Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Vrijheid als therapie

Home

Rik Torfs

© Koen Bauters
Opinie

"Wie de vrijheid wil inperken, doet dat doorgaans niet omdat hij de samenleving wil beschermen tegen verwerpelijke ideeën", stelt de Vlaamse jurist Rik Torfs. "Hij doet het omdat hij vreest zelf ongelijk te hebben."

Ik ben voor vrijheid omdat onvrijheid erger is. Wie de vrijheid verdedigt, hoeft dus geen fanaticus te zijn, geen fundamentalist van de vrije meningsuiting. Hij weet integendeel heel goed dat vrijheid altijd misbruikt zal worden. Dat minder aardige lieden haar zullen inroepen om de grootste onzin uit te kramen.

Toch is vrijheid onmisbaar. Echte, ruwe, ruige vrijheid. Want wie haar zo wil definiëren dat ze alleen maar op keurige wijze kan worden aangewend, heft haar op. Vrijheid houdt de mogelijkheid tot ontsporing in, maar ook tot heroïek. Twee opties in het leven die we onszelf en anderen niet mogen misgunnen.

Menslievende medeburgers wijzen erop dat de vrijheid van meningsuiting, waartoe ik mij in dit stuk beperk, geen absoluut recht is. Dat is waar. Het volstaat naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te kijken om meteen die grenzen te ontdekken.

Gezondheid, goede zeden, veiligheid, de goede naam of de rechten van anderen... De limieten lees je zo af in de tweede paragraaf van artikel 10. Toch koester ik argwaan jegens hem of haar die, bij het bespreken van de vrijheid, meteen op haar grenzen wijst. Zo iemand is als een minnaar die zijn geliefde,  tijdens een wandeling bij maanlicht, meteen meldt dat zijn liefde niet onbegrensd is. Of als een gelovige die een verzekering afsluit mocht, geheel onverhoopt, het hiernamaals waarin hij zo ruimhartig investeerde, toch niet bestaan.

 Vrijheid heeft een grens, maar die komt best zo laat mogelijk ter sprake. Elk gesprek over het leven staat toch ook niet in het licht van de dood?

Laten we het dus eerst over de vrijheid hebben, niet over haar grenzen.

Toen ik in Leuven rechten studeerde, in 1976, vaardigde het Europees Hof in Straatsburg het beroemde arrest Handyside tegen het Verenigd Koninkrijk uit. Het was heerlijk liberaal. Ideeën die voor de staat of voor delen van de bevolking beledigend, schokkend of storend waren, moesten toch worden toegelaten. Want, aldus het Hof, zij vrijwaren pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid, en zonder die drie eigenschappen is een democratische samenleving onmogelijk. Ik was en ben het daar roerend mee eens.

Toegegeven, andere maatschappelijke doelstellingen die evenzeer hun waarde hebben duiken almaar vaker in de discussie op: wederzijds begrip, conflictpreventie, menselijke waardigheid. Ook in de Raad van Europa krijgen ze aandacht. Maar toch: de vrijheid moet het uitgangspunt blijven. Niet omdat de manier waarop ze wordt gebruikt goed is, maar omdat ze zelf goed is, ook al voert ze tot uitspraken waarvoor elk weldenkend mens zich schaamt.

De vrijheid van meningsuiting helpt ons om twee dingen te leren. Enerzijds de kunst om vrij onze mening te zeggen. Anderzijds het vermogen om de mening van anderen goed te beoordelen. Van de Griekse dichter Pindaros (518 ¿ 438 voor Christus) komt de prachtige uitspraak: "word wie je bent." Hij voegt eraan toe: "Voor kinderen, weet u, is een aap altijd prachtig." Daarmee bedoelt hij dat we ons niet in slaap mogen laten wiegen door gevlei. Het omgekeerde is ook waar: wie door een idioot verbaal in de grond wordt geboord, mag dat beschouwen als een compliment. Het is niet belangrijk wat er over ons wordt gezegd, maar wie het zegt. De woede is een eerbetuiging aan de criticus. Niet altijd is hij die waard.

Zoveel is duidelijk, ik vind de vrijheid belangrijker dan haar grenzen, zeker wanneer het om volwassenen gaat. De grenzen van het Europees Verdrag aanvaard ik. Maar al te veel wetten die negationisten, racisten, Holocaustontkenners en andere laakbare figuren aan banden leggen, zijn geen goed idee. Elke beperking van de vrijheid blijft een nederlaag, ook als ze noodzakelijk is. En soms is ze dat zonder meer. Tot zover een juridische benadering. Met een beetje emotie aan de rand. Want recht is nooit rechtlijnig.

En nu de praktijk. Hier betreden we het moerassige terrein van de moraal. Moeten we wel alles zeggen wat we mogen zeggen? Toont de meester zich in de zelfbegrenzing? Begrip, mededogen, menslievendheid: mooie deugden. Zachte aansporingen om vrijwillig van het recht op vrije meningsuiting afstand te doen. Leve de wellevendheid. Een sympathieke gedachte, getuigend van een naar liefde neigend erbarmen. Een man is juridisch gerechtigd om, na dertig jaar huwelijk, aan zijn vrouw te zeggen: "Vroeger was je toch knapper." Maar hij doet het niet. Omdat hij haar liefheeft. Hij kan haar zelfs dermate liefhebben, dat hij niet eens vindt dat haar schoonheid is afgenomen. Meningen hebben immers minder met waarheid dan met liefde te maken. Dus zwijgen dan maar, uit liefde, om de lieve vrede? Geen cartoons die Mohammed voorstellen om moslims  pijn te besparen? Geen erotische foto's in het straatbeeld om de preutsheid van oma niet op de proef te stellen?

Dat gaat mij te ver. Wellevendheid, savoir-vivre, moet een persoonlijke keuze van het individu blijven. Groeit ze uit tot een maatschappelijke code die iedereen tegen heug en meug moet aanvaarden, dan smoort ze het waarachtige gesprek, voert ze tot een samenleving waarin conventies de medemens tot het voorwerp van bloedeloze courtoisie degraderen. En ook die kan pijn doen. Dat mocht ik in mijn jeugd ervaren. In januari 1972 woonde ik, als puber, de begrafenis bij van mijn grootoom, een vooraanstaand advocaat. We kwamen bijeen in zijn woning. Alle heren en mevrouwen droegen de juiste kleding zoals die bij een begrafenis als deze vereist was. Zelf zat ik wat onwennig in het salon te wachten, waar een na een de familieleden van de weduwe binnensijpelden. Ze keken ernstig, maar niet bedroefd.

Opeens betrad een waardige Gentse dame de kamer. Ik keek in haar zoekende ogen. Plotseling stak ze haar hand uit. Ik meende dat ze mij wilde begroeten, dus reikte ik haar ook de mijne, maar o wee,  haar hand scheerde rakelings naast mijn hoofd en verenigde zich met die van een oom. Van mij nam ze verder geen notitie, ook niet na de handdruk. Nu wist ik ook wel, dat had mijn moeder mij heel precies geleerd, dat een jongeman nooit als eerste een oudere dame de hand reikt. Zij moet het initiatief nemen. Alleen, ik dacht dat zij dat nam, doch ik vergiste mij. Tegen mijn wil in had ik een etiquettefout gemaakt. Van de begrafenis herinner ik mij verder niets, behalve dat zij plaatsvond.

Wel blijf ik mijn moeder dankbaar, die mij na afloop meedeelde dat etiquette weliswaar belangrijk is, maar dat ze in dienst moet staan van waarachtige gevoelens. Iemand die zondigt tegen de etiquette mag nooit in verlegenheid worden gebracht, want dat druist in tegen het doel van de etiquette, dat er juist in bestaat niemand in verlegenheid te brengen. Starre etiquetteregels verhinderen het menselijke contact in plaats van het te vergemakkelijken.

Exact hetzelfde geldt voor de zelfcensuur. Natuurlijk moet je niet alles zeggen wat je mag zeggen, en je doet er zelfs goed aan dat niet te doen. Maar dat mag er niet toe leiden dat er, naast de juridische grens van de vrije meningsuiting, een even ondoordringbare beleefdheidsgrens ontstaat. Zeker, je moet niet zeggen wat je mag zeggen. Maar je mag wel zeggen wat je niet moet zeggen, zelfs wanneer je beter zou zwijgen. Soms lijkt het erger conventies te doorbreken dan wetten te overtreden. Zo ontstaat een verstikkende samenleving waarin spanningen groeien die vroeg of laat tot ontploffing komen.

Zelfcensuur mag niet voortvloeien uit sociale of andere codes. Ze moet door wie aan de vrije uiting van zijn mening verzaakt bewust worden gewild. Daarbij kunnen pragmatische overwegingen een rol spelen, zoals blijkt uit een uitspraak van de profeet Mohammed, terug te vinden in de geschriften van Al-Tirmidhi (824-892): "Haat uw vijand op milde wijze, hij kan op een dag uw vriend worden." Je kunt natuurlijk nog verder gaan, in de richting van de Bergrede waarin Christus zegt dat wij onze vijanden moeten beminnen. Bij hem is het niet de toekomstige vriendschap die ons tot mildheid moet stemmen, maar de vijandschap zelf. 

Wat Mohammed en Christus zeggen is prachtig. Maar er vloeit voor de burger geen verplichting uit voort die via sociale conventies kan worden afgedwongen. De moraal mag de toepassing van mensenrechten niet onrechtstreeks buitenspel zetten. Wanneer moraal recht wordt, is zij niet langer de keuze  van iemand die autonoom beslissingen neemt. De juridisering van de moraal verhindert waarachtig ethisch handelen.

Samengevat: niet alles wat kan worden gezegd, dient te worden gezegd. Maar de zelfbeperking moet van elk individu afzonderlijk komen. Er mag geen verborgen code ontstaan die langs de omweg van moraal en wellevendheid de vrijheid van meningsuiting  muilkorft.

Een mens moet dus niet zwijgen. Meer zelfs, er zijn  momenten waarop hij beter spreekt dan zwijgt. Daarbij denk ik aan twee categorieën van uitspraken die mijlenver uit elkaar staan, die zelfs elkaars tegenpolen zijn, namelijk enerzijds de therapeutische uitspraken van mensen die geen mening hebben, en anderzijds de profetische uitspraken van hen die er een gevaarlijke mening op nahouden.

Het belang van de mening als therapie mag niet worden onderschat. In blogs, op fora, voor de microfoon van de radio hoor je geregeld krasse uitspraken die als meningen worden gepresenteerd.
Ze zijn het niet echt.

Wanneer Geert Wilders de islam de zieke ideologie van Allah noemt, is dat geen kernachtig geformuleerde mening die van een sterk synthetisch vermogen getuigt.  Het is helemaal geen mening, maar een hartenkreet. Een manier om woede, frustratie,  vrees voor maatschappelijke en materiële achteruitgang,  een stem te geven. Het is zelfs de vraag of Wilders ten diepste meent wat hij zegt. Immers, op momenten van woede of frustratie komt, anders dan wij vaak zelf geloven, de mening die wij diep in ons hart koesteren niet naar boven. Als we boos worden en zelfs onze beste vrienden hardvochtig de levieten lezen, hebben we er  achteraf spijt van. Wat we betreuren is niet dat we de waarheid hebben gezegd, maar juist dat we ze niet hebben gezegd, verblind als we waren door woede.

We formuleren wat we echt denken pas als we nuchter zijn.

Europeanen die de islam een criminele godsdienst vinden, Nederlanders die vreemdelingen verachten of Vlamingen die Walen voor luie profiteurs uitschelden, verkondigen geen mening over de islam, vreemdelingen of Walen. Ze delen mee dat ze zelf ongelukkig zijn. Schroom of trots, vaker nog  een mengeling ervan, verhindert hen openlijk over hun verdriet verslag uit te brengen. Daarom kiezen ze voor een omweg: de belediging van iemand anders. Wie iemand anders ruw uitscheldt, probeert eigenlijk te zeggen dat hijzelf ongelukkig is. Welnu, de  mededeling van eigen verdriet en ellende wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting, zelfs wanneer zulks op beledigende, schokkende of storende manier gebeurt.

De schijnbare mening als therapie is trouwens geenszins het voorrecht van de benepen kleinburger die vreest zijn baan en zijn vrouw te verliezen. Ze komt ook voor in kringen met een grote intellectuele reputatie.

   Neem nu de Franse dichter Paul Eluard (1895-1952). In zijn bloedstollende gedicht 'Liberté' , geschreven in 1942 tijdens de oorlog, bezingt hij de vrijheid. Maar die wilde hij niet. Hij wou gewoon van de Duitsers afkomen, wat natuurlijk op zichzelf ook legitiem is. In ieder geval, na de oorlog bleef Eluard een trouw aanhanger van Stalin, en juichte hij de executie van zijn eigen vriend, de Praagse historicus en schrijver Zavis Kalandra (1902-1950), blijmoedig toe. Vrijheid was een onderwerp waar  Eluard lyrisch over schreef, maar in werkelijkheid verkoos hij de zekerheid van een totalitair systeem boven de vrijheid die hem alleen maar aan het dromen had gebracht. Zijn echte mening  stond niet in zijn gedicht. Toch wordt die beschermd door de vrijheid van meningsuiting. 

Naast de onbestaande, is er de profetische mening. Vaak wordt zij als storend beschouwd, maar zij is de hoedster van elke waarlijk vrije samenleving. De profetische mening heeft overigens niets te maken met de radicaliteit van de gedachten die ze vertolkt. Integendeel. Vaak is zij gematigd. Radicale ideeën vinden doorgaans gemakkelijk ingang. Ze zijn verbonden met de menselijke hunkering naar een eenvoudige wereld, waarin goed en kwaad op een simpele manier van elkaar worden onderscheiden. Pleidooien voor de doodstraf of voor nultolerantie tegenover onwenselijk gedrag kunnen altijd op een grote aanhang rekenen.

Ook het nationalisme als politieke stroming kiest voor eenvoudige oplossingen. Iemand hoort bij de natie of niet. En wie er niet bij hoort veroorzaakt ellende. In Vlaanderen denken we dat we na de splitsing van het land plotseling rijk zullen worden, want de Walen leven, volgens een opvatting die op sluipende wijze plausibel werd, zonder gêne op onze kosten.

Kortom, radicale ideeën zijn zelden profetisch. Je hoeft niet dapper te zijn om ze te formuleren.

Profetisch was wel het optreden van de gelauwerde schrijver Emile Zola, toen hij op 13 januari 1898 in de krant L'Aurore de verdediging opnam van de Joodse legerkapitein Alfred Dreyfus, beschuldigd van spionage voor het Duitse leger. Antisemitisme speelde daarbij zeker een rol. De tekst sloeg in als een bom. Zola werd veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf en 3000 francs boete. Hij vluchtte in een nachttrein naar Londen, terwijl in  Parijs demonstranten scandeerden: 'A bas Zola, à bas les juifs.' Maar het optreden van de schrijver leidde uiteindelijk wel tot de vrijspraak en het eerherstel van Alfred Dreyfus.
Het is een kunst om helder te zien welke meningen moedig en profetisch zijn, en welke niet. Vaak wordt een mening pas moedig genoemd wanneer zij het niet langer is.

Neem nu kritiek op de katholieke kerk in Vlaanderen. Wie zich daar dertig jaar geleden aan waagde, kon op de banbliksems van zowel de toen nog sterke bisschoppen als van de goegemeente rekenen. Vandaag ligt de kerk op apegapen, intellectueel leeggebloed en door pedofilieschandalen danig beschadigd. En plotseling duiken overal profeten op die moedig verkondigen hoe fout het instituut wel is. Een paar decennia te laat.

Hetzelfde geldt voor schotschriften tegen de multiculturele samenleving. Of voor teksten waarin geloof in het bestaan van God voor even kinderlijk naïef doorgaat als geloof in het bestaan van Sinterklaas. Dat hadden al die denkers honderd jaar geleden maar moeten schrijven. Niet nu.

Vandaag verneem ik liever iets over alle goeds wat kerken ooit hebben verricht. Over de dringende noodzaak meer kerncentrales te bouwen. Over de mogelijkheid van vergiffenis na een zware, ja zelfs na een onvergeeflijke fout. Over de gevaren van het neo-puritanisme dat  politici en ambtenaren bij het geringste falen tot ontslag dwingt. Over goedmoedig nationalisme dat niet bestaat, dat vroeg of laat noodzakelijk ontspoort. Leve de vrijheid die bevrijdt.

Wie de vrijheid wil inperken, doet dat doorgaans niet omdat hij de samenleving wil beschermen tegen verwerpelijke ideeën. Hij doet het omdat hij vreest zelf ongelijk te hebben. Want wie een sterke mening heeft, hoeft die van anderen niet te vrezen. Foute opinies krachtig bestrijden volstaat. Niet elke mening is evenwaardig. En niet elke mening is eerbiedwaardig. We moeten het durven zeggen: er zijn slimme mensen en domme mensen. Er zijn domme mensen met domme meningen. Er zijn slimme mensen met domme meningen. Zij zijn de gevaarlijkste, omdat hun mening niet is bedoeld om alleen maar een mening te blijven. Daarom mogen we anderen niet het zwijgen opleggen, maar moeten we zelf spreken.

Rik Torfs is hoogleraar kerkelijk recht aan de Katholieke Universiteit Leuven. Zijn boek 'Wie gaat er dan de wereld redden?' (Schuyt en co. ISBN 9789056179502) werd uitgeroepen tot Liberales-boek van het jaar 2009.  Torfs maakt tv-programma's en is senator voor de CD&V.

Deel dit artikel