Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Vietnam, Irak en schipperend Nederland

Home

J.A.A. van Doorn

Naarmate de chaos groeit, wordt achter de werkelijkheid van Irak de bloedige schim van Vietnam zichtbaar. Ook toen was Amerika met het optimisme van een wereldmacht ten strijde getrokken tegen een schijnbaar zwakke vijand om na verloop van tijd te ontdekken in een moeras te zijn beland. Ook in Vietnam trachtten de Amerikanen zich te redden door de macht over te dragen aan een marionettenregering, rijkelijk van geld en wapens voorzien. En ook destijds werd Amerika's reputatie in de wereld door een onberaden oorlogsavontuur ernstig beschadigd.

Niet alleen het verloop van beide conflicten, ook hun dubieuze begin vertoont opmerkelijke overeenkomsten. In Vietnam luidde het voorwendsel dat -in 1964- Amerikaanse oorlogsschepen door Vietnamezen zouden zijn beschoten, wat achteraf deels een leugen, deels een vergissing van Amerikaanse zijde bleek te zijn. Met betrekking tot Irak is zelfs een heel web van leugens en vergissingen ontworpen, inmiddels stuk voor stuk ontrafeld en weerlegd.

In beide gevallen kreeg het aangevallen land een plaats toegewezen in een sinister complot. Zoals Irak een broedplaats van internationaal terrorisme heette, zo werd het communistische Noord-Vietnam gezien als een bedreiging van heel Zuidoost-Azië. Het een en het ander is onzin gebleken.

Er zijn ook verschillen aan te wijzen. In Vietnam ging het om de verdediging van Zuid-Vietnam tegen het communistische noorden; in Irak is er geen buitenlandse maar uitsluitend een binnenlandse vijand die zich blijft roeren. Duur en dramatiek van beide oorlogen zijn -tot nog toe- onvergelijkbaar. In Vietnam werd tien jaar lang gevochten, van 1965 tot 1975, terwijl de strijd in Irak pas anderhalf jaar oud is. De eerste oorlog kostte meer dan vijftigduizend Amerikaanse doden, in Irak staat de teller op ruim duizend. En de Amerikaanse aftocht lijkt nu al begonnen.

Heel opmerkelijk is het moment van reactie in de wereldopinie. Over de Amerikaanse operaties in Vietnam, vooral de meedogenloze bombardementen op het noorden, ontstond pas in de jaren zeventig massale verontwaardiging. In het geval van Irak gingen enorme protestbetogingen aan de oorlog vooraf. In Londen gingen in februari vorig jaar een miljoen mensen de straat op, in Madrid en Barcelona samen bijna twee miljoen, in Berlijn een half miljoen, in Parijs een kwart miljoen.

Eigenaardig genoeg viel het protestgrage Nederland, anders dan in de tijd van Vietnam, vorig jaar uit de toon: 'slechts' 70000 mensen protesteerden. Nog eigenaardiger was de houding van de Nederlandse regering, die zich niet aansloot bij de door Amerika georganiseerde coalition of the willing maar die tevens afstand hield tot de negatieve houding van Berlijn en Parijs (en Brussel). Nederland stond ten opzichte van Washington politiek welwillend maar militair kritisch, hoewel het toch ook bereid was troepen te leveren die een deel van Irak bezetten maar geen bezetters mochten heten. Het zijn ontwikkelingswerkers, in uniform.

De legitimering van deze politiek was even onhelder als de politiek zelf. Ze kwam neer op een beredeneerd zwalken, met het kabinet voorop en de Kamer er achteraan hobbelend. Wat Den Haag precies bezielde, is nooit duidelijk geworden. Pas toekomstige politici zullen tippen van de sluier kunnen oplichten.

Voor de Vietnam-oorlog is dat onlangs gedaan. In het laatstverschenen nummer van het Tijdschrift voor Geschiedenis publiceerde Rimko van der Maar een gedegen artikel over de houding van de Nederlandse regering ten aanzien van het Vietnamese conflict.

Als algemene conclusie kan gelden dat de regering destijds -Van der Maar gaat tot het optreden van het kabinet-Den Uyl in 1973- klem zat tussen de toenemend kritische geluiden uit parlement en samenleving en de eigen voorkeur voor een vastberaden pro-Amerikaanse koers, met name belichaamd in minister van Buitenlandse Zaken Josef Luns.

In het algemeen kon men moeilijk eraan wennen dat een onderwerp uit de buitenlandse politiek, normaliter het domein van de minister met zijn diplomaten en ambtenaren, heftige parlementaire en publieke reacties opriep waarmee op de een of andere manier moest worden omgegaan. Soms nam de regering haar toevlucht tot het botweg afwijzen van kamermoties, soms was een listiger uitweg nodig, zoals de belofte van een internationaal vredesinitiatief van Nederland. In 1968 en 1970 werd iets dergelijks ondernomen, in de veilige zekerheid dat het toch geen succes zou worden.

Allesoverheersend was de vrees dat men Navo-bondgenoot Amerika van zich zou vervreemden. Terwijl minister van Buitenlandse Zaken Schmelzer, die Luns was opgevolgd, openlijk kritische geluiden over het Amerikaanse optreden liet horen, deed hij achter de schermen zijn best de Amerikanen gerust te stellen. Men was met reden behoedzaam. De enige keer dat Nederland in Washington formeel protesteerde, in januari 1973, werd beantwoord met een Amerikaanse reprimande die in het kabinet tot bedremmelde zorg leidde.

De terughoudendheid van de regering was wel begrijpelijk. De Navo was ten tijde van de Koude Oorlog de hoeksteen van ook onze nationale veiligheid. Waarom men thans ten aanzien van Irak zo timide op Amerikaanse wensen reageert, is minder verklaarbaar. Oefent Amerika nu nog sterkere druk uit dan destijds over Vietnam?

We zullen het niet weten, tot het moment dat de archieven opengaan en de bewegingen achter de schermen zichtbaar worden. Tot die tijd zullen we ons blijven verbazen over een politiek van schipperen en onwetend blijven over wat de schippers drijft.

Deel dit artikel