Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wat niet past, vinden we lelijk (opinie)

Home

Martijntje Smits, filosoof en ingenieur en werkzaam bij het Rathenau Instituut

Bang dat windmolens het landschap verpesten? Ze kunnen ook elders staan. Zet ze in de stad!

Windenergie moet, windturbines zijn hun kinderziektes voorbij, maar windmolens mogen niet of nauwelijks in het landschap staan. Ze ’passen niet’. Woerden, bijvoorbeeld, krijgt niet de vier windmolens waarvoor haar gemeenteraad had gekozen. Juist op de aangewezen plek in het Groene Hart moet het landschap open blijven, vindt minister Cramer. Windmolens zijn „echt heel mooi”, zei ze bij Pauw & Witteman, „maar ze moeten wel passen binnen het landschap”.

Cramer versus Cramer: wat zij als minister van ruimtelijke ordening afkeurt, wil ze als minister van milieu bevorderen. De Nederlandse doelstelling voor 2010 is om 10 procent van de energiebehoefte te dekken met windenergie. In 2005 zaten we nog op 2,5 procent, eind dit jaar naar verwachting op ongeveer 4 procent. Het doel wordt in dit tempo bij lange na niet gehaald.

Er zijn daarvoor slechts circa 670 windmolens nodig, maar dan wel van de nieuwste generatie. Die generatie lijkt in niets meer op de windmolen die al eeuwen een icoon is van het Hollandse landschap. Het zijn reuzen van ruim 100 meter hoog (vergelijkbaar met de Euromast), en ze produceren zo’n 3 tot 5 Megawatt per jaar – een factor 50 meer dan een gemiddelde windmolen in 1992. Als je die 670 windturbines evenredig over het land zou verspreiden, zou je vanaf elk denkbaar punt vijf windmolens in het vizier hebben. Een weinig opwindende gedachte.

De kramp van Cramer, windenergie of landschap, is geen uitglijder van een minister die haar prioriteiten niet helder heeft. Het is een kramp waarin het land, of op zijn minst de beleidsmakende klasse, in gevangen zit. Die kramp steekt niet alleen de kop op bij windenergiekwesties: wat opvalt in het energiedebat is dat juist de opties die het verst zijn ontwikkeld, zoals windenergie en biomassa, op groeiende weerstand stuiten zodra ze maatschappelijk hun beslag krijgen.

Het gevolg is dat ongemakkelijke keuzes worden ontlopen met een vlucht vooruit: we zetten in op technologische beloftes die minder bouwrijp zijn. Het beleid voor windenergie verkeert in een impasse? Dan is de reflex om uit te wijken naar grote parken op zee.

Eenzelfde vlucht vooruit zie je bij het plan om CO2 op te slaan in lege olie- en gasvelden. Aan deze opties kleven, afgezien van de hoge kosten, nog veel onzekerheden. De vlucht vooruit wijst op een utopische houding: We lijken niet te accepteren dat er geen ideale oplossingen bestaan.

Deze utopische houding is niet nieuw. Wie met een historische blik naar de introductie van nieuwe technologieën kijkt, ziet een vast patroon. Zolang een nieuwe technologie nog een belofte is, wordt ze bejubeld. Kernenergie, bijvoorbeeld, werd in de jaren vijftig en zestig algemeen aangeprezen als dé oplossing voor het energievraagstuk: het zou oneindige voorraden energie opleveren, voor onvoorstelbaar lage kosten.

Maar zodra de technologie een maatschappelijk feit wordt, krijgt ze vaak het imago van een ’monster’, een wezensvreemd en bedreigend fenomeen voor de samenleving. Dat was het lot van kernenergie in de jaren zeventig en tachtig.

Bij windmolens keert dit patroon terug. De hoogoplopende emoties zijn niet te verklaren uit de risico’s en de belangen die ermee gemoeid zijn. De emotie gaat over ’horizonvervuiling’ (een typisch Nederlands begrip) en over de wezensvreemdheid van de windmolen aan het Hollandse landschap.

Alle culturen hebben hun eigen ’monsters’, het kan uiteenlopen van de geboorte van een tweeling die in sommige stammen als onrein werd beschouwd tot de angst voor ’plastics’ in de westerse samenleving, die in de jaren zeventig ook een monsterimago te verduren kregen. Het zijn ‘monsters’, niet doordat ze van zichzelf gevaarlijk zijn, maar omdat ze niet in de culturele categorieën van de symbolische orde passen. Wat niet past vinden we lelijk, vaak zelfs bedreigend en afschuwelijk.

In zulke symbolische categorieën denken we ook over ruimtelijke ordening: hoewel de grens tussen stad en land in werkelijkheid allang is vervaagd, leiden ’stad’ en ’land’ in de culturele verbeelding een hardnekkig bestaan.

Dáárom passen de windturbines met hun functionele, modernistische uiterlijk niet in het suburbane stadsgroen dat het Nederlands landschap is geworden. In onze verbeelding moet het grazig, leeg en uitgestrekt zijn, ook al vinden traditionele windmolens, treinsporen en elektriciteitsmasten er moeiteloos een plaats.

Inpassing van de windreuzen in het landschap is dus niet alleen een economisch of bestuurlijk vraagstuk, maar een cultureel vraagstuk: Het gaat om nieuwe betekenisverlening, nieuwe manieren van ’passen’.

Er bestaan kortweg vier strategieën voor de omgang met technologische ’monsters’, zo ook voor de windmolen. Uitbannen (verplaatsen naar zee), omhelzen (gewoon overal neerzetten, dus ook in het Groene Hart), aanpassen (een vergeefse poging om de windturbines zo min mogelijk te laten opvallen in het landschap, door bijvoorbeeld de kleur aan te passen, of de wijze waarop ze gegroepeerd zijn). Of assimileren (morrelen aan de culturele clichés).

De eerste strategieën zijn geen optie voor minister Cramer. Door windmolens naar zee te verplaatsen zal zij de doelstelling voor 2010 niet realiseren. De tweede optie, ze overal neerzetten, is niet aan de orde. Ook de optie om de windmolens dan maar aan te passen aan het landschap, valt af. Die leidt tot standaardisatie en monotonie.

Blijft over het assimileren van de reuzenmolens. Het verkennen van deze denkrichting heeft in elk geval al verrassende perspectieven opgeleverd. Zo opperde ontwerper Hans van Houwelingen om molens juist in een stedelijke omgeving te plaatsen. De stad is in onze beleving dynamisch, gelaagd, open voor nieuwe projecten. Daar hoeven de turbines niet met excuses te worden weggemoffeld maar ontstaan er veel meer mogelijkheden.

Met andere woorden: Het is niet nodig vast te houden aan het stroeve verbond tussen windturbines en landschap. Zodra we dit loslaten, kunnen we de windmolen domesticeren.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie