Voetbal is eigenlijk een moderne vorm van religie

home

Gerrit-Jan Kleinjan

Ruud Stokvis: 'Het gevoel in een stadion is niet anders dan dat in een kerk' © Patrick Post

U dacht dat u naar het wereldkampioenschap voetbal keek, maar wat u ziet is een moderne vorm van religie, denkt socioloog Ruud Stokvis. 'Religie en sport hebben dezelfde oorsprong.'

Als van religie geen regulerende werking op de samenleving meer uitgaat, dan zal dat door andere instituties gebeuren

Is geloof in God noodzakelijk voor het welzijn in een samenleving? Nee, zegt socioloog Ruud Stokvis. Vorming, binding en zingeving - het is allemaal te vinden in de sport. Voor het welzijn van de samenleving is religie zelfs overbodig geworden, stelt hij. Sport heeft de rol van religie overgenomen, betoogt hij in zijn recente studie 'Lege kerken, volle stadions'.

In uw boek behandelt u denkers die in het verleden hebben betoogd dat geloof in een God de basis is onder de maatschappelijke orde. Zij hadden ongelijk?
"Wie dat denkt, heeft te weinig oog voor het sociale karakter van mensen. We zijn afhankelijk van anderen om te kunnen voortbestaan en moeten dus met de opvattingen van anderen rekening houden om niet in moeilijkheden te komen. Het dramatische idee van bijvoorbeeld Dostojevski dat zonder het geloof in onsterfelijkheid alles geoorloofd is - zelfs kannibalisme, zegt hij - moet je met een korrel zout nemen. De algemene aard van waarden en normen waaraan mensen zich conformeren is historisch gevormd. Religie heeft daar zonder meer aan bijgedragen. Nu is het belang van religie in West-Europa verschrompeld.

Is dat erg? Als van religie geen regulerende werking op de samenleving meer uitgaat, dan zal dat door andere instituties gebeuren. Sport is niet de enige institutie die de sociale aspecten van religie overneemt. Onderwijs, media en sociale voorzieningen doen dat ook. Wat sport zo belangrijk maakt, is dat het een combinatie van vormende, bindende en zingevende functies heeft."

'De mens is ongeneeslijk religieus', luidt een beroemde uitspraak. Welke fout maken geleerden die stellen dat mensen een aangeboren religieus besef hebben?
"Mensen zijn van nature niet religieus maar sociaal. Het gevoel in een stadion is niet anders dan dat in een kerk. Émile Durkheim, de grondlegger van de sociologie, zag dat al. In zijn 'Formes élémentaires de la vie religieuse' uit 1912 beschrijft hij hoe leden van primitieve stammen al periodiek bij elkaar komen voor grote feesten en daarbij opgaan in het grotere geheel dat zij gezamenlijk vormen. Ik druk het misschien simpel uit, maar net zoals de apen en de mensen een gemeenschappelijk voorouder delen, zo hebben ook religie en sport dezelfde oorsprong. Sociaal ritueel en religie liggen in elkaars verlengde. Het gaat in beide gevallen om het gevoel dat je samen opgaat in een groter geheel, in een gemeenschap, en om het besef van onderlinge verbondenheid."

Lees verder na de advertentie
Bijna de helft van alle sport­be­oe­fe­naars in Nederland zijn kinderen. Die worden opgevoed 'in' de sport

U ziet een zeker verband tussen het belang van sport en het afgenomen belang van religie, maar er is geen rechtstreeks verband: elke kerkganger minder is niet automatisch een sporter meer, schrijft u. Hoe zit dat?
"Beide maken deel uit van het proces dat we modernisering noemen. Daarmee doelen we sinds de negentiende eeuw onder meer op de verstedelijking, moderne wetenschap, opkomst van geavanceerde infrastructuur, technologie en wetenschap. Het geloof wordt in dat proces op alle manieren aangetast. Neem de wetenschap. Die maakte duidelijk dat letterlijk nemen van de Bijbel niet kan. Anders dan bij de kerk, pakte deze algemene maatschappelijke ontwikkeling keer op keer uit in het voordeel van de sport.

Een voorbeeld. Modernisering gaat gepaard met ontwikkeling van technologie. Dat komt in de praktijk neer op het uitschakelen van fysieke inspanningen om allerlei doelen te bereiken. Dezelfde techniek zorgt ook voor een toename aan betaalbare levensmiddelen. Het gevolg: mensen worden dik en krijgen kwalen. Uit die sfeer komt de belangstelling voor lichamelijke oefening voort. De stadions kwamen in Engeland al aan het eind van de negentiende eeuw. De rest van Europa volgde iets later."

U betoogt dat sport bijdraagt aan een gemeenschappelijke moraal. Hoe dan?
"Bijna de helft van alle sportbeoefenaars in Nederland zijn kinderen. Die worden opgevoed 'in' de sport. Ik vergelijk het met de zondagschool. Vroeger kwamen kinderen een keer in de week op de zondagschool. Nu komen kinderen een, meestal twee keer in de week op de sportvereniging. In beide gevallen wordt tegen je aan gepraat over hoe dingen moeten. Daar zit een moraal aan vast: wat is goed, wat is fout. Het geldt ook voor supporters. Het overgrote deel van hen is ooit zelf sporter geweest of ze bedrijven nog steeds sport."

Maar er worden wel andere waarden overgebracht. De christelijke boodschap om de ander de linker wang toe te keren versus het sportieve streven om de beste te zijn.
"Inderdaad, dat is de kern van mijn verhaal. Sport veronderstelt een ander soort samenleving. Maar die is niet per se slechter. Het gaat om wedstrijden houden, competitie, willen winnen, doorzetten, hard trainen. Maar je moet altijd erbij denken, dat leren kinderen al op clubs: het gaat op basis van regels. De verleiding om gemene dingen te doen is er natuurlijk wel, maar er is een voortdurende tendens om dat te bestrijden. Regels vragen een grote mate van zelfbeheersing. De moraal van sport is ook dat je je aan de afspraken houdt."

Het fair play-ideaal van de sport biedt een moraal die meer past in een egalitaire samenleving, waar een groot deel van de onderlinge betrekkingen van onpersoonlijke aard is

Het sportideaal is: kampioen worden. Wat moet iemand met zijn leven als hij niet de beste is?
"Een van de vroegste dingen die kinderen leren is: ik moet beter worden. Ook al lukt het bijna niemand kampioen te worden, die gedachte is wel een belangrijke aanzet om het leven te richten. Het heeft een heel grote betekenis, ook zingevend. Je leert wat je moet doen in het leven. Kinderen leren: doorzetten is zinvol en luieren is zinloos. Tegelijkertijd leren kinderen ook dat je afhankelijk bent van anderen. Met de hoop op een beloning. Het is een andere moraal en een andere betekenisgeving dan die van het christendom, maar het is er wel degelijk."

Miljoenen mensen kijken momenteel naar het WK. Op welke manier zien we hier een vervanging van religie?

"Het gaat om het opgaan in een groter geheel: echt iedereen kijkt, juicht bij winst en baalt bij verlies. Het is zingeving in emotionele zin. In principe doen zich op nationaal en lokaal verenigingsniveau bij het publiek dezelfde processen voor. In ieder geval rond de wedstrijden worden collectief enthousiasme en onderlinge verbondenheid versterkt."

Wat maakt het dat de christelijke moraal in West-Europa het aflegt tegen de sportieve?
"Lees je de Bijbel en latere christelijke boeken over moraal, dan zie je dat het in afspraken over gedrag vooral gaat om persoonlijke relaties. Hoe ben je als persoon ten opzichte van anderen? De christelijke moraal past uitstekend bij een samenleving die sterk op familieverbanden is gericht en die hiërarchisch geordend is. Waar de bovengeschikte welwillend voor zijn ondergeschikte moet zijn en waar de ondergeschikte zijn best moet doen om de bovengeschikte te behagen.

Het fair play-ideaal van de sport biedt een moraal die meer past in een egalitaire samenleving, waar een groot deel van de onderlinge betrekkingen van onpersoonlijke aard is."

Uw betoog lijkt vooral van toepassing op West-Europa. Hoe verklaart u dat in de Verenigde Staten de religie naast de sport floreert?
"In West-Europa was het geloof tot en met de jaren zestig van de vorige eeuw verbonden met gezag. Zo zaten in Nederland leiders van de kerk ook in de Tweede Kamer. Het verzet tegen de gevestigde orde richtte zich daardoor ook tegen de kerken. In de VS heb je weliswaar hetzelfde moderniseringsproces, alleen zie je daar dat geloof zich niet zo met het gevestigde gezag associeert. Kerken en andere religieuze organisaties waren er veel minder nauw verbonden met elites en overheid.

Een kwestie die hiermee samenhangt is dat vrijheid op religieus gebied in de VS sterker is geworteld dan in Europa. Leden liepen eerder over naar een andere groepering dan in ons deel van de wereld. Die situatie maakt het begrijpelijk dat de meeste Amerikaanse religieuze organisaties zich ruimer opstelden tegenover nieuwe vormen van populaire cultuur."

Ga jij naar Tibet, dan kun je daar gewoon voetballen op straat

Het Sociaal en Cultureel Planbureau becijfert keer op keer dat kerkleden het vaakst aan vrijwilligerswerk doen. Dit is binding op lokaal niveau. Hoe zorgt sport hiervoor?
"In de kerken is het vrijwilligerswerk vanouds vooral bestemd voor de eigen parochie of gemeente. Zo is het ook met sportverenigingen, dat is de aard van het beestje. Ik zie niet zoveel verschil. Sportverenigingen worden gedragen door vrijwilligers. Dat kerkleden nu met liefdadigheid meer naar buiten treden dan vroeger is vooral een gevolg van het feit dat kerken kleiner worden. De slotsom is dat sport in West-Europa een beschavende werking heeft verworven die vergelijkbaar is met die van religie toen dat nog een bloeiende institutie was."

Anders dan sommige hooligans slopen kerkgangers geen bushokjes. Overschat u misschien de morele werking van sport en onderschat u die van het christendom?
"Bij ons in het Westen moet je inderdaad wat verder teruggaan, toch kent de geschiedenis van het christendom buitengewoon gewelddadige episodes. Niet zo vreemd. Godsdiensten zijn uiteindelijk exclusieve instituties. Alleen de gelovigen horen erbij.

Van georganiseerde sport gaat juist een grote eenheid uit. Denk aan het WK. De hele wereld kijkt ernaar. Zelfs China wil meedoen. Van dat globale karakter gaat in zekere mate een bindingskracht uit. Ga jij naar Tibet, dan kun je daar gewoon voetballen op straat.

Het lijkt allemaal vanzelfsprekend dat iedereen overal ter wereld het spel speelt volgens dezelfde regels. Die eenheid is er natuurlijk niet zomaar. Het moet ook in stand worden gehouden. De kleinste lokale verenigingen zitten in nationale bonden, die zitten weer in internationale bonden, die zitten weer in een koepelorganisatie als het Internationaal Olympisch Comité. Sport is daarmee veel universeler dan de wereldgodsdiensten met die claim.

Die universele sportmoraal is trouwens ook zo'n modern element. Het past veel beter in een geglobaliseerde wereld dan het christendom, dat maar op een deel van de wereldbevolking betrekking heeft."

Wie is Ruud Stokvis?
Ruud Stokvis (Amsterdam, 1943) is in Nederland een van de grondleggers van de sociologische en historische studie van sport. Tot 2008 was hij verbonden aan de afdeling sociologie van de Universiteit van Amsterdam. Zijn bekendste boeken zijn 'Sport, publiek en de media' (2003) en 'Fitter, harder & mooier: de onweerstaanbare opkomst van de fitnesscultuur' (2008, samen met Ivo van Hilvoorde).

Stokvis sportte zelf ook. Als roeier vertegenwoordigde hij Nederland tweemaal op de Olympische Spelen, in 1968 en 1972. De tweede keer won hij een medaille. Stokvis is nog steeds coach bij de Amsterdamse studentenroeivereniging Nereus.

Ruud Stokvis: Lege kerken, volle stadions. Sport en de sociale functies van religie. Amsterdam University Press, Amsterdam; 220 blz. €29,95

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie
Als van religie geen regulerende werking op de samenleving meer uitgaat, dan zal dat door andere instituties gebeuren

Bijna de helft van alle sport­be­oe­fe­naars in Nederland zijn kinderen. Die worden opgevoed 'in' de sport

Het fair play-ideaal van de sport biedt een moraal die meer past in een egalitaire samenleving, waar een groot deel van de onderlinge betrekkingen van onpersoonlijke aard is

Ga jij naar Tibet, dan kun je daar gewoon voetballen op straat