Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Van Paulus geloof ik het

Home

Geurt Henk van Kooten

De enige echt betrouwbare getuige van de opstanding van Christus was Paulus, schrijft theoloog Geurt Henk van Kooten. „Wat zijn verhaal zo geloofwaardig maakt, is dat hij voor de dood en opstanding van Jezus nog geen discipel was.”

In veel kerken, en zeker in de Protestantse Kerk in Nederland, is de ervaring van Christus’ opstanding gevangen geraakt in tegenstellingen tussen orthodoxie en vrijzinnigheid. Volgens orthodoxen is de opstanding waar omdat het in de Bijbel, in het Nieuwe Testament, staat; ze beschouwen deze geschriften als geopenbaard dus moet de inhoud wel waar zijn. Volgens vrijzinnigen daarentegen heeft de opstanding een niet-letterlijke, overdrachtelijke betekenis: zij is ’niet werkelijk gebeurd, maar wel waar’.

Zoals bij zoveel geloofsvoorstellingen, geldt ook hier dat zulke spanningen tussen orthodoxie en vrijzinnigheid meer een uitdrukking zijn van tegenstellingen uit de negentiende en twintigste eeuw, dan dat ze van doen hebben met de vroege kerk.

Een heel andere benadering doet navraag naar wat de allereerste volgelingen van Jezus ervaren hebben na zijn dood, waarbij we twee groepen onderscheiden. De eerste groep was al voor Jezus’ dood discipel, zoals in het geval van Petrus. Deze stem horen wij vooral in de evangeliën, de biografieën die binnen vijftig jaar na Jezus’ dood geschreven werden. Het probleem met deze evangeliën zou kunnen zijn dat zij door belanghebbenden geschreven zijn. De groep die Jezus al voor zijn dood volgde, kan er belang bij gehad hebben om zijn opstanding te proclameren. Op deze geschriften is mijn geloof in de opstanding niet gebaseerd. Het is de tweede soort ervaring van Jezus’ opstanding die me veel meer aan het denken, en geloven, zet.

Die opstandingservaring is opgedaan door mensen die géén volgeling van Jezus waren, en er geen belang bij hadden om christen te worden. Bij hen denk ik aan Paulus. De verschijning van Christus kwam hem buitengewoon ongelegen, want zij gooide zijn hele programma door de war. Dat programma bestond uit de vervolging van christenen.

Hoewel Paulus Jezus zelf niet heeft gekend, zat hij er in tijd dichtbij. Al snel na diens dood begon Paulus de christenen te vervolgen. De inzichten in de reden waarom hij dat deed zijn in het moderne onderzoek bijgesteld, vooral door de Joodse classicus Martin Goodman uit Oxford, bij wie ik studeerde. Vroeger werd gedacht dat Paulus christenen vervolgde omdat zij beleden dat Jezus van Nazareth de Christus, de Messias is. Inmiddels weten we dat dat niet de reden was. Het jodendom uit die tijd was zeer breed: wie beleed dat Jezus de Christus was kon toch binnen de bandbreedte blijven.

Het probleem lag voor Paulus niet in het feit dat christenen Jezus als de Christus zagen, maar in de manier waarop zij deze Christus-figuur zagen, te weten als Wereldheiland, als Christus voor de volken, als een universele Christus, die de grenzen tussen rein en onrein, tussen Judees – Galilees – Samaritaans oversteeg in de richting van de heidense volken. En daarmee ook aantrekkingskracht uitoefende op die volken. De echo’s daarvan kunnen we beluisteren in buitenbijbelse bronnen, bij de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus, die in zijn ’De Oude Geschiedenis van de Joden’ het volgende over Jezus schreef: „Hij was een leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. En veel Joden alsook velen van de Grieken bracht hij tot zich.”

Wat de voorchristelijke Paulus daarbij vreesde, was dat de toestroom van heidense Grieken tot Christus niet onopgemerkt zou blijven bij de Romeinen, die immers de politieke macht hadden. Noch de Romeinen noch de Grieken zouden accepteren dat heidenen afscheid namen van hun eigen traditionele, heidense gewoonten bij een overgang naar het christendom. Aangezien de christenen nog een stroming vormden binnen het jodendom, naast bijvoorbeeld Farizeeërs, Sadduceeën en Essenen, was de voorchristelijke Paulus bang dat Romeinse onvrede over de bekering van heidenen tot het christendom negatieve gevolgen zou hebben voor het jodendom. Om die reden keerde Paulus zich tegen de joodse christenen. Dat komt naar voren in zijn Galatenbrief, waar hij schrijft: „U hebt gehoord hoe ik vroeger volgens de joodse godsdienst leefde, dat ik de gemeente van God fanatiek vervolgde en haar probeerde uit te roeien. Ik leefde de joodse wetten heel wat strikter na dan velen van mijn generatie en zette mij vol overgave in voor de tradities van ons voorgeslacht.”

De reden waarom Paulus christenen vervolgde is zijn overtuiging dat de tradities van het Joodse voorgeslacht onder druk komen te staan als de Romeinen zouden interveniëren in het jodendom, uit onvrede over de wijze waarop de joodse christenen met hun aantrekkingskracht op heidenen de Romeinse en Griekse tradities in gevaar brengen. Aan beide kanten, aan de Romeinse kant en aan de zijde van de anti-christelijke Paulus ging het dus om het behoud van de voorvaderlijke tradities, tegenover het christendom dat daarmee brak.

Twee jaar lang, vanaf de dood van Christus, keerde Paulus zich tegen de christenen. Niet in Judea, waar hij de christengemeenten nooit ontmoette, maar in Syrië, in steden als Damascus. Op weg daarnaartoe verscheen Christus hem in het jaar 32. Deze verschijning aan Paulus lijkt precies op de verschijning van de opgestane Christus aan Petrus, aan de ’twaalven’ (apostelen), aan Jakobus, aan vijfhonderd broeders tegelijk, en aan alle overige apostelen, althans in de manier waarop Paulus deze beschrijft. Het grote verschil tussen alle genoemden en Paulus is dat Paulus als enige nog geen discipel van Christus was.

Het opvallende aan Christus’ verschijning aan Paulus is dat de verschijning als zodanig voldoende is om Paulus tot andere gedachten te brengen. Er is geen uitvoerige, inhoudelijke communicatie tussen Christus en Paulus. Dat is ook niet nodig. Dát Christus verschijnt, spreekt voor zich, en stelt de christenen die door Paulus vervolgd werden, en de gedachten die zij hadden over de universaliteit van deze Christus in het gelijk. Vandaar dat Paulus de verschijning zelf kan zien als zijn roeping om Christus universeel, onder de volken, te verkondigen.

Dat moment, waarop Paulus zijn christenvervolging en zelotische verdediging van de Joodse gewoonten opgeeft, beschrijft hij als volgt: „Maar toen besloot God, die mij al vóór mijn geboorte had uitgekozen en die mij door zijn genade heeft geroepen, zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik hem aan de volken zou verkondigen”. De universele Christus zoals deze door de christenen verkondigd werd, was zijn struikelblok geweest, maar nu verscheen deze Christus hem, en verleende daarmee geldigheid aan wat de christenen over hem zeiden.

Een dergelijke interventie kennen we uit de Joodse literatuur ook uit het apocriefe ’2 Makkabeeën’, waar beschreven wordt hoe in de tweede eeuw voor Chr. de Griekse rijkskanselier Heliodorus van zijn koning de opdracht krijgt om de rijkdommen van de Jeruzalemmer tempel in beslag te nemen: „Maar toen hij met zijn lijfwachten voor de ingang van de schatkamer stond, verscheen de Heer van alle geesten en machten op zo’n ontzagwekkende wijze, dat iedereen die het gewaagd had de tempel binnen te dringen, getroffen werd door de macht van God en alle kracht en moed verloor”.

De overeenkomst met Paulus is dat beiden, Heliodorus en Paulus, op de grond neervallen, wegzinken in een diepe duisternis en volkomen hulpeloos worden. Een belangrijk verschil is dat óver Heliodorus geschreven wordt, terwijl Paulus zijn eigen ervaringen beschrijft.

In de woorden van Paulus hebben we een ervaring uit de eerste hand. Deze ervaring bracht hem ertoe het evangelie van de universele Christus te gaan verkondigen. Zoals hijzelf schrijft: „De christengemeenten in Judea hadden mij nog nooit ontmoet, maar iedereen had over mij horen vertellen: ’De man die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof dat hij toen probeerde uit te roeien’.” Het gevolg voor Paulus persoonlijk was, dat hij nu zelf van twee kanten vervolgd zou worden, van Joodse kant en door de heidenen.

Wat het verhaal van Paulus zo geloofwaardig maakt, is dat hij zoals gezegd voor de dood en opstanding van Jezus nog geen discipel was. Het perspectief van Petrus en de andere discipelen kennen we vanuit de evangeliën, maar blijft altijd enigszins problematisch: het dient hun belangen om te beweren dat Christus is opgestaan.

Het perspectief van Paulus druist juist tegen zijn eigen belangen in, en zijn ommekeer valt het beste te begrijpen uit de veronderstelling dat hij inderdaad een ervaring van de opgestane Christus heeft gehad. De opstanding is niet waar omdat het in de Bijbel staat, het staat in de Bijbel omdat het waar is, verankerd in de werkelijke, onverwachte ervaring van Paulus zelf. Het is tegen deze achtergrond dat ook de andere opstandingservaringen, van hen die reeds discipel waren, aannemelijk en geloofwaardig worden.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie