Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

VVD herleze haar geestelijke vaders Locke en Paine

Home

MARC DAVIDSON

De auteur is projectmedewerker bij het Centrum voor energiebesparing en schone technologie (CE) te Delft. Dit artikel verscheen in uitgebreidere vorm in het blad 'Milieu'.

Het liberalisme kent als moreel uitgangspunt de overtuiging dat elk individu een maximale vrijheid behoort te hebben om invulling te geven aan het eigen leven, zolang anderen daarbij niet worden geschaad in hùn vrijheid. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, pleiten liberalen dus niet voor een ongelimiteerde vrijheid, maar juist voor duidelijke grenzen aan ieders vrijheid.

Naast de zelfbeschikking over het eigen lichaam, is ook de mogelijkheid om van de natuur gebruik te maken een wezenlijk onderdeel van de vrijheid van de mens. Omdat de menselijke gemeenschap slechts de beschikking heeft over een eindig planeet, mag een enkel individu de natuur niet ongelimiteerd voor zichzelf opeisen.

Dit idee werd al geformuleerd lang voordat de natuur zo schaars was als dat we haar nu kennen. In 1690 leidde John Locke, een van de belangrijkste grondleggers van het liberalisme, dit idee af als logische consequentie van de door hem geformuleerde principes, die nog altijd gelden als het ABC van het liberalisme. Volgens Locke heeft elk individu recht op een maximale vrijheid om invulling te geven aan het eigen leven. Hierbij mag dit individu een gedeelte van de natuur opeisen, mits hij, benadrukt Locke, genoeg en van dezelfde kwaliteit overlaat voor anderen. Niemand mag méér aanspraak maken op de natuur dan een ander, want de mogelijkheden die de natuur biedt, zijn niemands persoonlijke verdienste.

Wanneer bijvoorbeeld in een twee-persoonseconomie een van beide personen zich meer dan de helft van de natuur zou toeëigenen, is dat volgens Locke onrechtvaardig. Persoon nummer twee wordt hiermee te veel beperkt in het geven van een eigen invulling aan zijn leven.

Sinds 1690 is de noodzaak om recht te doen aan het zogenoemde 'Lockeaanse voorbehoud' er een stuk urgenter op geworden. Anno 1995 is de natuur onvergelijkbaar veel schaarser geworden. Locke speculeerde nog met name over de grenzen aan de beschikbaarheid van landoppervlak. Vandaag de dag lijkt men ervan doordrongen dat er op onze eindige planeet grenzen zijn aan de beschikbare grondstoffen en aan de capaciteit van onze aarde om afvalstoffen op te nemen.

De totale ruimte die de aarde ons biedt om van haar gebruik te maken, zonder dat we de mogelijkheden in de toekomst verminderen, noemt men ook wel de milieugebruiksruimte. De milieugebruiksruimte omvat niet alleen de hoeveelheid landoppervlak, waar het John Locke in eerste instantie om was te doen, maar ook de hoeveelheid vis die men uit de oceanen kan ophalen zonder de visstand te verminderen en de hoeveelheid kooldioxyde die men in de atmosfeer kan lozen zonder het klimaat te beïnvloeden.

Hoewel Locke het begrip milieugebruiksruimte nog niet kende - dat is pas in 1991 door Klaassen en Opschoor in de Resource economics geïntroduceerd - sluit het naadloos aan op zijn liberale ethiek. Zoals gezegd, is het volgens Locke alleen toegestaan om natuur toe te eigenen, zolang men genoeg en van dezelfde kwaliteit overlaat voor anderen. Wie meer neemt, perkt de mogelijkheden van de ander te veel in.

Het recht op een gelijk gedeelte van de milieugebruiksruimte impliceert op zich nog niet dat ieder mens daar ook per se evenveel gebruik van dient te maken. Het gaat alleen om de gelijke mogelijkheden hiertoe. De maatschappij moet deze mogelijkheden voor ieder mens kunnen garanderen. Een dergelijke suggestie werd al eind 18e eeuw gedaan door de Engelse filosoof Thomas Paine, toen de schaarste aan landoppervlak zich al duidelijk manifesteerde.

Paine publiceerde in 1796 het pamflet Agrarian justice, waarin hij de scheve verhoudingen in landbezit aan de kaak stelde. Volgens Paine was bij het ontstaan van het systeem van persoonlijk landbezit het natuurlijke recht om vrij van de aarde gebruik te maken verloren gegaan. Dit oorspronkelijke recht wilde hij compenseren. Paine stelde voor dat elke bezitter van land aan een gemeenschappelijk fonds pacht moest afdragen. Elke inwoner zou van de staat onvoorwaardelijk een gelijk gedeelte ontvangen uit dit fonds.

Als we Paine's ideeën vertalen naar de hedendaagse problematiek, dan moeten we een overgang maken van landbezit naar milieugebruik. In plaats van bij pacht in ruil voor land, komen we dan uit bij pacht in ruil voor milieugebruik. Iedereen die van het milieu gebruik maakt en daaruit inkomen genereert, betaalt. De 'milieupacht' behoort zo hoog te zijn dat er evenveel vraag naar milieugebruiksruimte is als er beschikbaar is. Vervolgens wordt de opbrengst ervan gelijk over de bevolking verdeeld. Resultaat: een basisinkomen dat precies voldoende is om iedereen een gelijk deel van de milieugebruiksruimte te laten huren.

Een simpel voorbeeld toont hoe dit in zijn werk zal gaan. Stelt u zich eens voor dat Nederland binnen de grenzen van zijn milieugebruiksruimte wil komen. Men formuleert een doelstelling de kooldioxyde-uitstoot terug te brengen tot 75 miljoen ton per jaar (circa 40 procent van de huidige uitstoot). Deze doelstelling kan men bereiken door het invoeren van een belasting op de uitstoot van kooldioxyde van bijvoorbeeld 200 gulden per ton. Dat levert jaarlijks een fonds van 15 miljard gulden op. Uit dit fonds ontvangt iedere Nederlander 1 000 gulden per jaar, dat hem de mogelijkheid biedt jaarlijks 5 ton kooldioxyde uit te stoten. Hetgeen precies zijn persoonlijke milieugebruiksruimte is. Ook al stoot niet elke Nederlander 5 ton kooldioxyde uit, ieders gelijke recht om het te doen is daarmee gegarandeerd.

Invoering van belastingen op milieugebied en het uitkeren van de opbrengst als basisinkomen aan de bevolking, waarborgt het recht van ieder mens op een gelijk gedeelte van de milieugebruiksruimte. De gevolgen voor de maatschappij strekken echter verder dan alleen de bescherming van het milieu en liberale grondrechten van de burger. Het zal ook een interessant effect hebben op de werkgelegenheid, een onderwerp dat al jaren hoog op de politieke agenda staat.

Momenteel financiert de overheid haar uitgaven vooral uit belastingen op arbeid. Deze belastingen werken echter niet alleen als financieringsbron voor de overheid, maar ook ongewild als een regulerende heffing: hoge belastingen op arbeid leiden immers tot uitstoot van arbeid uit het economische produktieproces. Reden waarom het milieu, waar nauwelijks belasting op wordt geheven, intensiever wordt ingezet, met alle gevolgen van dien.

Na invoering van een basisinkomen gefinancierd uit een heffing op milieugebruik, kunnen de belastingen op arbeid fors omlaag. Niet alleen het milieu wordt dan minder intensief gebruikt, ook de factor arbeid wordt weer interessant voor werkgevers.

De invoering van een basisinkomen zal ook om andere redenen de werkgelegenheid ten goede komen. Sociale uitkeringen en het minimumloon kunnen worden verminderd met een bedrag gelijk aan het basisinkomen. Daardoor zal er ruimte ontstaan voor banen die vanwege het hoge minimumloon nu nog te duur zijn.

Vooral om de laatst genoemde reden woedde er het afgelopen jaar een harde discussie rond de invoering van een basisinkomen. In deze discussie kwam met name uit liberale hoek een principieel argument naar voren tegen invoering van een basisinkomen: het zou onrechtvaardig zijn als een gedeelte van de bevolking moet werken voor het inkomen van een ander gedeelte van de bevolking, zonder een tegenprestatie van deze laatsten.

Dit argument is echter alleen relevant zolang het basisinkomen wordt gefinancierd uit belastingen op arbeid, maar niet wanneer het wordt gefinancierd uit belastingen op milieugebruik. Het liberalisme kent geen principiële bezwaren tegen het ontvangen van huur of rente voor het ter beschikking stellen van kapitaalgoederen. Aangezien het hier voorgestelde basisinkomen niets anders is dan de rechtmatige rente voor het ter beschikking stellen van milieugebruiksruimte, vervalt in dit geval dan ook het liberale tegenargument.

Economische overwegingen mogen echter nooit doorslaggevend zijn bij de afweging of een gelijk recht op milieugebruiksruimte dient te worden erkend. Net zo min als de economische gevolgen doorslaggevend waren toen de vraag rees of de slavernij en kinderarbeid moesten worden afgeschaft. Want: waar een recht is, moet recht worden gedaan. 'It's not a charity, but a right I'm pleading for' ('Ik pleit niet voor liefdadigheid maar voor een recht'), voegde Thomas Paine in 1796 toe aan zijn pleidooi voor invoering van een basisinkomen.

Het lijdt geen twijfel: onze samenleving rust op liberale pijlers. Over veel liberale grondrechten bestaat weinig of geen verschil van mening. Denk maar eens aan de vrijheid onderling goederen te verhandelen of het recht op vrije meningsuiting. Zolang het recht van ieder mens op een gelijk gedeelte van de milieugebruiksruimte nog niet wordt erkend, wordt echter niet ieder mens de maximale vrijheid geboden die het liberalisme voorstaat.

Dit recht kan slechts worden gegarandeerd indien belastingen op milieugebruik worden ingevoerd en wanneer de opbrengsten hieruit als basisinkomen over de bevolking worden verdeeld.

Volgend jaar is het precies twee eeuwen geleden dat Thomas Paine op grond van dezelfde argumenten voor de invoering van een basisinkomen pleitte. Sindsdien is de noodzaak tot een dergelijke herverdeling onafwendbaar geworden. Reden genoeg voor liberaal Nederland om de invoering van een basisinkomen serieus te overwegen.

Deel dit artikel