Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Vrouwen blijven onzichtbaar

Home

Hanne Obbink

Ze ontkwam aan een bestaan als kapster en is nu de eerste vrouwelijke rector magnificus van een grote Nederlandse universiteit. Dymph van den Boom hoopt dat haar aantreden als rector andere vrouwen op het idee brengt dat topfuncties ook voor hen haalbaar zijn.

Dymph van den Boom is niet te benijden. Die indruk werd althans gewekt tijdens de plechtigheid, begin deze maand, waar zij officieel rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam werd. Want, zo betoogden verschillende sprekers, de rector is tegelijk hoogleraar én bestuurder, en dat leidt tot een voortdurende spagaat.

De hoogleraar zoekt de waarheid, is eigenwijs en schuwt het compromis. De bestuurder daarentegen moet juist draagvlak zoeken, kán dus niet zonder compromissen. En terwijl de hoogleraar bijna omkomt in de stapels vakliteratuur die nog gelezen moet worden, is het bureau van de bestuurder bij voorkeur leeg.

De nieuwe rector lacht er wat om. In de hoek van haar nieuwe werkkamer staan nog een paar verhuisdozen en op haar bureau liggen stapels papier – keurig geordend, dat wel. „Het is voor een universiteit juist goed dat een van haar bestuurders, de rector magnificus, altijd uit de gelederen van de hoogleraren afkomstig is. Die kent de werkvloer, dat is belangrijk. En ook voor een rector magnificus gaat het om de kwaliteit van de argumenten. Voor de koers die je uitzet. Juist in een academische gemeenschap werkt dat.”

Van den Boom (Roosendaal, 1951) is de eerste vrouwelijke rector magnificus aan een grote Nederlandse universiteit; alleen Hans Alma, sinds juli rector van de kleine Universiteit voor Humanistiek ging haar voor. Vindt zij haar positie zelf bijzonder? „Ach * Iedereen betitelt het als bijzonder, en zo ontstaat vanzelf het beeld dat het dat inderdaad is. Maar ik heb gewoon gesolliciteerd. Toen ik dat deed, wist ik niet eens of er eerder vrouwelijke rectores waren geweest.”

Toch ziet Van den Boom het belang van haar positie wel in. Want er is nog een wereld te winnen voor vrouwen aan de universiteit. Er studeren inmiddels zelfs iets meer meisjes dan jongens aan de universiteit en ook in de rangen van het wetenschappelijk personeel dringen steeds meer vrouwen door. Maar hoe hoger de rang, hoe minder vrouwen er werken. Van alle hoogleraren in Nederland is niet meer dan ongeveer tien procent vrouw.

Typerend is het antwoord van onderwijsminister Plasterk (die wetenschap én emancipatie in zijn portefeuille heeft) op de vraag welke vrouwelijke rolmodellen hij in de wetenschap ziet. In een interview in het AD noemde hij uiteindelijk Christiane Nüsslein-Volhard, de enige nog levende vrouwelijke winnaar van de Nobelprijs in een exact vak. „Maar ze is wel haar hele leven alleen en kinderloos gebleven”, aldus de minister, en hij sprak daarom van een rolmodel met een ’dubbele boodschap’: „Je kunt als vrouw de absolute top halen, maar je betaalt ook een prijs.”

„Dat lijkt me dan niet zo’n goed rolmodel”, stelt Van den Boom droogjes vast. „Want de meeste vrouwen hebben een gezin. En de meeste mannen winnen géén Nobelprijs.” Zelf heeft ze ook geen gezin, maar toch hoopt ze dat haar aantreden als rector vrouwen op de gedachte brengt dat topfuncties ook voor hen haalbaar zijn.

„Steeds meer vrouwen zijn hoogopgeleid, en het is goed om te zien dat nu ook aan de top van de academische gemeenschap een gezonde mix van vrouwen en mannen ontstaat”, zegt Van den Boom. „Aan de Universiteit van Amsterdam was een tijdlang de meerderheid van de decanen (de hoogste bestuurders van de faculteiten – red.) zelfs vrouw. Nee, ik geloof niet dat vrouwen een heel eigen inbreng als bestuurder hebben – dat wordt door geen enkel onderzoek gestaafd. Het gaat erom de meest geschikte mensen aan te trekken; als je dan het vrouwelijk deel van de kandidaten over het hoofd ziet, is dat niet verstandig.”

„Maar die doorstroom van vrouwen naar de top gaat erg traag. Aan onze universiteit is nu vijftien procent van de hoogleraren vrouw. Dat aandeel zal zeker toenemen, want naarmate meer vrouwen hoogopgeleid zijn, neemt de druk toe. Mensen worden er ook steeds alerter op. Ik kreeg gisteren nog een mailtje van een vrouwelijke hoogleraar over een commissie met uitsluitend mannen: of dat niet anders moest.”

De positie van vrouwen in de academische wereld staat al jaren op de agenda van beleidsmakers, weet ook Van den Boom. Waarom blijft het toch zo traag gaan? „Om me heen zie ik dat het nog steeds de vrouwen zijn die de zorgtaken op zich nemen. Als het om hun werk gaat, denken ze dan vaak: ik beperk me tot mijn kerntaken, onderwijs en onderzoek. Dus als hun gevraagd wordt om daar nog iets naast te doen, dan zeggen ze vaak: nee, ik heb het al zo druk.”

„En dus zie je betrekkelijk weinig vrouwen die bijvoorbeeld lid worden van een commissie of van een jury die onderzoeksvoorstellen beoordeelt. Daardoor blijven ze onzichtbaar. Maar je moet wel zichtbaar zijn voordat mensen aan je denken als er hogere functies zijn te vergeven. Vrouwen zeggen vaak nee zonder dat te beseffen.”

„Een aantal maatregelen van de afgelopen jaren heeft niet goed genoeg gewerkt. Er is bijvoorbeeld een landelijk programma geweest, Aspasia, waardoor vrouwelijke universitair docenten konden worden bevorderd tot universitair hoofddocent. De gedachte erachter was dat ze dan na verloop van tijd vanzelf de volgende stap, hoogleraar worden, zouden zetten. Maar dat is niet gelukt, in de praktijk blijkt een prikkel die gericht is op één fase in iemands carrière niet te werken.”

„Daarom zijn wij nu van plan jong vrouwelijk talent eerder te spotten en langer te blijven volgen. We willen al vroeg vaststellen wie de top kan halen, en die vrouwen moeten dan ook gecoacht worden. Bijvoorbeeld door ze aan te moedigen af en toe eens in een commissie zitting te nemen of iets dergelijks.”

Van den Boom heeft de top bereikt zonder zulke steun, „gewoon door te solliciteren op functies”, stelt ze nuchter vast. Daarvoor heeft ze wel ongeveer het hele Nederlandse onderwijsbestel moeten doorlopen.

„Ik kom uit een kappersfamilie uit Roosendaal. Mijn vader is jong gestorven, ik was toen tien, en de toeziend voogd vond dat ik maar in de kapperszaak moest gaan helpen. Maar daar voelde ik niets voor. Ik had al veel in de zaak geholpen, ik moest ook vaak model zijn en ik wist zeker dat ik dat niet wilde.”

„Uiteindelijk mocht ik van mijn moeder naar de ulo. Maar wel met de afspraak: je moet het goed doen en als dat lukt, kijken we verder. Misschien had mijn moeder nog de stille hoop dat ik alsnog een andere loopbaan zou kiezen. Maar het paste ook in die tijd, of in ieder geval in de sfeer in ons gezin: als je iets doet, doe het dan goed.”

Na de ulo ging Van den Boom naar de kweekschool en daarna werd ze onderwijzeres op een lom-school, voor kinderen met leer- en opvoedingsproblemen. Omdat ze wilde weten wat er in de hoofden van die kinderen omging, besloot ze psychologie te gaan studeren, met de bedoeling daarna weer in het onderwijs aan de slag te gaan. Maar het onderzoek boeide haar zo dat ze aan de universiteit bleef. Ze promoveerde en werd uiteindelijk hoogleraar algemene pedagogiek. Voor ze rector werd bestuurde ze vijf jaar lang de faculteit der maatschappij- en gedragswetenschappen.

„Mijn zus heeft de kapperszaak overgenomen en haar kinderen hebben nu ook gestudeerd. Dus zo vreemd is het niet meer dat ik gestudeerd heb en aan de universiteit werk. Ik deed alles cum laude, kennelijk ben ik me blijven inspannen om te laten zien dat ik het kon.”

Geeft dat haar een andere kijk op de universitaire wereld dan andere academici? Van den Boom haalt heel lichtjes haar schouders op. „Ik had de ervaringen die ik heb opgedaan niet willen missen”, zegt ze dan. „Daardoor weet ik dat er meer te koop is dan alleen de universiteit.”

Deel dit artikel