Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wat mogen woorden kosten?

Home

BAS DEN HOND

Aaron Swartz vocht voor de vrijheid van informatie en liet daarbij het leven

Mag je iemands fiets stelen? Nee, zegt de wet. Maar de meeste mensen hebben die niet nodig om het goede antwoord te bedenken. Mag je van dit artikel een kopietje maken? Nee, zegt de wet, op enkele uitzonderingen na. Maar de meeste mensen zien er nooit ofte nimmer kwaad in.

Sterker nog, sommigen zijn bereid voor ons recht om een kopietje te maken een politieke strijd te voeren. Aaron Swartz was zo iemand. Hij liet er het leven bij.

In 'The Idealist' vertelt de Amerikaanse journalist Justin Peters het boeiende verhaal van deze activist. De aanpak is orgineel, het boek is geen biografie. Want het begint niet in 1986 met de geboorte van Swartz, maar in 1450, met de uitvinding van de boekdrukkunst door Johannes Gutenberg. Dat was het moment dat woorden, informatie, met steeds grotere snelheid en in steeds grotere hoeveelheden door de wereld konden gaan stromen. En het duurde niet lang of de vraag werd gesteld: van wie zijn die woorden eigenlijk? Wie bepaalt wat ermee mag gebeuren?

Eerst kwam er censuur. In Engeland (Peters kijkt niet over zijn taalgrens heen) werd die in 1557 uitbesteed aan het drukkersgilde. Dat kreeg van koningin Maria I (Bloody Mary) een monopolie op het maken van boeken en andere publicaties, waardoor 'schandaalveroorzakende, kwaadwillige en ketterse personen' vanzelf waren uitgesloten van de openbare discussie.

Anderhalve eeuw later was de koninklijke macht in verval en het monopolie een dode letter. Maar de drukkers kwamen met een idee voor een wet waarmee ze zich concurrenten van het lijf zouden kunnen houden: auteursrecht. Schrijvers verdienden beloning voor hun nuttige productie en moesten het recht krijgen met een bepaalde drukker in zee te gaan. Dat vond gehoor. Voortaan was een schrijver voor veertien jaar eigenaar van zijn eigen werk. Daarna ging het tot het 'publieke domein' behoren. Die termijn laat zien dat woorden toch wel een aparte categorie van eigendom zijn: na verloop van tijd mag iedereen ze 'stelen' en verspreiden. Zo komt informatie zelfs binnen het bereik van de armlastigste burger. In 1987 zou futurist Stewart Brand dat samenvatten in een aforisme dat de strijdleus werd van mensen als Aaron Swartz: information wants to be free. Maar minder bekend is dat hij erop liet volgen dat informatie ook zo waardevol kan zijn voor allerlei mensen, dat er geld mee te verdienen is: information wants to be expensive - duur.

Tussen die twee extremen is de afgelopen paar eeuwen heftig gestreden. In de VS kwam er in 1790 een federale auteurswet na een lobby van één man, Noah Webster, schrijver van taalboekjes. Net als in Engeland gold vanaf toen het auteursrecht voor 14 jaar. Maar dat vond Webster nog niet goed. Want waar moesten zijn kinderen na zijn dood dan van leven? Na het gereedkomen van het eerste Amerikaans-Engelse woordenboek was hij zo beroemd, dat hij het Congres zo ver kreeg dat het auteursrecht naar 28 jaar ging.

Veel minder succes had een Britse schrijver van avonturenboeken, Frederick Marryat, die in 1837 naar Amerika kwam om een leemte in het auteursrecht aan te vechten: het gold alleen voor Amerikaanse schrijvers. Britse boeken waren vogelvrij. Amerikaanse uitgevers konden zo de onderkant van de markt bedienen met heel goedkope uitgaven. Ze wisten er natuurlijk ook een ideologische draai aan te geven: "Engels schrijverschap komt bij ons als levensnoodzakelijke lucht", schreef een uitgever aan het Congres. "Zullen wij het dan belasten en zo een barrière oprichten voor het rondgaan van intellectuele en morele verlichting?"

Natuurlijk erkennen de VS tegenwoordig het internationale auteursrecht - het land is nu zelf een enorme producent van informatie. En die informatie wordt al strenger beschermd: in 1998 kon filmstudio Walt Disney een zucht van verlichting slaken na het redden van het copyright op Mickey Mouse door het Congres: werken van voor 1978 gingen 98 jaar onder het auteursrecht vallen; werk van later datum 70 jaar. Het publieke domein was weer een stuk kleiner geworden.

Inmiddels zijn we dan al aangekomen in het tijdperk van het internet, en dat nieuwe medium kwam keihard in botsing met de lucratieve garanties die de schrijvers en bijvoorbeeld ook filmmakers hadden gekregen. Want terwijl het verbod op kopiëren strenger werd, maakte de techniek het steeds gemakkelijker.

We maken kennis met Michael Hart, die boeken uit het publieke domein begon over te typen en online te zetten: Project Gutenberg. We ontmoeten onderzoekers die voor iedereen toegankelijke bibliotheken voor zich zien waarin alle boeken van de wereld zitten. En daar is de uitvinder van het wereldwijde web, Tim Berners-Lee, die dat systeem gewoon aan de wereld cadeau deed. Ten slotte komt activist Aaron Swartz in beeld, die vond dat veel teveel informatie in databanken van de overheid werd achtergehouden. Hij pleitte voor 'Guerilla Open Access': het bemachtigen en openbaar maken van zoveel mogelijk informatie.

Uiteraard krijgt Swartz extra aandacht in het vlot geschreven boek. Zijn levensloop en de vele pogingen die hij ondernam om zijn ideaal te verwezenlijken, beslaan ongeveer de helft. Dat is veel als je kijkt naar zijn belang voor de beweging - hij was te onrustig, en te weinig sociaal, en misschien ook gewoon te jong om een effectieve leider te zijn. Maar het is ook wel weer logisch gezien de martelaarsrol die hij nu heeft.

In september 2010 raakten de computers van JSTOR, een databank voor wetenschappelijke artikelen, overbelast. Vanuit een gebouw van het MIT (Massachusetts Institute of Technology), zo bleek al gauw, kwamen in korte tijd honderdduizenden verzoeken om artikelen. Tegenmaatregelen werden omzeild. Uiteindelijk werd de politie erbij gehaald. Het bleek dat iemand een laptop in een kabelkast had verstopt en daar had aangesloten op het netwerk. Het was Aaron Swartz. Hij werd aangeklaagd voor een groot aantal computermisdrijven.

Vanaf dat moment ging het niet om zijn daderschap, maar om zijn schuld. Hoe erg was het nou wat hij had gedaan? Hoe gevaarlijk is een guerrilla die informatie wil bevrijden? JSTOR vergaf hem zijn zonde, maar MIT, ooit de eerste plaats waar een ongedwongen hackerscultuur op mocht bloeien, deed dat niet en de aanklachten bleven staan. Swartz weigerde schuld te bekennen in ruil voor strafvermindering. De aanklagers in Boston gooiden er nog een schepje bovenop: Swartz kon theoretisch voor 95 jaar de gevangenis in gaan. Op 11 januari 2013 pleegde hij zelfmoord.

Auteur Peters laat in de loop van zijn boek blijken aan wiens kant hij staat. "Het verhaal van zijn leven en dood herinnert ons er krachtig aan dat er een fundamentele kloof is tussen onze wetten en onze gewoonten, tussen de manier waarop we ons online moeten gedragen en de manier waarop we dat doen." Je hoeft het niet met Peters eens te zijn om onder de indruk te zijn van de diepte van die kloof, en de noodzaak haar te overbruggen.

Justin Peters: The Idealist

Scribner, New York; 352 blz. euro 20,99

Een boeiend verhaal, met vaart geschreven en op een bijzondere manier verpakt

Deel dit artikel