Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wat is er met de engelen gebeurd?

Home

Rob Schouten

De intrigerende Noorse roman ’Engelen vallen langzaam’ beschrijft hoe het goddelijke verdween en engelen verpieterden en verruwden door contact met de mens.

Wie de roman ’Engelen vallen langzaam’ van de jonge Noor Karl Ove Knausgård (1968) op waarde wil schatten kan maar beter iets van de bijbelse geschiedenis weten of er minstens in geïnteresseerd zijn. Het boek draait namelijk om een intrigerende theologische vraag: wat is er van de engelen geworden? In zowel het Oude als het Nieuwe Testament kom je ze in groten getale tegen, en tot in de Renaissance getuigen schilderijen van hun ’aanwezigheid’ op aarde, maar ergens na de zestiende eeuw raakt hun rol uitgespeeld. Ze veranderen in kinderachtige engeltjes, cherubijnen, putti, en verdwijnen langzaam uit zicht.

Knausgård brengt hun gestage val door de eeuwen heen intrigerend in beeld en eindigt ermee te opperen dat ze ten slotte gedegenereerd zijn tot de meeuwen die de verteller in zijn jeugd aan de Noorse kust ontwaarde.

In de verte doet ’Engelen vallen langzaam’ misschien denken aan populaire theologische hersenspinsels als van Dan Brown, die trouwens ook een boek ’Angels and demons’ schreef, maar dan overtreft Knausgård die toch door de rijkdom van zijn wereldbeeld en de kracht van zijn beschrijvingen.

’Engelen vallen langzaam’ speelt met de ideeën van de fictieve zestiende-eeuwse Italiaanse geleerde Antinous Bellori. In zijn jeugd heeft Bellori een stel engelen gezien en sindsdien beheersen ze zijn leven. Hij wijdt zijn hoofdwerk aan ze en probeert zijn leven lang hun fysieke bestaan te bewijzen.

Bellori’s theorieën leiden tot heuse theologische discussies over hun goddelijke danwel menselijke aard, maar vormen tegelijkertijd Knausgårds kapstok voor een fantastische verbeelding van de dageraad der mensheid waarin engelen eerst nog zichtbaar aanwezig zijn maar waaruit ze allengs verdwijnen. Opmerkelijk hoezeer Knausgård de bijbelse en theologische teksten over engelen volstrekt letterlijk en serieus neemt. Dit is een wereld van schepping, paradijs en zondeval. Knausgård stelt ons de engelen voor als stipte uitvoerders van Gods wilsbesluiten, die door hun bemoeienis met de mens steeds ruwer en onverschilliger worden; er ontstaat uit mesalliances zelfs een hybride, de ’nefilim’, die zich aan menselijke uitspattingen te buiten gaan.

Maar meer nog dan over die eclips der engelen gaat deze roman over de mens in wording, over onze voorvaderen wier wereldbeeld beetje bij beetje kantelt en waar de rol van het goddelijke en numineuze langzaam verwatert.

Als een waar episch dichter vult de schrijver de summiere bijbelverhalen in met zijn verbeeldingskracht en zo gaan in deze roman panoramische geschiedenissen schuil over Kaïn en Abel, Noach en de ark, Lot en zijn dochters, Ezechiël, Bellori zelf en ten slotte de Noorse verteller en zijn meeuwen.

Knausgård is een meeslepend verteller, die me zo nu en dan aan de Milton van ’Paradise Lost’ deed denken: epiek als vormgegeven ideeëngeschiedenis. Achter zijn versie van ’Kaïn en Abel’ bijvoorbeeld gaat de strijd schuil tussen oerinstincten en doorbrekende reflectie. Kaïn en Abel zijn elkaars tegenpolen. Abel luchthartig, een leeghoofd, alom geliefd, Kaïn somber, gefrustreerd maar ook vol diepgang. Je krijgt een hekel aan Abel, en sympathie voor Kaïn. Abel doet maar, martelt een stervende knecht van z’n vader, trekt zich nergens wat van aan, is eigenlijk een beest, maar Kaïn staat aan de vooravond van de beschaafde mens, intelligent, vol schuldgevoel. Je snapt ook heel goed waarom Kaïn de onuitstaanbare Abel vermoordt in die voorchristelijke wereld waarin aan de einder nog altijd het schijnsel van de cherubs zichtbaar is die het verloren gegane paradijs bewaken.

Ten tijde van Noach zijn die cherubs al helemaal van de aarde verdwenen en het mensdom worstelt met tegenslag: langdurige regen. Ook hier een uitgebreid tableau vivant waar de Bijbel zo kort is.

Noachs verhaal horen we van zijn zuster Anna. Niks mee mis denk je, gewone, stevige huisvrouw; toch mag ze niet mee de ark in, ongewenste gasten worden zelfs met een stok van het schip geslagen en bruut gedood. Weer overheerst een gevoel van onredelijkheid.

Dat het vroege aardse leven hier soms sterk op een historisch Noorwegen lijkt, met fjorden en zomerboerderijen, heeft een effect dat doet denken aan religieuze renaissanceschilderijen met hun Italiaanse of Nederlandse landschappen. Knausgårds anachronismen, oermensen die ’hoi’ tegen elkaar zeggen of ’welterusten, Noach’ doen niet gezocht of modieus aan. Integendeel, ze geven zijn verhalen een soort tijdloosheid.

Na zondeval en ark volgen de geschiedenissen van Lot, toonbeeld van kruiperige zwakte en opportunisme, die al aardig vermenselijkte engelen op bezoek krijgt: Ezechiël, een halve zwerver die in zichzelf loopt te mompelen, Bellori die de laatste engelen ziet rondzwerven en het alter ego van de schrijver die zich verwondert over die om aandacht schreeuwende meeuwen.

Knausgård beschrijft zijn personages herkenbaar, in zwakte en alledaagsheid, maar je voelt zo nu en dan de vooruitgang in hun denken schemeren. Zoals hier: Anna probeert een onvruchtbare rots met aarde te bedekken, hopend dat daar iets zal gaan bloeien. Haar behoudende man verzet zich: „Het helpt niets! Het ziet er misschien beter uit. Maar het ís niet beter. Goed is wat nuttig is. Niets is beter dan wat nuttig is. En dan moet jij met alle geweld het land versieren. Heb je ooit zoiets stoms gehoord! Het land versieren.”

Trial and error van de mensheid in wording tegen een achtergrond van verpieterende engelen. In de laatste hoofdstukken treden Gods gevleugelde dienaren al nauwelijks meer op, ten teken dat hun rol is uitgespeeld. Zo is Knausgårds roman in laatste instantie een epos over de dood van God, het goddelijke dat plaats heeft gemaakt voor het menselijke, de oertijd die plaats heeft gemaakt voor de onze.

Deel dit artikel