Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

VERLOREN HOOP

Home

HANS MARIJNISSEN

De Nederlandse notarissen hebben nog maar voor een half miljoen gulden aan joodse tegoeden in beheer, bleek deze week. Maar hoeveel joods goud ligt er nog in Zwitserse kluizen? En waar zijn de door de nazi's geroofde kunstobjecten? De joodse gemeenschap is nog steeds op zoek naar haar bezittingen. De vraag of dat nog zin heeft, wordt steeds prangender.

Riod-medewerker Gerard Aalders doet het eerste onderzoek naar het roven van goud door de nazi's, het achteroverdrukken van kunst en het witwassen van waardepapieren, vanuit een kamer waar ooit een Duitse klerk aan het werk moet zijn geweest. Aalders heeft een enorme kast vol ordners met materiaal over met name de roof door de Duitsers op joodse Nederlanders - van goudvoorraden tot aan de theelepeltjes, zo zegt hij. En hij ging op zijn eigen strooptocht door de archieven van Washington tot die in het Oekraiense Kiev.

Isaac Lipschits, emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis, moet ook zo'n kast vol materiaal hebben. Hij publiceerde deze week ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Stichting joods maatschappelijk werk (SJM) het boek Tsedaka, waarin het wegvoeren van de Nederlandse joden en de terugkeer van zo weinigen, de roof en het geringe herstel een voorname plaats innemen.

Wie het nog lopende onderzoek van Aalders en dat van Lipschits naast elkaar legt, krijgt een verrassend overzicht van de zo goed georganiseerde en geregisseerde 'Pluk ze-actie' op Nederlandse joden, een proces waaraan niet alleen de nazi's actief deelnamen, maar dat ook door veel Nederlanders, op verschillende niveaus, werd ondersteund. “In juni 1940 al”, zegt Aalders, “in de eerste weken van de bezetting, zijn de Duitsers begonnen met de plundering van de joodse bibliotheken en archieven. Niet zozeer vanwege de financiële waarde van de documenten, maar om 'het gedachtegoed' van de vijand te leren kennen. Kort daarna 'kocht' de bezetter kunstwerken 'aan', beter gezegd: Nederlandse burgers werden gedwongen hun topstukken van de hand te doen, de Duitsers betaalden in guldens die ze eerst hadden aangeschaft met waardeloze Reichsmarken. Goering bemoeide zich persoonlijk met deze roof, wilde met de stukken onder andere het nooit gebouwde Führer-museum in Linz inrichten, maar trof in Nederland eigenlijk weinig topstukken uit joods bezit aan. In Frankrijk, bijvoorbeeld, was de opbrengst relatief gezien veel groter.”

Het toppen van de joodse kunstcollectie was nog maar een kleine operatie vergeleken met wat nog zou volgen. Met de geraffineerde en stapsgewijze overname van joodse belangen in bedrijven bereidde de bezetter al stap 2 in de 'Pluk Ze-actie' voor. In augustus 1941 ging namelijk de eerste zogenaamde LiRo-verordening in. Aalders: “De Duitsers hadden daartoe het gerenommeerde joodse bankiershuis Lippmann, Rosenthal & Co (LiRo) in de Amsterdamse Sarphatistraat overgenomen om vervolgens te bepalen dat alle joodse Nederlanders hun contante geld, cheques en banktegoeden bij deze bank moesten onderbrengen. Ook alle waardepapieren moesten worden aangemeld en overgedragen. In de praktijk betekende een rekening bij deze roofbank, waar de vader van schrijver Harry Mulisch nog directeur was, dat men zijn geld kwijt was, al had niet iedereen dat in de gaten.”

In mei 1942 volgde de tweede LiRo-verordening, waarmee de joodse bevolking werd gedwongen alle kostbaarheden bij de depots van de bank in te leveren: alle sieraden en edelmetalen ('gebitvullingen in persoonlijk gebruik' uitgezonderd). De roerende goederen werden onteigend en in LiRo-depots ondergebracht. Zelfs de levensverzekeringen werden door de LiRo-bank overgenomen, waarna de polissen werden afgekocht door de verzekeringsmaatschappijen. Het geld ging opnieuw naar de bank.

Speciaal ingestelde Devisenschutzkommandos zorgden ervoor dat de joodse bevolking daadwerkelijk haar zaken inleverde en dat deze te gelde konden worden gemaakt. Wie in Amsterdam uiteindelijke op transport werd gesteld, kon er zeker van zijn dat na vertrek de firma Puls kwam voorrijden, die de woning vervolgens compleet leeghaalde (de Amsterdammers gebruikten daarvoor het werkwoord 'pulsen') en de boedel bij de depots van de LiRo-bank inleverde.

Sommige joden dachten er goed aan te doen, bezit tijdelijk onder te brengen bij niet-joodse buren of vrienden. In veel gevallen bleek dit een goede oplossing en zo konden de mensen die het kamp overleefden na de oorlog hun bezittingen terugkrijgen. Andere niet-joodse Nederlanders gedroegen zich als 'bewariërs', een begrip dat na de oorlog werd gebruikt voor mensen die zich niet meer konden herinneren dat zij ooit kostbaarheden voor joden hadden bewaard.

De LiRo-bank was overigens nog niet klaar met de joden die hun huizen hadden moeten verlaten. Immers, sommigen hadden ondanks alle verordeningen toch nog sieraden of geld bij zich. Via SD'er E. Puttkammer werden zij verlokt om voor 300 000 gulden - alleen te voldoen in edelmetalen - een stempel te kopen dat een (tijdelijk) uitstel van verder transport betekende. En de bank opende in kamp Westerbork een heus filiaal waar speciale teams de resterende bezittingen opspoorden. LiRo wist daar nog eens een bedrag van 100 miljoen gulden te onderscheppen. “Het totale bedrag van de Nazi-roof op joden in Nederland bedroeg naar schatting 7 miljard gulden, de helft van de buit bestond uit aandelen en obligaties”, aldus Aalders.

In de vernietigingskampen sloegen de Nazi-rovers voor de laatste keer toe en verwijderen uit de gebitten van de in de gaskamer omgekomen joden de gouden vullingen en kiezen. Delen van dit Totengold zijn teruggevonden in een oude mijn, grote hoeveelheden zijn omgesmolten tot keurige, onherkenbare broodjes van vierduizend vullingen, voorzien van valse stempels en niet van monetair goud te onderscheiden.

Aalders heeft de afgelopen jaren onderzocht wat er met de geroofde joodse bezittingen is gebeurd en hoe de nazi's hun buit te gelde hebben gemaakt. Met de harde valuta en de edelmetalen hebben zij de oorlog gefinancierd, de kunst ging voor een groot deel naar Duitse depots in afwachting van plaatsing in het Führer-museum, maar ook kwamen hoge functionarissen als Goering en Rauter regelmatig persoonlijk in de Nederlandse depots shoppen. In de loop van de oorlog zijn veel objecten als 'diplomatieke post' via neutrale landen de wereld in verdwenen. Een vijfde van de topstukken is nog steeds niet terecht, tachtig procent van de overige kunstobjecten blijft spoorloos. De meeste in beslag genomen inboedel ging naar de door geallieerde bombardementen getroffen Duitse steden, al verdwenen er ook veel goederen uit de depots van de LiRo-bank door toedoen van Duits en Nederlands personeel dat een graantje wilde meepikken.

Met de verwerking van de duizenden in beslag genomen waardepapieren hadden de Duitsers opmerkelijk genoeg geen enkele moeite. Met dank aan de Amsterdamse effectenbeurs. Aanvankelijk stelden vertegenwoordigers van de beurs na de oorlog dat men niet had geweten dat de op de markt gebrachte en verhandelde obligaties van joden geroofd waren, later kwam het argument dat als die gestolen waardepapieren toch verhandeld gingen worden, dit beter in Nederland kon gebeuren. En, zegt Aalders, geheel ten onrechte is de tot Nederlander genaturaliseerde Duitser Otto Rebholz achteraf als zondebok voor deze handel aangewezen. “Van de 3,5 miljard gulden aan obligaties en effecten is 1 miljard gebruikt voor onder andere de 'financiering' van en het transport naar de kampen Vught en Westerbork. De joodse Nederlanders hebben feitelijk hun eigen deportatie betaald. Handelaar Rebholz tekende voor 300 miljoen, zodat dus voor 2,2 miljard gulden in obligaties grotendeels is verhandeld door Nederlandse handelaren. Via omwegen naar Zwitserland, Spanje, Zweden en Portugal konden de obligaties uiteindelijk worden omgezet in buitenlandse valuta, waarmee de nazi's weer inkopen konden doen voor de oorlogsmachine.”

In 1941 hebben zich bij de Duitse bezetter 140 552 joden laten registreren, 14 549 halfjoden en 5 719 kwartjoden. Naar schatting 30 000 tot 36 000 joodse Nederlanders overleefden de vervolging, maar moesten in het naoorlogse Nederland volgens Isaac Lipschits opnieuw een 'kleine sjoa' ondergaan. Bij terugkomst van de joden uit de kampen was Nederland niet alleen 'koel en zakelijk', het bleek ook uitermate moeilijk de joodse eigendommen terug te krijgen. De door de regering ingestelde Raad voor Rechtsherstel had namelijk bepaald dat joden alles terug dienden te krijgen, tenzij de naoorlogse bezitter kon hardmaken dat hij te goeder trouw de goederen van derden had betrokken.

VERVOLG OP PAGINA 2

VERVLOGEN HOOP VERVOLG VAN PAGINA 1

Zo kon de strijd om de geroofde waardepapieren pas in 1953 worden gestaakt toen de joodse eigenaren negentig procent van de waarde vergoed kregen. “Het bestuur van de Vereniging voor Effectenhandel”, aldus Lipschits, “stelde dat wie tijdens de oorlog op de beurs had gekocht, dit te goeder trouw had gedaan en dus rechtmatig eigenaar was. Dit was fictie, omdat iedereen die op de beurs van Lippmann-Rosenthal kocht, wist dat dit effecten uit joods bezit betrof.” Toch nam het kabinet in 1945 het standpunt van de beurs over. De rechter gaf in 1952 de joodse eisers gelijk, maar daags na de uitspraak ging de beurs uit protest in staking, waarna het kabinet voor een noodwetje zorgde dat de uitspraak van de rechter weer ongedaan maakte. Een jaar later pas werd overeenstemming bereikt over een vergoeding tot 90 procent, pas in 1971 waren alle werkzaamheden die hiermee verbonden waren, uitgevoerd.

Eenvoudiger zaken, als de vergoeding van de schade aan huisraad, bleken ook uiterst ingewikkeld afgehandeld te moeten worden. Het rijk vergoedde dan wel een deel van die schade, maar wie verzekerd was, moest de rest claimen bij de maatschappij. De Onderlinge Oorlogsschade Verzekeringsmaatschappij (OOM) stelde echter dat zij uitkeerde voor schade die was aangericht door een militaire macht, maar dat het leeghalen van de huizen door burgelijke organisaties was gebeurd en dat de jodenvervolging geen militaire, maar een politieke maatregel was geweest. Pas in 1947 keerde OOM uit, na - opnieuw - een rechterlijke uitspraak.

De levensverzekeringsmaatschappijen speelden hetzelfde spelletje. De roofbank Lippmann-Rosenthal had de joden gedwongen de polissen af te kopen, na de oorlog weigerden de maatschappijen dan ook na overlijden uit te keren. De polissen waren toch afgekocht? Het herstel van die polissen zou neerkomen op het afwentelen van de joodse oorlogsschade op de verzekeringsmaatschappijen. Zij gingen pas overstag na een uitspraak van de Raad voor rechtsherstel, maar ook toen nog bleek uitkering moeilijk omdat joden zelden een overlijdensacte van een vermoord familielid konden overleggen. Formeel waren de niet teruggekeerden slechts 'vermist'.

En dan was er nog het overgebleven kapitaal in de pot van de Lippmann-Rosenthal-bank, in 1945 nog zo'n 214 miljoen gulden. Het is uiterst moeilijk gebleken uit te maken wie nog welk geldbedrag bij de LiRo had staan, omdat de bezetter de zaak tot 1 januari 1943 had geadministreerd, en vervolgens alle rekeningen onder een Sammelkonto had gebracht. Na jarenlang touwtrekken, kregen de rechthebbenden pas in 1957 90 procent van de overgebleven boedel.

De joodse gemeenschap in Nederland heeft het liever niet over Wiedergutmachung of herstelbetalingen, als het gaat om het geld dat Duitsland na de Tweede Wereldoorlog heeft uitgekeerd. Het gaat hier volgens Lipschits om schadevergoedingen. Immers, van herstel van de vooroorlogse joodse gemeenschap kon geen sprake meer zijn. Opnieuw moest de rechter eraan te pas komen, omdat de Duitse wet alleen schade vergoedde aan mensen die vóór 1 januari 1947 voor een langere periode hun vaste woonplaats hadden op het grondgebied van de Bondsrepubliek. Een verblijf in een concentratiekamp behoorde daar niet toe, tot in 1955 de rechter anders bepaalde.

De Bondsrepubliek heeft zich uiteindelijk verplicht DM 280 miljoen schadevergoeding aan Nederland te betalen, waarvan 125 miljoen voor Nederlanders die 'om redenen van ras, geloof of wereldbeschouwing' door de nazi's vervolgd waren. Pas in 1966 werd de laatste uitkering toegezegd, 51 106 van de 60 601 aanvragen werden gehonoreerd.

Daarmee is beslist niet gezegd dat alle joodse eigendommen die door de nazi's zijn geconfisceerd en niet voor de financiering van de oorlog zijn gebruikt, inmiddels bij de rechtmatige eigenaar terug zijn. Bij Zwitserse banken alleen al bestaan zo'n 900 slapende rekeningen, waaronder wellicht ook van Nederlandse joden, waarop zo'n vijftig miljoen gulden staat. Volgens het machtige Joods Wereld Congres zou het eerder om miljarden guldens gaan, maar het blijft onduidelijk waarop die organisatie zich baseert. Het is namelijk ondoenlijk uit te maken hoeveel geld en goud zich in Zwitserse kluizen bevindt, waar de sommen vandaan komen en aan wie het toebehoort.

Aangenomen wordt dat op veel rekeningen vluchtkapitaal staat dat door onder andere joodse burgers uit diverse Europese landen is gestort voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ook bij banken in Engeland, Portugal en Frankrijk moeten zich zulke vluchtrekeningen bevinden. Om die te beveiligen, gebruikten veel eigenaren niet hun eigen naam, maar kozen zij voor een nummer, vaak zonder hun directe omgeving daarvan in kennis te stellen. Na de oorlog weet nog steeds niemand óf hun in de oorlog verloren familie een rekening in het buitenland had, laat staan met welk nummer. De nazi's gebruikten precies dezelfde methoden om hun geroofde privé-bezit in het buitenland veilig te stellen.

Aannemelijk is ook dat veel door nazi-Duitsland geroofd goud zich in Zwitserse kluizen bevindt, al zullen ook andere landen broodjes op de plank hebben liggen. In de beginjaren van de oorlog bracht Duitsland nog eigen goud naar Zwitserland, maar begin 1943 was de voorraad van 2 miljard gulden aan goud al ondergebracht, en moest alles wat dan nog de grens passeerde, als 'gestolen' worden beschouwd. Toch liet Zwitserland de deur openstaan. Zo kon Duitsland in totaal voor elf miljard gulden aan goud naar Zwitserland overbrengen, waarmee deels de oorlogsindustrie werd gefinancierd. Voor het gootste gedeelte bestond dit transport uit monetair goud, dat uit de nationale banken van de bezette gebieden werd geroofd. Er moet ook joods goud zijn uitgevoerd, maar de omgesmolten sieraden met valse stempels zijn niet als zodanig te herkennen geweest.

In de discussies over de joodse tegoeden in Zwitserland wordt er soms ten onrechte vanuit gegaan dat alle broodjes goud Totengold betreffen, dus uit omgesmolten vullingen en ringen van kampslachtoffers bestaat. Volgens Aalders wordt de jacht op nazi-goud daardoor niet alleen onnodig sensationeel, maar roept ze ook emoties op en worden verwachtingen gewekt die niet kunnen worden waargemaakt.

“Zelfs al kunnen individuele joodse vervolgden of hun nabestaanden aantonen dat er persoonlijke tegoeden zijn gedeponeerd op Zwitserse banken, dan zal het niet eenvoudig zijn die op te eisen”, aldus Aalders. Verder zouden joodse slachtoffers die een Duitse schadevergoeding hebben geaccepteerd, zich moeten afvragen of zij daardoor niet moeten afzien van nieuwe claims. Ook in Israël laait op dit moment de discussie op of de claims op het nazi-goud wel realistisch zijn en wenselijk. Wordt zo niet opnieuw de nadruk gelegd op 'de jood als slachtoffer', vraagt men zich af.

De enige mogelijkheid voor een genoegdoening voor joodse vervolgden en hun nabestaanden lijkt op dit moment een fonds dat de Zwitserse regering woensdag in het leven heeft geroepen en waarin geld van banken wordt ondergebracht, die in het verleden flink aan de nazi's hebben verdiend. Het fonds zou in zijn algemeenheid gebruikt kunnen worden voor hulp aan overlevenden van de holocaust en hun familie, los van de vraag of zij enige connectie hadden met Zwitserland.

Het fonds beschikt nu al over een kapitaal van zo'n 130 miljoen gulden, dat eerder deze maand werd gestort door de drie grootste Zwitserse banken. Verdere donaties worden verwacht van Zwitserse verzekeringsmaatschappijen en bedrijven, waarvan vele financieel hebben geprofiteerd van de Tweede Wereldoorlog.

Of dit de genoegdoening is waarop het Joods Wereld Congres zit te wachten, is de vraag. Zeker is wel dat de Zwitsers laat zijn. Ruim vijftig jaar na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog openen de 'bankiers van de Führer' hun kluisdeuren.

Deel dit artikel