Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

was getekend, Sint en Piet

Home

JAN DE BAS

Al eeuwen slaan miljoenen Nederlanders rond 5 december aan het dichten. Onder hen Bernlef, Annie M.G. Schmidt en Leo Vroman. Waarom maken literaire dichters Sinterklaaspoëzie?

Socioloog Herman Vuijsje constateert in ''t Is niet de bedoeling te verwijten. Het zijn gewoon wat blote feiten' (1984) dat Nederlanders en Vlamingen dichten om elkaar op speelse wijze eens flink de waarheid te zeggen. Of om elkaar via de poëzie te verrassen met complimenten. Sinterklaasgedichten binden hierdoor de leden van een groep en memoreren de groepsgeschiedenis. Ze conserveren de goede, humoristische en markante herinneringen aan het voorbije jaar. Vuijsje analyseerde 650 gedichten die geschreven werden in 1982 en 1983. Hij constateert dat de helft van de verzen spottend van toon is of een moraliserende strekking bezit. Ook geven de gelegenheidsdichters op 5 december regelmatig commentaar op maatschappelijke ontwikkelingen.

Waarom we met sinterklaas gedichten zijn gaan schrijven is niet met zekerheid te zeggen. De herkomst van de 5-decemberpoëzie is net zo schimmig als de vroege geschiedenis van het fenomeen Sint Nicolaas zelf. Het heeft volgens filoloog Rita Ghesquire te maken met de secularisatie van liturgische teksten die tijdens de Sint-Nicolaasmis werden gezongen of voorgelezen.

Neerlandicus en dichter Willem Wilmink stelt dat het vanaf 1800 de gewoonte was om het geven van cadeaus te vergezellen van een gedicht, ook op 5 december. Er ontstond een traditie om het gedicht te wijden aan de ontvanger van het presentje. De traditie aan hoven om te dichten bij cadeaus werd door lagere groepen in de samenleving overgenomen om 'erbij' te kunnen horen.

Literaire sintpoëzie
Dichter Ingmar Heytze zei in 2001 in het katholieke opinieblad De Bazuin: 'Sinterklaaspoëzie dient natuurlijk een totaal ander doel dan vrije poëzie. Sterker nog: het belangrijkste verschil is dat een sinterklaasgedicht überhaupt een doel heeft. Zo'n gedicht moet op een grappige manier een cadeau begeleiden. Het moet rijmen en dat is meteen de enorme beperking ervan. Je moet je dwingen tot een bepaalde vorm en het moet ook nog eens over het cadeau gaan.'

Voor de bundel 'Sinterklaas. De mooiste Sinterklaasgedichten uit de Nederlandse literatuur' selecteerden Arie Bijl en ik een paar honderd gedichten. Behalve het subjectieve criterium dat een gedicht technisch 'mooi en goed' moest zijn, keken we naar de literair-historische waarde en de toegankelijkheid van de gedichten. In de bundel werden 135 gedichten opgenomen, van onder meer Bernlef, Ed Hoornik, Pierre Kemp, Paul van Oostaaijen, A. Roland Holst, Alex de Roode en Ilse Starkenburg.

Sint blijkt een inspiratiebron voor verschillende generaties dichters. Heytze gaf als kenmerk en voorwaarde van het sinterklaasvers dat het moest rijmen. Veel literaire dichters hielden zich niet aan deze beperking van creativiteit en gebruikten andere poëtische stijlvormen om hun gedachten over de Sint en zijn feest te verdichten.

Pedagogische onderwerpen
Waar gaan literaire 5-decembergedichten over? In de oudste sinterklaaspoëzie gaat het er vooral om het gedrag van jonge lezers te corrigeren. De Sint zelf komt hierbij niet eens ter sprake. Een voorbeeld hiervan is 'Klaasje en Pietje' van Hieronymus van Alphen.

Klaasje

Pietje, zo gij niet wilt deugen,

Dan verschijnt de zwarte man.

Pietje

Klaasje foei, dat is een leugen!

Laat hem komen, als hij kan.

Die aan zulk een man gelooft,

Is van zijn verstand beroofd.

Het gedichtje van Van Alphen (1746-1803) bestaat uit een dialoog tussen twee kinderen, die - o, hoe toevallig - ook Piet en Klaas heten. Uit het versje wordt duidelijk dat het geloof in, en dientengevolge het dreigen met Piet geen uitgemaakte zaak is.

In 1845 laat schoolmeester-schrijver Jan Schenkman de goede Sint in Nederland arriveren per stoomboot, in die tijd een modern vervoermiddel. Dit gebeurt in 'Sint Nicolaas en zijn knecht'. Sint komt samen met Zwarte Piet. Het lange gedicht, dat later uitgroeide tot het meest populaire sinterklaaslied, is doorspekt van pedagogische noties, waarvan de volgende wel het meest bekend is: 'Wie zoet was krijgt lekkers,/'Wie stout is - een roê.'.

De opvoedkundige intenties blijven ook na 1845 in de gedichten aanwezig. Vanaf het einde van de jaren vijftig van de twintigste eeuw is de goedheiligman conform verworven pedagogische inzichten minder streng. Sint en Piet krijgen humane trekken. Dit blijkt uit het dialooggedicht 'Berisping op de daken' van de Limburgse dichter Pierre Kemp (1886-1967). Het gedicht verscheen samen met diverse andere sintgedichten in dagblad De Tijd van 4 december 1954. In het gedicht van de PC-Hooftprijswinnaar is Sint de goede wijze man, die dit keer geen kinderen vermaant, maar het nodig vindt zijn donkere metgezel te corrigeren: 'De Zwarte Piet mag wel eens hijgen:/Waren de kind'ren maar liever stout./De Goede Sint keert zich al om: Piet! Zwijgen!/Doe nu niet of je niet van kind'ren houdt.'

Sint-Nicolaas is in de tweede helft van de twintigste eeuw volledig geseculariseerd. Hij is niet langer een katholieke geestelijke, maar een nationale kindervriend. In 1947 werd hij tijdens zijn landelijke intocht in Amsterdam hartelijke verwelkomd door het protestantse koninklijke gezin.

Protestanten noemden de Sint bij voorkeur 'Sinterklaas'. Een aanhef die ook steeds vaker in advertenties en gedichten te lezen viel. Sinterklaas werd een lieve en vriendelijke oude heer die zich soms wat onhandig in het openbaar voortbewoog en waar je kleine en onschuldige grapjes over kon maken. Sint werd voer voor light verse-dichters als Kees Stip, zoals blijkt uit onderstaande limerick, waarin de Sint in gesprek is met zijn trouwe witte viervoeter:

Op een schimmelpaard

Het schimmelpaard van Sinterklaas

ontmoette plotseling zijn baas.

'Ik ben,' zo sprak de Sint beknopt,

'per vliegtuig uit de lucht gedropt.'

- 'Dat dacht ik al,' sprak toen dat paard:

'U hebt een droplucht aan uw baard.'

Eind jaren zestig van de vorige eeuw kreeg menig sinterklaasgedicht het karakter van een maatschappijkritische tekst. Steeds meer literaire dichters lieten het traditionele eindrijm los, waardoor de gedichten meer prozaïsch werden.

Annie M.G. Schmidt gebruikte het gedicht rond de verjaardag van de Sint om vanzelfsprekendheden in de opvoeding op ironische wijze te becommentariëren. Ze schreef de gedichten voor kinderen, maar ging er vanuit dat ouderen over hun schouders meelazen of de gedichten aan de kinderen voorlazen. Schmidt uit in haar 'Verlanglijstje negatief' impliciete kritiek op het materialisme dat regelmatig 'misère' oplevert en dat ze als bedreiging ziet van oerwaarden die het feest van de Sint kenmerken: aandacht, gezelligheid en liefde. Ze dicht over spullen die ze liever niet van Sint wil ontvangen. Het vers geeft indirect een mooi beeld van wat in de jaren zestig allemaal wél gevraagd werd:

'En astublieft vooral geen nécessaire

en astublieft geen manicure-étui,

ik heb die dingen allebei, en zie,

zij geven mij uitsluitend veel misère.

Wel, als u dan bepaald iets voor ons zoekt:

geef ons geen pressure cooker per abuis.

Er is al voldoende pressure in ons huis,

wij zijn er al compleet gaarge-cook-t.

Geen sjaaltje met I love you, en geen vaasje...

Ziezo, dat was het. Dank u, Sinterklaasje.'

Geloof en nostalgie blijven
In de laatste decennia van de vorige eeuw werden regelmatig sinterklaasgedichten geschreven waarin dichters twijfelen over het geloof in God. De dichter ziet een directe relatie tussen het godsgeloof en Sinterklaasgeloof. Dichters zijn daarin niet uniek. Psychotherapeute Riekje Boswijk-Hummel schrijft in 'Sinterklaas en God'(1999) over persoonlijke geloofsdilemma's en identiteitsproblemen die bij de ontdekking van het niet-bestaan van Sint spelen. Dichter A. Marja zag het in 1938 nog anders: 'Weer doen wij ons aan marsepein tegoed:/ al ligt de wereld machteloos te bloeden,/ God zal òns feest, òns Neerland wel behoeden: /o, Sinterklaas, wij waren braaf en zoet!'

Sint en God waren voor Marja twee verschillende grootheden, maar collega-dichter J.P. Guépin identificeert 'zijn Sint' met 'zijn god'. Hij speelt met het geloof in beide entiteiten door in de titel van zijn gedicht het woord 'god' op te nemen en in het gedicht te schrijven over Sinterklaas. Je kunt in het gedicht lezen dat god als verdwaalde vreemdeling tevergeefs een beroep doet op mensen. Mensen die, zo lijkt Guépin te beweren, anders hadden gereageerd wanneer een god was verschenen die voldeed aan traditionele conventies. Bedoelt de dichter een man met een lange witte baard?

Over god

Ken je Sinterklaas?

Alleen in vermomming.

Dus, als hij onverhuld voor je staat,

als hij, nat en vies, smeekt toegelaten te worden in je huis,

als hij, nederig, om een maaltijd bedelt?

Dan doe ik net of hij niet bestaat.

Dichters zouden geen dichters zijn als ze het Sint-Nicolaasgedicht niet gebruikten om over sinterklaaspoëzie te schrijven. Deze vorm van zelfreflectie doet vooral opgang aan het eind van de twintigste eeuw. Dichter Jan Kal haalt in het vers 'Sinterklaasinkopen' collega Leo Vroman aan: 'Zo onverwacht als de reflexstroomstootjes/ is het effect van sinterklaascadeautjes/ met hun surprises op 't familiefeest.// Die vondst gaf Leo Vroman mij cadeau/ toen ik hem dit sonnet gaf, maar niet zo,/want het sestet was zwakker dan je leest.'

Het is de vraag hoe toegankelijk zulke poëzie over poëzie is.

Tenslotte blijven dichters oog houden voor het feest als onderhoudend cultureel verschijnsel met 'alles' wat daarbij hoort: snoepgoed, surprises, samenzang en een gezellige pakjesavond. Het feest evolueerde. Piet was niet langer de slaafse assistent van Sint, maar werd meer een autonoom personage naast de goede Sint. In de multiculturele samenleving die Nederland was geworden, waren zelfs felle protesten tegen Piet te horen of klonk de roep om gekleurde Pieten. In de literaire sinterklaaspoëzie lezen we hier overigens weinig over terug.

Literaire dichters schrijven in de loop der tijd steeds vaker vanuit een metaperspectief over het feest van de Sint. Ze gebruiken hun poëtica om hun werk een extra dimensie te geven. De Sint was en bleef voor menig dichter vooral de inspiratiebron van een nostalgisch gedicht waarin met weemoed en dubbelzinnig verlangen wordt teruggekeken op de goede kindertijd. Zo schreef Jotie 't Hooft over 6 december: 'Bittere smaak van marsepein tussen de tanden,/ St.-Nicolaas in chocolade verging het even slecht.'

En Lenze Bouwers verbaasde zich op kinderlijke wijze in de jaren tachtig van de vorige eeuw over de mysterieuze jaarlijkse wederopstanding van de goede Sint, want 'begin december komt hij weer tot leven'.

In zijn treffende rondeel bewaart hij de verbazing en de geheimen die de viering van het feest zo kenmerken.

'begin december komt hij weer tot leven,

beschermheilige, die eens de geest gaf

aan kinderen - gekuipt als vlees voor even

en onbereikbaar voor zijn knik en staf -

begin december komt hij weer tot leven,

vaart zeer plechtstatig binnen uit de dreven

van dichte mist, zijn onbekende graf;

begin december komt hij weer tot leven'

Jan de Bas en Arie Bijl (samenstelling): Sinterklaas. De mooiste Sinterklaasgedichten uit de Nederlandse literatuur. (Muntinga, 2009)

Voertuigen van de Sint
Zestien jaar was Cor van der Grond toen hij in 1946 naar de redactie van de Emmer Courant stapte met het idee om een serie van zes ludieke tekeningen te maken over het vervoer van Sinterklaas voor, tijdens en na de oorlog. "Dat vonden ze direct een goed plan. Ik kreeg twee gulden vijftig per tekening. Een journalist van de Emmer Courant, C. Pit jr., schreef een stukje bij elke tekening."

Van der Grond maakte met veel geduld pentekeningen van Sinterklaas te paard (1939), op de fiets omdat zijn paard door 'de Moffen' was gevorderd (1942), op een houten paard met gas-generator toen ook zijn fiets was gevorderd (1943), in een legerjeep 'van de Canadeezen' (bevrijdingsjaar 1945), in een Amerikaanse 'stroomlijnwagen' (1946) en, als toekomstbeeld, in een 'wonderlijke machine door het luchtruim' oftewel een raket (2000).

De Emmer Courant werd uitgegeven door boekhandel Ten Kate. Daarover liet Pit geen misverstand bestaan, want in elke begeleidende tekst kwam de boekhandel wel ter sprake. "Vanzelfsprekend gaat Sinterklaas ook nu weer aan bij boekhandel Ten Kate, waar zooveel moois te krijgen is op het gebied van romans, kinderboeken en -spelen en wat niet al."

De tekeningen zijn pas onlangs weer uit het archief van Cor van der Grond tevoorschijn gekomen, voor een tentoonstelling in zijn woonplaats De Bilt. "Kinderen vonden het prachtig. En mensen van onze generatie grinnikten om het houten paard met de gas-generator." Zo'n op hout gestookte generator werd in de laatste oorlogsjaren voor auto's en autobussen gebruikt toen er nauwelijks meer aan brandstof te komen was.

Cor van der Grond kon na enige omzwervingen van zijn hobby zijn beroep maken. Hij ging als medisch tekenaar werken bij de audiovisuele dienst van de Rijksuniversiteit Utrecht. Voor medische tekenfilms kreeg Van der Grond verschillende internationale prijzen. Na zijn pensionering is hij blijven tekenen en schilderen.

Deel dit artikel