Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Veel kerken eten nog volop uit de staatsruif

Home

Gerbert van Loenen

,,Nederland is de uitzondering'', zegt ds. N.H. Kuipéri van de Bond van Nederlandse predikanten. ,,En daar plukken we nu toch wel de vruchten van.'' Doordat kerkleden eraan zijn gewend dat zijzelf voor de financiering van het kerkenwerk moeten zorgdragen, is een stabieler fundament gelegd dan in landen waar de overheid helpt. Vandaag aan het slot van een serie ter gelegenheid van de Actie Kerkbalans een overzicht hoe kerken in Europa aan hun geld komen.

De enige landen in Europa waar kerken evenzeer afhankelijk zijn van vrijwillige bijdragen van hun leden als de Nederlandse, zijn te vinden in het voormalige communistische oostblok. Maar vanwege de moeilijke economische situatie daar, zijn kerken er in de praktijk vaak afhankelijk van aanvullende hulp van westerse kerken, hoewel de rk kerk in Polen zich aardig weet te redden met de pachtopbrengsten van grond die zij heeft teruggekregen.

Een kerk die zichzelf bedruipt, maar die anders dan de Nederlandse daarbij niet zozeer leeft van vrijwillige bijdragen alswel van inkomsten uit oud bezit, is de Portugese rk kerk. Net als de Poolse rk kerk bezit de Portugese veel land en leeft ze van de pacht die dat opbrengt.

Dergelijke inkomsten uit bezit ('dood geld') spekten lange tijd ook de Church of England, maar deze gaat intussen steeds meer op de Nederlandse kerken lijken wat de financiering betreft. Tegenwoordig bedruipt de Church of England zich dan ook voor tweederde uit vrijwillige bijdragen van de leden ('levend geld').

In Nederland kunnen de kerken, vooral de protestantse, slechts in geringe mate rentenieren en moeten zij het voor het overgrote deel van de vrijwillige bijdragen hebben. Zo haalden de gereformeerden in 1998 87 procent, de hervormden 81 procent en de katholieken 71 procent van hun inkomsten uit levend geld.

In alle andere West-Europese landen helpt de staat de kerken. In Griekenland, Noorwegen en België betaalt de overheid zelfs vrijwel alle kosten van de kerk, waarbij in België ook aan de minderheidskerken wordt gedacht.

In Denemarken, Zweden, Finland, Duitsland en delen van Zwitserland worden de kerken grotendeels betaald uit de kerkbelasting: de overheid dwingt de leden van de kerken een vastgestelde bijdrage aan de kerk te betalen en fungeert als het ware als incasso van de kerk. Daarbij geldt dat in Finland en sommige Zwitserse kantons zelfs bedrijven belasting betalen aan de kerk. Wie geen kerkbelasting wil betalen, moet zich laten uitschrijven als kerklid.

Bovenop deze kerkbelasting ontvangen de kerken in sommige van de genoemde landen ook rechtstreeks subsidie van de overheid. Zoals in Zweden, waar de vanouds innige banden tussen de lutherse kerk en de staat zojuist zijn verbroken, en de kerk, om te kunnen wennen aan haar zelfstandigheid, overheidshulp krijgt. In Denemarken hoeft de lutherse kerk het evenmin met de inkomsten uit de kerkbelasting alleen te doen: daar betaalt de overheid bovendien zestig procent van de domineessalarissen, alle overige lonen van kerkelijk medewerkers en het grootste deel van het onderhoud van de kerkgebouwen.

'Cultusbelasting' kenmerkt de situatie in Italië en Spanje. Elke inkomstenbelastingbetaler is verplicht deze belasting te betalen, maar de burger zelf mag aangeven of het geld naar een kerk naar keuze of naar een sociaal doel moet worden overgemaakt. Maar ook hier weer completeert overheidssubsidie soms de kerkelijke belastinginkomsten, want de rk kerk in Spanje krijgt de, na ontvangst van deze 'goede-doelenbelasting' nog resterende, gaten in haar begroting rechtstreeks door de overheid aangevuld.

In Oostenrijk moet elk kerklid een financiële bijdrage leveren, waarvan de hoogte wordt vastgesteld door de kerk. Op een kerklid dat niet betaalt, kan de kerk een deurwaarder afsturen. In vergelijking met landen waar de fiscus het geld voor de kerk binnenhaalt, is dat een weinig effectief wapen, maar vergeleken met Nederland gaat het al heel ver.

Een land waar de dominees minder dan het minimumloon verdienen en ook de pastoors bijbanen moeten zoeken, is Frankrijk. Daar zijn de kerken zelf verantwoordelijk voor hun inkomsten. Belangrijk verschil met Nederland is dat de rk kerkgebouwen eigendom zijn van de overheid en ook door de overheid onderhouden worden, of althans zouden moeten worden. De protestanten bezitten en onderhouden hun kerken zelf.

Zeer afwijkend is de toestand in drie departementen in Elzas-Lotharingen, waar op grond van historische verplichtingen de kerken voor hun geld geheel op de staat mogen leunen.

In Nederland intussen vermengt de jaloezie op de kerken in landen met gullere overheden zich met enige trots over de eigen financiële zelfredzaamheid. ,,Wij zijn de enigen in Europa die het helemaal zelf doen, en dan ook nog oecumenisch: dat maakt indruk als je het vertelt in het buitenland'', meent ds. H.A. van Til, voorzitter van de interkerkelijke commissie geldwerving.

Van Til is onder meer in Duitsland gevraagd uit te leggen hoe de Nederlandse kerken zich redden. Dat minderheidskerken blijkbaar opeens tot voorbeeld strekken komt doordat kerken die in hun gebied van oudsher op een meerderheid van de bevolking konden steunen, nu door de ontkerkelijking alsnog kunnen veranderen in een minderheid. Het is weinig realistisch om als minderheid te denken dat de overheid op lange termijn voor je financiën blijft zorgen.

Zo ontstond in België vorig jaar in verkiezingstijd een debat over de vraag of de staat de rk kerk zo royaal moet blijven steunen.

In Duitsland ligt het systeem van kerkbelasting voortdurend onder vuur, zij het dat op korte termijn geen politieke meerderheid in zicht lijkt die er een einde aan kan maken. Kerken met dalende ledentallen die zichzelf bedruipen zouden op termijn wel eens beter kunnen overleven dan kerken die dalende ledentallen combineren met veel overheidshulp.

Deel dit artikel