Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Verhalen van een drijvend eiland

Home

Haro Hielkema

'God is hier nooit geweest', schreef Paul de Schipper onlangs in zijn boek over Orisant, een verdronken eiland in de Oosterschelde. Voor vroom Zeeland is het een krasse uitspraak, maar wel waar. Orisant is door de mens gewonnen op de zee en na korte tijd als de wiedeweerga aan de elementen teruggegeven.

Vanaf de dijk van Noord-Beveland fantaseren we wat af over Orisant (of Orisand), op de Schaar van Colijnsplaat. Het eiland moet een paar kilometer uit de kust hebben gelegen, aan de overkant van de geul de Fael. Eerst is het een zandbank waarop slijkgras groeit, daarna wordt het steeds hoger en droger door afgezet slib en uiteindelijk wordt Orisant in 1602 bedijkt en ingepolderd.

Dat werk gebeurt in opdracht van twee kinderen van Willem van Oranje, Filips-Willem en Maria van Nassau, in een tijd dat van elk droogvallend stukje land in de Nederlandse modderdelta een polder wordt gemaakt. Eerst zijn het herders die met hun vee de grazige slikken verkennen, dan steken dijkwerkers vanuit Noord-Beveland met spaden en schoppen de vaargeul over en tot slot volgen timmerlieden. Zo ontstaat daar een kleine gemeenschap in de woelige monding van de Oosterschelde, nat en ongezond.

Hans van Damme, de eerste schout, is aanvankelijk hoopvol gestemd over Orisant, lezen we in de historische roman van Paul de Schipper. Maar in het speelveld van de zee valt er aan het begin van de 17de eeuw weinig te hopen. De pest slaat toe op Orisant, de hongersnood houdt huis. Dijken vallen, dijken breken. Van Damme gaat er al in 1609 schielijk vandoor, in 1634 volgen de meeste pachters zijn voorbeeld en slechts drie families blijven achter tot 1639. Steeds meer land spoelt weg. Uiteindelijk eindigt Van Damme zijn leven als armoedzaaiende hondenwachter in de kerk van Colijnsplaat en eist de Oosterschelde het eiland definitief op. Orisant -'zwemmend land', volgens De Schipper- bestaat dan niet meer. Orisant is een verhaal geworden.

Dat verhaal mijmert door het hoofd, terwijl we een etappe van het splinternieuwe Oosterscheldepad uitproberen. 'Het mooiste stuk, maar het minste te beleven', had een kenner van Zeeland dit traject genoemd. Alsof men hier aan de dijk van Noord-Beveland al niet genoeg beleefd heeft. Dit Zeeuwse eiland is óók een keer verzwolgen door de vloed. Het was op St. Felix Quade Saterdach, 5 november, in 1530: alleen de kerktoren van Kortgene stak nog boven het water uit. En ook de Ramp van 1953 werd een tranendal voor de Bevelanders. Aan de haven van Colijnsplaat word je daar aan herinnerd door een imposant beeld, het monument 'Houen jongens'. Wat hebben de mensen van 'Colijn' gevochten toen, schouder aan schouder geduwd tegen de vloedplanken in de coupure. Totdat plots op het spannendste moment een klein vrachtschip vanuit de haven op de kade werd gegooid en het geweld van het water werd gebroken. Niet voor niets wordt die gebeurtenis wel aangeduid als het 'wonder van Colijnsplaat'.

En dan is er de vondst van de Nehallenia-altaartjes, ook pal onder de kust. Daar waar in de tijd van het Romeinse Rijk de haven van Ganuenta lag, een belangrijk handelscentrum, vertrouwden koop- en zeelui hun zaligheid graag toe aan een hogere macht: aan de moedergodin, de Neeltje Jans van de Lage Landen. Om haar gunsten af te smeken bezochten zij haar tempel geregeld en lieten daar grote votiefstenen met hun naam en adres er ingebeiteld achter. In 1970 kreeg de Tholense visser K. Bout er nog een paar in de netten van zijn garnalenkotter, ongeveer op de plek waar later Orisant gelegen heeft. Sindsdien is die locatie een favoriete plek voor duikers; ze hebben al eens resten van een huis uit de Romeinse tijd waargenomen.

Met deze verhalen is de wandeling over de rand van Noord-Beveland een kostelijke gebeurtenis. Het landschap is inderdaad eentonig -de Oosterschelde, overal even mooi; de natuur, steeds maar weer boeiend; de strak verkavelde polders, met zorg bewerkt en hier en daar al weer toegedekt voor de winter. Niet te veel zorgen maken over de route. De wit-gele streepjes leiden je vrijwel zonder uitzondering over de dikke zeedijk, met prachtige uitzicht op mosselpercelen en besteend rijshoofden. Elke zomerdag loopt daar wel een visser, wadend door het slik om zijn fuiken te controleren. Ter hoogte van de Wanteskuup zien we er een, zwoegend met netten en tassen. Zo doet hij z'n hele leven al. Deze keer is de buit twee tongetjes. Niet veel misschien na zo'n tocht, maar méér heeft de mens toch niet nodig?

De kustlijn lijkt wel golfkarton. Steeds weer duikt de dijk een stukje landinwaarts, om vervolgens weer terug te wijken naar het water. Dit zigzaggen is het gevolg van de vele 'dijkvallen' die hier in het verleden hebben plaatsgevonden, verzakkingen van grondlagen langs de oevers van de Oosterschelde. Alleen al tussen 1800 en 1960 zijn meer dan 240 van deze dijkvallen geteld. Ze werden verholpen door landinwaarts een reservedijk aan te leggen, waardoor een minipoldertje ontstond: een 'inlaag'. De grond voor de dijken kwam doorgaans uit de inlagen zelf, die dus niet voor niets op z'n Bevelands een kuup (kuip) worden genoemd (zoals de Wanteskuup). De meeste inlagen bevatten zoet water en zijn enorm vogelrijk.

Bijna ongemerkt eindt de kust van Noord-Beveland bij de Oosterscheldekering en eindigt de etappe. De Sophiahaven met z'n jachten en recreatiehuisjes gemeden, de drukke campings voorbijgesneld, de 'hoofdstad' Wissenkerk op afstand gehouden. Alleen maar dromen over de Oosterschelde. Ken je het verhaal van Johannis de Rijke, zoon van een kleine aannemer uit Colijnsplaat, maar in Japan aanbeden als een halfgod? Johannis (geboren in 1843) was leerling bij de bouw van de Oranjesluizen in Amsterdam en werd door zijn baas meegenomen naar Japan, waar hij uitgroeide tot de Cornelis Lely onder de Rijzende Zon. Hij legde de haven van Osaka aan, hij deed hetzelfde in Tokyo en Yokohama en verwierf nog meer roem bij de bouw van het grote tunnelkanaal tussen het Biwameer en Kyoto. Het kind uit 'Colijn' werd een vaste gast op de theevisite bij de keizer en kreeg onder meer een standbeeld, een museum en een vermelding in de schoolboekjes. Nog steeds bezoeken Japanse toeristen het graf van De Rijke op Zorgvlied in Amsterdam, en dat terwijl hij al in 1903 overleed.

Deel dit artikel