 keerde AEG voor het eerst geen dividend uit.

Er volgden saneringspogingen, maar in 1982 moest een noodoperatie - uitstel van betaling en kwijtschelding van een deel (2 miljard mark) van de bankschulden - het bedrijf van het faillissement redden. De nieuwe AEG-topman zette nog rigoureuzere saneringsplannen in werking. Als Daimler-Benz in 1985 (als vervulling van Edzards Reuters droom van het geïntegreerde technologieconcern dat complete verkeerssystemen kan aanbieden) het bedrijf overneemt, is die sanering in de ogen van de nieuwe eigenaar voltooid. Een fatale vergissing.

De betrekkelijk beschermde autowereld van Daimler-Benz en de kwetsbare elektro-industrie van AEG lieten zich moeilijk verenigen: men onderschatte bij Daimler hoe moordend de concurrentie was op het gebied van de datacommunicatie, de spoorwegtechniek en de industriële automatisering. Ondanks kapitaalinjecties van Daimler slaagde AEG er niet in aansluiting te vinden bij de wereldtop. Het 'verpatsen' van nog enigszins renderende AEG-onderdelen bleek uitstel van executie.

Deel dit artikel