Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Waarom de Belgische film scoort

Home

RONALD ROVERS

Cinema | Hoe kan het dat Belgische filmmakers als Bouli Lanners internationaal een grote rol spelen, terwijl de Nederlandse film vergeleken daarmee onzichtbaar is?

De Belgische film is al jaren populair op internationale filmfestivals. In februari was Bouli Lanners' 'Les premiers, les derniers' - vanaf vandaag in de Nederlandse bioscopen - te zien op het filmfestival van Berlijn. In mei selecteerde Cannes 'The Unknown Girl' van tweevoudig Gouden Palmwinnaars Jean-Pierre en Luc Dardenne. Hoe doen de Belgen dat? Want Nederland blijft hopeloos achter.

Dat Martin Koolhovens 'Brimstone' is geselecteerd voor de aanstaande filmfestivals van Venetië en Toronto is mooi, maar hij is de uitzondering op de regel. Soms wint een Nederlandse film een prijs, maar niet op de toonaangevende festivals. Feit is dat de Nederlandse film internationaal geen grote rol speelt, ook al werken een handjevol producenten en de vorig jaar aangetreden Marten Rabarts van Eye International hard om dat te veranderen.

Elk jaar in januari melden krantenberichten na de nieuwjaarsreceptie van brancheorganisaties braaf dat het aandeel van de Nederlandse film in het totale bioscoopbezoek is gestegen - dat doet het sinds 2005, met een kleine daling sinds 2013 - maar dat is altijd te wijten aan twee of drie succesvolle films als 'Gooische Vrouwen' of  'New Kids Turbo'. Punt is: het zijn niet die lokale komedies die de internationale artistieke koers van film bepalen. Het zijn niet die films die herinnerd zullen worden, ook al hebben nog zoveel mensen zich ermee vermaakt.

Wie niks geeft om creativiteit en herinnerd worden, bedenk dit: de Belgische filmindustrie met al zijn werkgelegenheid is vooral gegroeid in het kielzog van het succes van de eerste Gouden Palm die de Dardennes in 1999 wonnen met 'Rosetta'. Een kleine artistieke voorhoede vervult altijd een voortrekkersrol.

Drie jaar terug al was het jaarlijkse voorjaarsoverleg van de filmsector in het Amsterdamse Ketelhuis gewijd aan het succes van de Belgische film. Daarvoor was onder meer de alom bejubelde directeur-intendant van het Vlaams Audiovisueel Fonds Pierre Drouot uitgenodigd, het fonds dat de Vlaamse audiovisuele industrie sinds 2002 ondersteunt. Ook al concludeerde men toen dat 'nobody knows nothing' ('nobody knows anything' is een klassiek gezegde in Hollywood om aan te geven dat niemand succes kan voorspellen), dat succes blijkt wel degelijk te verklaren.

Voor film heb je in essentie twee dingen nodig: talent en geld. Eerst het geld. Behalve directe steun via het VAF en zijn Waalse tegenhanger Wallimage heeft België sinds 2000 een effectieve belastingmaatregel die het voordelig maakt om in film te investeren. Puur commerciële films die hun geld makkelijk uit de markt kunnen halen, worden niet ondersteund. Verder gaat, anders dan in Nederland waar bovendien sterk bezuinigd is op het budget van het Filmfonds, 65 procent van het budget naar artistieke films, 35 naar mainstream. In Nederland kende men de afgelopen jaren juist minder gewicht toe aan het belang van artistieke films, ook al beweert het jaarverslag 2015 van het Nederlandse Filmfonds dat de komende drie jaar 'kwaliteit en diversiteit boven kwantiteit gaan' en dat 'vraag en aanbod beter op elkaar worden afgestemd om het bereik en de impact van films verder te vergroten'. Daarmee kunnen we alle kanten uit.

Het internationale succes van in ieder geval de Vlaamse film is ook sterk bepaald door de persoonlijke inzet van Pierre Drouot en de artistieke koers van het VAF, dat - cruciaal - veel ruimte geeft aan makers. Daardoor krijgen filmmakers meer vrijheid om dicht bij hun oorspronkelijke idee te blijven zonder concessies te doen aan wat een potentieel publiek volgens adviseurs aantrekkelijk zou vinden. Een film als 'Rundskop' over een zwijgzame veeboer die het noodlot voelt naderen, leverde de meestbesproken Vlaamse film van de laatste jaren op. Terwijl het niet past in de mal van bekende genres.

De kans is groot dat zo'n script hier in Nederland meteen van tafel zou zijn gegaan. Hier komt bij besprekingen van nieuwe projecten bij het Fonds bijvoorbeeld nog altijd de vraag op tafel hoe sympathiek het hoofdpersonage is, of hoezeer het publiek zich in hem of haar kan verplaatsen.

Hetzelfde geldt voor 'The Invader', van de Belgische filmmaker Nicolas Provost. Een groots verhaal over racisme en de universele strijd om te overleven en tegelijk een intiem verhaal over de aantrekkingskracht tussen man en vrouw. De crux is dat er in The Invader zowel visueel als verhalend iets op het spel staat. De Belgen durven de kijker uit te dagen in plaats van voortdurend tevreden te willen stellen met iets wat hij toch al kent.

Op papier hecht men ook in Nederland veel waarde aan de artistieke film. Plus: ook hier is een belastingmaatregel in het leven geroepen. Maar toch wordt artistiek talent op allerlei manieren beknot, waar dat in België juist gestimuleerd wordt. Daar speelt ook de Filmacademie een rol in, een instituut dat al jaren bekritiseerd wordt omdat het veel nadruk op technische deskundigheid legt maar te weinig op artistieke, creatieve ontwikkeling. Mochten jonge talenten desondanks toch bevlogen afstuderen, dan volgen de adviseurs in subsidietrajecten die op haalbaarheid blijven hameren. Wil Nederland een grotere rol spelen in de internationale filmwereld, ook commercieel, dan moeten makers de ruimte krijgen om hun eigen signatuur te ontwikkelen. De Belgen doen het al jaren.

Deel dit artikel