Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Waarom Turkije niet mag toetreden tot de Europese Unie

Home

door László Marácz

Op 17 december besluiten de Europese regeringsleiders of de onderhandelingen over de toetreding van Turkije tot de Europese Unie kunnen beginnen. László Marácz - universitair docent Europese studies aan de Universiteit van Amsterdam - komt tot de conclusie dat 'een toetreding van Turkije tot de Europese Unie een onverantwoordelijke onderneming is, een gevaarlijk avontuur met een onzekere uitkomst die de stabiliteit van de EU alleen maar kan ondermijnen.'

De Europese Unie tekende op 12 september 1963 een associatie-akkoord met Turkije, dat op 1 december 1964 van kracht werd. Turkije heeft het lidmaatschap van de EU in april 1987 aangevraagd. In december 1997 werd Turkije op de top van de Europese Raad in Luxemburg van de lijst met kandidaatleden afgevoerd. De Turkse regering bevroor daarop haar contacten met de EU tot 1999. Op de top in december 1999 in Helsinki werd het verzoek tot lidmaatschap van Turkije weer gehonoreerd. Op de top van de Europese Raad in december 2002 in Kopenhagen stelden de Europese regeringsleiders criteria op waaraan Turkije moet voldoen. In oktober 2004 besluit de Europese Commissie dat Turkije aan deze criteria voldoet, zodat de onderhandelingen over toetreding met de EU kunnen worden begonnen. Om de 'pre-accessie' van Turkije te bespoedigen heeft de EU Turkije inmiddels een subsidie van 1050 miljoen euro toegekend voor de periode van 2004 tot 2006.

Een gewelddadige geschiedenis

Om de toetreding van Turkije tot de Europese Unie (EU) acceptabel te maken, wordt de laatste tijd geprobeerd de voorloper van het huidige Turkije, het Ottomaanse rijk, voor te stellen als een bakermat van tolerantie. Dit is een klassiek voorbeeld van misbruik van de geschiedenis voor politieke doeleinden. Het Ottomaanse rijk - gesticht door sultan Osman (1281-1324) - heeft juist een gewelddadige geschiedenis doorgemaakt, mede onder invloed van de islam. Op de Balkan kon het Ottomaanse rijk expanderen doordat de sultans met grote inzet de heilige oorlog (djihad) voerden, met behulp van agressieve islamitische strijders, de ghazi's. De djihad had succes. In 1453 werd na een lange belegering de hoofdstad van het Byzantijnse rijk, Constantinopel, veroverd. De Turken noemden deze stad Istanboel. Na de val van Constantinopel werd in een hoog tempo de Balkan veroverd.

De Bulgaarse historicus Hristov schrijft over de bezetting van Bulgarije door de Turken: 'De Turkse heerschappij is de somberste periode in de geschiedenis van het Bulgaarse volk, een periode van bijna 500 jaar vreemde overheersing. Het bestaan van de Bulgaren als een natie werd bedreigd door de brute onderdrukking en uitbuiting waaraan zij door de Turkse veroveraars werden onderworpen. De verovering van Bulgarije ging gepaard met de vernietiging van hele steden en dorpen, en met de vernietiging, slavernij en verdrijving van de bevolking. Vele kerken en kloosters werden vernield en voor lange tijd was het verboden ze weer op te bouwen.'

Toen het Ottomaanse leger onder Suleiman de Schitterende in 1526 bij Mohács het Hongaarse koninklijke leger verpletterend had verslagen, viel Hongarije hetzelfde noodlot ten deel als Bulgarije. Het enige verschil was dat de bezetting van Hongarije geen 500 jaar maar 'slechts' 150 jaar duurde. Die 150 jaar waren voor Hongarije catastrofaal. Het land werd geplunderd en verwoest, en raakte ontvolkt.

Het Ottomaanse rijk kenmerkte zich door een islamitische cultuur die fundamenteel afwijkt van het joods-christelijk erfgoed dat zo bepalend is voor de cultuur van het Europese continent. De absolute grondslag van de Ottomaanse autoriteit was de islamitische wet, de sjaria. De sjaria werd gecontroleerd en eventueel aangepast aan andere omstandigheden door juridische experts, de oelema's. De islam bleef echter altijd de ultieme bron van alle gezag en legitimiteit in de moslimsamenleving.

Van de sjaria werd ook het millet-systeem afgeleid, bepaald geen schoolvoorbeeld van tolerantie en naastenliefde. De belangrijkste geloofsgemeenschappen in het Ottomaanse rijk -islamieten, orthodoxe christenen, Armenen en joden - werden met behulp van dit milletsysteem gescheiden. Het was een zuiver apartheidssysteem dat hiërarchisch geordend was: de moslimgemeenschap stond hoger dan de geloofsgemeenschappen van niet-moslims.

Niet-moslims werden op tal van maatschappelijke terreinen gediscrimineerd in het Ottomaanse rijk: paardrijden en het dragen van wapens waren voor hen verboden, en ze dienden zich ook in uiterlijk van de ware gelovigen te onderscheiden. Het dragen van groene kleding was voor hen verboden. Ze mochten geen fraaier huis hebben dan moslims en moesten meer belasting betalen. Tot de zeventiende eeuw konden orthodoxe christenen deze belasting ook betalen in de vorm van kinderen. De jongens werden dan ingelijfd in het elitekorps van de sultan, de janitsaren, dat de drijvende kracht was achter de imperialistische veroveringen in Centraal- en Oost-Europa, Noord-Afrika en het Arabische kernland.

Na de verovering van Palestina en het Arabische kernland werd de Turkse sultan niet alleen de hoogste gezagsdrager in de islamitische wereld maar ook de hoogste geestelijk leider, de zogeheten 'kalief van de Islam'. De sultan hield zich voornamelijk bezig met militaire aangelegenheden en islamitische zaken. Vandaar dat al vanaf de zestiende eeuw in het Ottomaanse rijk een islamitische behoudzucht de overhand kreeg die remmend werkte op de maatschappelijke en technologische vernieuwing van het rijk. Deze behoudzucht, gedragen door de oelema's en het milletsysteem, kon zich tot ver in de negentiende eeuw handhaven.

Onder leiding van Mustafa Kemal Atatürk werd tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog (1918-1923) afgerekend met de sultan en de islamitische instellingen van het Ottomaanse rijk. Dat resulteerde in de oprichting van een seculiere nationale Turkse staat waarvan Atatürk president werd. Ook het moderne Turkije kende een zeer gewelddadig begin. In dit opzicht deed het niet onder voor zijn voorganger. Om de homogene Turkse nationale staat te realiseren, werden de Armenen en de Grieken massaal afgeslacht of Turkije uitgezet. De genocide op de Armenen - naar schatting zijn 1,5 miljoen mensen omgebracht - is door geen enkele Turkse regering toegegeven. Sterker nog, de slachting van de Armenen wordt door Turkije botweg ontkend. Daarom is de Armeens-Turkse grens - die bij een eventuele Turkse toetreding een buitengrens van de EU wordt - hermetisch afgesloten.

Zou het niet bevorderlijk zijn voor een welwillende beoordeling van Turkije, als het land afstand zou nemen van zijn gewelddadige verleden en de hand van verzoening zou uitsteken naar de Armenen? Zou het niet juist zijn als met name het Europees Parlement zou aandringen op excuses van Turkije aan het adres van Armenië voordat er überhaupt gesproken kan worden over een Turkse toetreding?

De islamisering van Turkije

Een belangrijk argument tegen de Turkse toetreding is dat Turkije geen Europees maar een Aziatisch land is. Verreweg het grootste gedeelte van Turkije ligt aan de andere kant van de Bosporus in Azië. Bovendien moet het beeld van Turkije als een seculiere samenleving scherp worden bijgesteld. Na de Koude Oorlog is Turkije bezig met een herdefiniëring van zijn culturele en nationale identiteit. Die identiteit wordt steeds meer ingevuld door het islamitische geloof, waardoor het seculiere erfgoed van Kemal Atatürk onder druk is komen te staan.

Al in 1993 waren er niet minder dan 290 islamitische uitgeverijen en 300 verschillende periodieken (waaronder vier islamitische dagbladen), ongeveer 100 illegale islamitische radiostations en 30 illegale televisiezenders die de islamitische ideologie propageerden. In de jaren tachtig en negentig beschikte het ministerie voor Godsdienstzaken in het 'seculiere' Turkije over een budget dat groter was dan dat van menig ander ministerie. Het financierde de bouw van moskeeën en islamitische scholen en schreef onderricht van de islam in openbare scholen voor. Steeds meer Turkse scholieren gaan naar een islamitische school. Zeventig jaar nadat Atatürk de fez - een hoofddeksel dat tijdens het Ottomaanse rijk als een uiting van aanhankelijkheid aan de islam werd gedragen - heeft verboden, zijn hoofddoekjes als moslimsymbool sinds eind jaren negentig weer toegestaan in Turkse scholen. De islam is ook het leger binnengedrongen en de islamistische tarikas (genootschappen van uitverkorenen) die Atatürk had verboden, functioneren weer.

De islamisering van Turkije doet zich voor in zowel het Aziatische Ankara als het Europese Istanboel. In 1995 werd de fundamentalistisch-islamitische Welvaartspartij bij de gemeenteraadsverkiezingen de sterkste partij in zowel Istanboel als Ankara. In 2015 - de datum van de beoogde toetreding - is Turkije waarschijnlijk een veel islamitischer land dan Atatürk ooit heeft voorzien.

De democratische patstelling

Atatürk was een aanhanger van modernisering en hervormingen naar westers model, maar hij legde die van bovenaf op. Hij vestigde een éénpartijsysteem waaraan pas aan het eind van de Tweede Wereldoorlog een einde kwam, en hij steunde bij het uitoefenen van zijn macht op het leger. Sinds het optreden van Atatürk is Turkije de speelbal van westers georiënteerde krachten enerzijds en islamitisch georiënteerde krachten anderzijds. Het kwetsbare evenwicht ten gunste van de seculiere adepten van het Westen wordt met harde hand bewaakt door het Turkse leger. Dit betekent dat elke vrije democratische ontwikkeling in het land uitgesloten is. Iedere kleine koerswijziging ten opzichte van dit binnenlands politieke 'model' leidt tot inmenging van het leger in het politieke proces.

Het leger heeft sinds de Tweede Wereldoorlog drie keer een coup gepleegd om het bestuur van het land op de weg van Atatürk te houden. In 1998 werd de overtuigd-islamistische Welvaartspartij (Refah) van Erkaban - die nog in 1996-1997 aan de macht was geweest - verboden, bevreesd als het Turkse leger was voor een islamitische revolutie.

De voorstanders van de toetreding van Turkije tot de EU lopen dan ook vast in een democratische patstelling. Om te kunnen toetreden tot de EU zou de invloed van het Turkse leger op de dagelijkse politiek moeten verdwijnen, omdat anders het politieke toetredingscriterium dat voorschrijft dat een land een democratische rechtsstaat moet zijn, wordt geschonden. In Turkije is dat niet mogelijk, omdat in dat geval het moslimfundamentalisme duidelijk aan terrein zal winnen. Anders gezegd: het Turkse leger is hard nodig om de Turkse politiek op de westers-georiënteerde weg van Atatürk te houden, desnoods met overtreding van democratische spelregels. Hoe kan het Europees Parlement zich uit deze patstelling redden?

Bij de laatste verkiezingen van 2 november 2002 zijn on-Europese toestanden waargenomen. Zo was de kiesdrempel met tien procent ongekend hoog, blijkbaar om kleinere linkse en fundamentalistische islamitische partijen uit het Turkse parlement te weren. Uiteindelijk haalden bij deze verkiezingen maar twee partijen de kiesdrempel. In het huidige Turkse parlement zijn daarom slechts twee politieke partijen vertegenwoordigd: de gematigd islamitische AKP die wordt toegestaan door het Turkse leger, en de Republikeinse Volkspartij CHP die over de erfenis van Atatürk waakt.

De AKP is een islamitische partij die zichzelf als conservatief-democratisch beschouwt. Er bestaat een zeker wantrouwen tussen het Turkse Atatürk-establishment, inclusief het leger, en deze islamitische partij. De rol van de AKP in de huidige Turkse politiek moet gezien worden als een compromis tussen de volgelingen van Atatürk en de islamistische krachten in Turkije. Het is echter overduidelijk dat er een groot potentieel is voor islamitische politiek in Turkije.

Bij de verkiezingen van 2002 haalde de AKP ruim 34,1 procent van de stemmen. De partij kreeg 363 zetels van het 550 zetels tellende parlement (66 procent). De CHP haalde 19,3 procent van de stemmen en kreeg hiermee 179 zetels (32,5 procent). Verder werden 8 onafhankelijke parlementariërs tot het Turkse parlement toegelaten voor wie de kiesdrempel blijkbaar niet van toepassing was. Het is volstrekt onduidelijk met welke verdeelsleutel 34 procent van de stemmen kan worden omgezet in 66 procent van de zetels. De AKP kreeg de absolute meerderheid en heeft in maart 2003 een éénpartijregering gevormd onder leiding van premier Recep Erdogan. De partij komt enkele zetels tekort om de Grondwet te kunnen wijzigen, want daarvoor is meer dan tweederde van de zetels in het parlement nodig. Blijkbaar hebben de politieke erfgenamen van Atatürk dat niet toegestaan, uit angst voor een islamitische hervorming van de Turkse Grondwet.

Behalve een democratie die van West-Europese standaarden afwijkt, heeft Turkije ook een probleem met het respect voor de rechtsstaat en de mensenrechten. Verder is het maar zeer de vraag of de rechterlijke macht in Turkije onafhankelijk is. Het gebrek aan respect voor mensenrechten wordt ook onderkend door de rapporteur voor de toetreding van Turkije, de Nederlandse europarlementariër Camiel Eurlings (CDA). Volgens Eurlings heeft de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch het afgelopen jaar 600 gevallen van marteling gedocumenteerd. Deze martelingen werden uitgevoerd door de politie bij het afdwingen van een bekentenis van een arrestant. Eurlings: 'We kunnen het ons echt niet permitteren een land in de Europese Unie te halen waar zulke toestanden voortbestaan, want dan zakt de hele Unie weg.' (interview in Spits, 4-10-2004). Het is bepaald niet hoopgevend dat premier Erdogan in een gesprek met Eurlings en Joost Lagendijk (GroenLinks) de mensenrechten-organisatie Amnesty International betitelde als 'terroristen' (Trouw, 7-12-2004).

Hoewel Turkije formeel de scheiding van kerk en staat in de Grondwet verankerd heeft, moet het respect voor geloofsvrijheid in Turkije niet al te letterlijk genomen worden. Volgens rapporteur Eurlings is het niet of nauwelijks mogelijk om in Turkije een christelijke kerk te stichten; zo'n kerk kan geen juridische rechtspersoon zijn.

De schending van mensenrechten in Turkije en de praktische afwezigheid van geloofsvrijheid zouden voor de EU zwaar moeten wegen, mede met het oog op de toetredingscriteria. Het politieke criterium schrijft immers voor dat een toekomstige lidstaat moet beschikken over een goed functionerende parlementaire democratie, waarin de rechtsstaat, mensenrechten en rechten van minderheden worden gerespecteerd. Turkije voldoet hier niet aan.

Geopolitieke factoren

Het belangrijkste argument van de voorstanders van Turkse toetreding is dat de integratie in het Europese bondgenootschap van een modern en seculier islamitisch land als Turkije een sterk signaal is aan de islamitische wereld. Men hoopt dat de bereidheid van het Westen om met gemoderniseerde, gematigde islamitische landen samen te werken, het ontstaan van een anti-westers fundamentalistisch islamitisch bondgenootschap aan de grenzen van de EU verhindert. Hierdoor zou het mogelijk worden om de War on Terror in het Midden-Oosten te winnen.

Inderdaad is Turkije, sinds het in 1952 toetrad tot de NAVO, een bondgenoot van het Westen. Het vormde tijdens de Koude Oorlog een belangrijke buffer tegen het expansieve communisme vanuit de Sovjet-Unie naar de mediterrane wereld, het Midden-Oosten en de Perzische Golf. Het Turkse leger speelde hierin een belangrijke rol. Na de val van het communisme is Turkije een westerse bondgenoot geworden tegen moslimfundamentalisme, extremisme en regionale instabiliteit in het Midden-Oosten en Centraal-Azië.

Toch lijkt het erop dat Turkije niet zo'n betrouwbare bondgenoot van het Westen is in de War on Terror als het tijdens de Koude Oorlog was. In maart 2003 weigerde het Turkse parlement Amerikaanse troepen toe te laten in het noorden van Turkije, wat de relatie met de VS danig verslechterde. Deze weigering had te maken met pro-islamitische sentimenten die in de Turkse samenleving gingen opspelen toen de aanval op het naburige, islamitische Irak realiteit werd. Een teken aan de wand is dat premier Erdogan op 20 mei 2004 zowel Israël als de Verenigde Staten beschuldigde van 'staatsterreur'. De onbetrouwbaarheid als westerse bondgenoot in de War on Terror zal zeker versterkt worden wanneer de islamisering van Turkije voortschrijdt.

De integratie van Turkije in een westers bondgenootschap is ook verleidelijk, omdat Turkije de controle heeft over de watertoevoer in het Midden-Oosten en grenst aan regio's waar zich 70 procent van de energiereserves van de wereld bevindt. Turkije onderhoudt goede contacten met de Turkssprekende volkeren in Centraal-Azië, die na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie een eigen staat hebben gesticht: Turkmenistan, Kazakstan, Kirgizië en Oezbekistan. Hierdoor zou het een belangrijke rol kunnen spelen als doorvoerland voor olie uit Centraal-Azië en Azerbeidzjan naar de EU, wat de EU minder afhankelijk zou maken van olie uit het Midden-Oosten.

Hier staat tegenover dat de EU, als Turkije lid wordt, gaat grenzen aan de roerige, instabiele Kaukasus en het nog roeriger en instabieler Midden-Oosten - explosieve regio's die alleen via de logica van verdere uitbreiding kunnen worden gepacificeerd.

Bovendien kent Turkije twee geopolitieke problemen die de politieke stabiliteit van de EU in gevaar kunnen brengen: de kwestie-Cyprus en de Koerden. Turkse troepen hebben in 1974 het noorden van het eiland - 36 procent van het territorium - bezet en sindsdien leven Turken en Grieken gescheiden. De poging om het land te herenigen vóór toetreding tot de EU op 1 mei 2004 mislukte, omdat de Grieks Cyprioten - op aanraden van hun regering - tegen eenwording stemden. Tot nu toe weigert Turkije Cyprus te erkennen, wat een groot bezwaar is tegen toetreding, omdat Cyprus nu eenmaal lid is van de EU. Verder blijft de Cyprus-kwestie de Turks-Griekse relaties belasten die van oudsher toch al gespannen zijn.

Twintig procent van de Turkse bevolking, zo'n 14 miljoen mensen, bestaat uit Koerden. De Koerden vormen een meerderheid in de oostelijke provincies, die grenzen aan Iran, Irak en Syrië. Deze minderheid wordt nog altijd onderdrukt en ernstig beknot in hun rechten om de eigen Koerdische taal en cultuur te behouden. Turkije heeft de Koerdische kwestie allerminst geregeld. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de interne politieke verhoudingen van Turkije én voor de relaties met buurlanden van Turkije waar eveneens grote Koerdische gemeenschappen leven.

Politieke gevolgen van de Turkse toetreding

Het Europees Parlement telt na de toetreding van de landen uit Centraal- en Oost-Europa 732 leden. Het aantal zetels dat een land in het Europees Parlement krijgt, hangt af van het aantal inwoners. Duitsland telt ruim 80 miljoen inwoners en heeft 99 zetels te verdelen; Frankrijk en Groot-Brittannië hebben elk met bijna 60 miljoen inwoners 78 zetels. Turkije heeft nu ruim 70 miljoen inwoners, waarmee het al zo'n 90 zetels in het Europees Parlement kan claimen. Aangezien de Turkse bevolking jaarlijks met 1,2 procent groeit, zal Turkije bij toetreding in 2015, met zo'n 80 miljoen inwoners, minimaal net zoveel zetels kunnen claimen als Duitsland.

In welke fracties kunnen de Turkse politieke partijen zitting nemen? De islamitische AKP zou, gezien haar conservatief-religieuze karakter, onderdak kunnen zoeken bij de Europese Volkspartij (EVP), de fractie van christen-democraten en Europese conservatieven. Het is echter zeer de vraag of de EVP de islamitische AKP zal willen opnemen, gezien de afwijzende houding jegens Turkse toetreding van Angela Merkel, de voorzitster van de Duitse CDU/CSU-fractie, de partij die het grootste aantal (49) parlementariërs aan de EVP levert. Ook zal het voor vele Europese christen-democraten onacceptabel zijn dat het christen-democratische profiel van de EVP bij toelating van de AKP ingrijpend zal veranderen. Gemeten naar de verhoudingen in het Turkse parlement wordt de AKP met zo'n 60 zetels de grootste nationale fractie binnen de EVP.

Vandaar dat niet uitgesloten kan worden dat de AKP een aparte islamitische fractie in het Europees Parlement zal vormen. Deze fractie kan dan als trigger gaan werken voor de vorming van politieke bewegingen op islamitische grondslag in andere lidstaten. Het is zelfs mogelijk dat een kleine (fundamentalistisch-)islamitische politieke partij die in het nationale parlement nauwelijks is vertegenwoordigd, relatief veel invloed kan uitoefenen in het Europees Parlement door zich aan te sluiten bij de islamitische fractie onder leiding van de AKP. Dit geldt ook voor fundamentalistische islamitische partijen die in Turkije zelf geweerd worden en door de hoge kiesdrempel van tien procent niet in het Turkse parlement kunnen komen. Bij Europese verkiezingen zou de kiesdrempel van tien procent niet gehandhaafd kunnen worden en zouden dergelijke partijen het Europees Parlement kunnen betreden. De paradoxale situatie zou zich dan voor kunnen doen dat dergelijke partijen niet in Turkije maar wel in Europa aansluiting vinden bij een islamitische fractie. Deze ongewenste ontwikkeling zal een bijdrage leveren aan de islamisering van Europa.

Economische gevolgen van de Turkse toetreding

Economisch gezien heeft Turkije, met 70 miljoen inwoners en een relatief laag bruto binnenlands product (bbp), interessante groeiperspectieven. Bovendien zou Turkije een brugfunctie kunnen vervullen naar een regio met nog eens 68 miljoen inwoners. Volgens een rapport van VNO-NCW kan de toetreding van Turkije tot de EU - en daarmee tot de Interne Europese Markt - een positief effect hebben. De extra groei van het bbp van de EU zal naar verwachting van het Centraal Planbureau wel positief, maar verwaarloosbaar klein zijn. Het bbp van Turkije maakt immers slechts 2 procent uit van het bbp van de EU. Voor Turkije zelf zal de toetreding tot de Interne Markt wel een merkbaar positief effect hebben (het CPB raamt dit op 0,8 procent extra groei van het bbp op een lange termijn van 20 jaar). Om te voldoen aan alle toelatingscriteria moet Turkije interne hervormingen doorvoeren die een veel groter positief effect hebben dan de toetreding tot de Interne Markt op zichzelf: het bbp zou met 5,5 procent kunnen stijgen. In dat geval zou het bbp van de EU met 7 miljard euro stijgen, waarvan 490 miljoen euro aan Nederland zou toevallen. De rapportage van VNO-NCW benadrukt echter dat Turkije deze groeicijfers alleen haalt als het aan alle criteria voldoet. Het is zeer twijfelachtig of dat lukt.

Een ontegenzeggelijk nadelig effect van de Turkse toetreding is de te verwachten aanzienlijke arbeidsmigratie van laag-opgeleide Turken naar de EU, wat zal leiden tot een groter beroep op de verzorgingsstaat. Het CPB gaat ervan uit dat op lange termijn 2,7 miljoen mensen uit Turkije zullen migreren naar andere EU-landen. Daarvan zou vier procent zich in Nederland vestigen. Als deze immigranten laaggeschoolde arbeid gaan verrichten, zal het bbp van de huidige EU met 0,5 procent stijgen, maar het bbp per hoofd van de bevolking zal licht dalen en er zal een licht matigend effect op de lage lonen uitgaan.

Conclusie

De Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington beschouwt Turkije als een overwegend Aziatisch land dat tussen twee beschavingen, de westerse en de islamitische, wordt 'verscheurd'. Volgens Huntington is een echte keuze voor de ene of de andere beschaving op korte termijn niet te verwachten. De culturele en religieuze verschillen met de EU zijn te groot om de kloof te kunnen overbruggen. Het land is gevormd door een andere geschiedenis en een andere cultuur dan Europa. De islamisering van het land voltrekt zich sinds de val van het communisme in een hoog tempo en de politieke integratie van Turkije in de EU zal tot een verdere, ongewenste, islamisering van Europa leiden. De inperking van de macht van het Turkse leger zoals die voor toetreding tot de EU vereist is, zou een gevaarlijke instabiliteit in Turkije en de regio kunnen veroorzaken. De dam tegen de opmars van het moslimfundamentalisme zou dan wegvallen. Dit betekent dat de democratisering van Turkije in de huidige geopolitieke context niet mogelijk is. De economische voordelen van de Turkse toetreding zijn bescheiden. Ook zijn teveel geopolitieke kwesties onopgelost: Cyprus en de Koerden, maar ook het feit dat de EU, met Turkije, gaat grenzen aan explosieve regio's, zoals de Kaukasus en het Midden-Oosten.

Alles afgewogen kan de conclusie niet anders zijn dan dat een Turkse toetreding een onverantwoordelijke onderneming is, een gevaarlijk avontuur met een onzekere uitkomst die de stabiliteit van de EU alleen maar kan ondermijnen.

Deel dit artikel