Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wachten in de torenkamer

Home

PETER SIERKSMA

De liefde voor het dichterschap werd bij Adrianus Cornelis Den Besten (Utrecht, 11 maart 1923) al vroeg gevoed door Hendrik Marsman.

Voor de oorlog was Marsman als jurist geassocieerd met Den Bestens vader en werkte in een kamer aan de achterkant van het huis van de familie in de Lange Nieuwstraat. Den Besten: “Je kunt niet zeggen dat ik door mijn kennis aan Marsman tot de poëzie gekomen ben. Wel straalde hij iets bijzonders uit. Het was een stille, bescheiden man met een wat dromerige blik en tamelijk blauwe ogen. Hij maakte grote indruk op me. Zijn werk las ik nog niet, ik was een jaar of negen, dat kwam later pas. Ik heb de poëzie pas echt ontdekt op het gymnasium, dankzij de lessen van mijn lerares Duits, Bella Jansen. Bij wijze van spraakoefening moesten wij op zaterdagochtenden een voor een voor de klas komen en naar eigen keuze een gedicht voorlezen uit 'Goldne Wörte deutscher Dichter'. Zo kwam ik in contact met de poëzie van Rilke en Hölderlin. Ik herinner me nog dat ik 'Herbst des Lebens' voordroeg. Prachtig vond ik dat.”

In die periode schrijft Den Besten zelf ook zijn eerste gedichten. In 1939 debuteert hij na een ontmoeting met Roel Houwink in 'Opwaartsche wegen'. Weer een jaar later neemt ook Ed. Hoornik enkele gedichten van hem op in 'Criterium'.

Het debuut valt samen met het begin van de oorlog. Voor Den Besten een verwarrende periode, mede vanwege de positie die zijn vader inneemt. Den Besten: “Ik ben opgegroeid in een zeer deutsch-freundlich milieu met alle gevaarlijke kanten die daar aan zaten. Mijn vader - goddank al in 1933 van mijn moeder gescheiden zeg ik achteraf - was lid van de NSB. Al vroeg was ik vertrouwd met allerlei Duitse ooms en tantes. Dat waren de intussen ouder geworden oorlogspleegkinderen die mijn grootouders van beide zijden na 1918 in huis hadden genomen en van wie er verschillende in de Hitlertijd de verkeerde kant uit zijn gegaan.”

Om zijn vader, die als burgemeester van Apeldoorn door de bezetter was ontslagen omdat hij had geweigerd speciaal 'joodse' fietsen te vorderen, niet verder in het nauw te brengen, bracht hij nu zichzelf in de problemen. Hij tekende in april 1943 de beruchte loyaliteitsverklaring, bevreesd dat niet-tekenen van de nog minderjarige zoon op zijn vader verhaald zou worden, maar wel onder voorbehoud: loyaal 'alleen voorzover in overeenstemming met mijn geloof in Jezus Christus'.

Den Besten: “Dat nemen ze nooit, zei mijn vader. Maar ze namen het wel. Zodat ik dus eigenlijk had kunnen verder studeren en ook verder geen gevaar liep, zoals mijn niet-tekenende medestudenten. Om mijn solidariteit met hen te tonen, heb ik me, toen zij werden opgeroepen voor de Arbeitseinsatz met hen gemeld voor tewerkstelling in Duitsland. Het kwam niet in mijn hoofd op om te blijven. Ik sprak er verder overigens nauwelijks over. Ik kon toch moeilijk tegen mijn lotgenoten zeggen: ik heb me aangemeld uit solidariteit met jullie.”

“In Berlijn kwam ik terecht op een kantoor van de AEG in Oberschöneweide vlakbij Köpenick aan de Spree. In maart '44 kreeg ik difterie. Veel mensen stierven daar aan, maar dankzij de goede contacten die ik had met medechristenen buiten het kamp, heb ik het gered. Een van hen was Vikarin Rose, zij was hulpprediker in de Bekennende Kirche en nodigde ons, Nederlandse studenten, vaak bij zich aan huis uitvoor lezingen en muziekavonden. Zij kreeg in de gaten dat ik ernstig ziek was en heeft mij door haar eigen arts laten verzorgen.”

“In mei volgde de verhuizing van mijn AEG-afdeling naar Bautzen, een stadje achter Dresden. Het was een uiterst onplezierige tijd. Het kamp waar ik sliep lag binnen de fabrieksmuren en ik stond onder voortdurende inspectie. “Toen mijn chef naar het front vertrok, kwam ik in een benarde positie terecht, omdat ik geacht werd hem te vervangen. Ik herinner me dat ik op een gegeven moment iemand bij me kreeg die mij meedeelde dat ze bij een bepaalde afdeling van de Wehrmacht ontvangstapparatuur hadden besteld en zendapparatuur hadden gekregen. Een soort soldaat Schwejk? Ja, zoiets leek het wel.”

“Maar ik wist echt van toeten noch blazen. Dus kneep ik hem erg. Maar net toen ik dacht: hoe moet ik me hier uit redden, kwam er een seintje dat ik naar Nederland terugmocht. Want mijn moeder had inmiddels ontdekt dat ik als theoloog überhaupt niet naar Duitsland had gehoeven. Theologen gingen vrijuit. De Hervormde synode heeft zich daar nogal sterk voor gemaakt. Zo heb ik achteraf gehoord dat er voor we naar Berlijn gingen, al in het kamp van Ommen werd meegedeeld dat theologen naar huis terug mochten. Maar dat is mij destijds ontgaan.”

“ Uiteindelijk was de terugtocht nog zeer precair. Ik mocht vertrekken op 21 juli. Maar net op 20 juli vond de bekende aanslag op Hitler plaats. Toen zeiden mijn kornuiten in Berlijn, waar ik weer naar terug moest om de laatste papieren in orde te laten maken: 'Jij komt er niet meer uit. Straks wordt de grens dichtgemaakt. Dus maak dat je wegkomt. Er gaat vannacht nog een trein'. Dat risico heb ik toen genomen.”

Na de oorlog kreeg Den Besten een baan aangeboden als redacteur bij uitgeverij Holland, waar hij in het begin van de jaren vijftig de bekende Windroos-serie opzette en de weg bereidde voor zeer uiteenlopende jonge dichters als Hans Andreus, Guillaume van der Graft, Willem van der Molen, Jan Hanlo, Simon Vinkenoog, Remco Campert, Paul Rodenko, Sybren Polet, Coert Poort, Gerrit Kouwenaar, Jan Wit, Henk van Tienhoven, Wim Schulte Nordholt en Hans Warren.

Den Besten over zijn rol als pleitbezorger voor de eerste naoorlogse generatie dichters: “Mijn baas, de oude J. B. van Ulzen, liet al heel snel de fondsvorming aan mij over. Dat was ook de bedoeling, al verweet hij mij wel een beetje dat ik te weinig aandacht besteedde aan de typisch christelijke Holland-auteurs van voor de oorlog, zoals De Mérode en Van Randwijk. Maar die mentor-rol, die lag mij wel. Ik vond het leuk om anderen te stimuleren. Ik ben ook een sociaal dier. Maak gemakkelijk vrienden. Dat heeft denk ik ook meegespeeld.”

U heeft veel Vijftigers gebracht, maar toch lijkt het alsof u met hun pleidooi voor een nieuwe taal niet uit de voeten kon.

“Ik ben altijd een groot liefhebber geweest van de taal zoals die was en had niet zo'n vreselijke behoefte aan een nieuwe taal. Met de 'Liedboekdichters', onder wie Willem Barnard, Klaas Heeroma, Jan Wit, Wim Schulte Nordholt en aanvankelijk ook Willem van der Molen kozen we uiteindelijk toch voor de taal, die wij kenden. Een taal ook waarvan wij dachten dat die ook in de gemeente verstaan zou worden.”

“Wij vonden, anders dan de Vijftigers, dat poëzie ook ambachtelijk goed gemaakt moest zijn. Het geldt wat mij betref nog steeds. Poëzie moet vorm hebben. De vorm moet overtuigen, er mag geen onnodig woord in staan. Elk woord moet een duidelijke functie hebben. Aan de andere kant staat daar een religieus, magisch bewustzijn tegenover, vandaar ook dat wij wel de mythologische dichters genoemd werden.”

Het ging u om meer om uw hele generatie dan om de Vijftigers in engere zin?

“De Vijftigers waren jong en wilden wat, maar wij waren ook jong en wilden ook wat. Alleen wij hadden niet dat 'op de markt mikkende' wat er bij de dichters van vijftig al sterk in zat. Ik vond die nadrukkelijke presentatie overigens soms wel heel leuk hoor. Ik herinner me nog de inhuldiging van Lucebert als keizer van de vijftigers, dat was toch iets geheel nieuws en bijzonders. Maar zij hadden ook de kracht om alles weg te spelen wat zij niet konden waarderen, waardoor andere, in mijn ogen eveneens goede dichters als Guillaume van der Graft en ook de vrijwel vergeten Coert Poort en Henk van Tienhoven, met wiens 'Verzameld werk' ik nu bezig ben, ondergewaardeerd werden.”

Na Dubbel leven (1946), Verleden tijd (1950) en Tegen mijn verlies (1957) duurde het tot 1973 voor u met 'Een stem boven het water uit' opnieuw met eigen werk kwam. Daarna werd het weer stil. Heeft het u nooit gestoord dat uw eigen dichterschap al zo vroeg ondergesneeuwd is door het dienstbare en wetenschappelijke werk in de vorm van uw bijdrage aan het Liedboek voor de Kerken (1973), de studie over het Wilhelmus (1983) en de vertaling van de gedichten van Hölderlin (1988)?

“Als ik terugzie op de dingen die ik wel en niet gedaan heb, denk ik wel eens: 'het is eigenlijk toch best jammer dat. . .' Maar het liep nu eenmaal niet anders. Bij uitgeverij Holland ben ik al snel in een bepaalde rol gegroeid. Ik kon vrijwel doen wat ik wou, en daartoe behoorde met name het een kans geven aan jonge dichters van mijn eigen generatie. Bovendien, vergeet niet, dat uitgeversvak vreet je op. Daarbij houd je weinig tijd over voor een persoonlijk leven. Ik moest daar dus niet te lang blijven hangen.”

“Over dat eigen dichterschap gesproken. Door mijn werk na 1958 aan de universiteit merkte ik dat het niet gunstig is om je leven als het ware in dienst te stellen van de communicatie van literatuur. Bovendien, als je zo intensief met de groten bezig bent. . . Kafka, Hölderlin, Rilke, Bobrowski. . . ga je je meer dan wenselijk is afvragen: Wat moet ik hier nog voor wezenlijks aan bijdragen? Met andere woorden: het frustreerde je als dichter.”

Het brengt hem op zijn grote dichterliefde, Hölderlin (1770-1843). Wat raakt hem zo in die vertwijfelde, romantische dichter, die, half krankzinnig verklaard, zijn leven eindigde in een torenkamer in Tübingen?

“Het is zijn lijden aan zijn tijd en aan God. Als ik tegenwoordig in de boekwinkel een dichtbundel ter hand neem, dan denk ik vaak: 'Dat kan ik allemaal zó lezen en begrijpen.' Er zit verder niets in of achter. Maar als het woord niet scheppend bezig is, dan hoeft het voor mij niet. Wanneer er over dingetjes gepraat wordt, interesseert mij dat geen ene moer. Pas wanneer ik het gevoel heb dat de dingen die gezegd worden bestaan bij de gratie van het woord, en dan bedoel ik het woord dat naam geeft, dat dingen in het bewustzijn oproept die er tevoren niet waren, in het dichterlijke bewustzijn zelf, pas dan boeit het me.”

“Goede poëzie laat veel te raden over. Je leest een woord en daarna lees je dat woord in relatie tot andere woorden, en dan weeg je alles opnieuw. En zo, al zoekend, probeer je door te dringen tot het geheim dat zich achter de woorden verscholen houdt. . . Poëzie als magie, dat is het eigenlijk.”

Dus je mag er ook wel wat moeite voor doen om de Graal te naderen. . .?

Den Besten: “Ja, dat is een aardig beeld. Zo'n titel 'Brot und Wein' bijvoorbeeld zegt al iets. Je voelt dat Hölderlins poëzie behalve in de klassieke ook in de christelijke traditie gegrond is.”

Dan: “Een van de grootste problemen waar Hölderlin mee worstelde was 'die Fehl Gottes' - het ontbreken van God - en de gevolgen die dat zou hebben. Eigenlijk zat hij daar in zijn torenkamer alleen maar te wachten. Te wachten op de openbaring van die God, die zich al zolang verscholen hield. Dat zie je ook terug bij Heidegger, een van de grote Hölderlin-interpreten. Heidegger heeft al heel vroeg van het geloof afscheid genomen, maar wist dat de bijbel noties bevatte zonder welke er geen authentiek leven mogelijk is.

Kort en goed, Hölderlin was dus een van de eerste dichters die zich bewust was van de afwezige God. Tegenwoordig is dat geen kwestie meer. Sterker, we hebben er ook geen last meer van. Maar Hölderlin wel. Hij voelde dat er na het wegvallen van God eigenlijk niet meer te leven viel, terwijl hij dat wel moest. Hölderlin leed daar onder. En het ergste is misschien dat wij dat in onze tijd nauwelijks meer kunnen begrijpen.''

Deel dit artikel