Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Van opvang moet kind beter worden

Home

Monique Kremer en wetenschappelijk medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)

De Nederlandse moeder gaat meer werken. Dat zou nog toenemen als de crèches wat beter waren en oudere moeders makkelijker werk konden vinden.

Als het gaat over de arbeidsdeelname van moeders is ons land vaak te klein. De een vindt dat moeders meer moeten werken, de ander juist minder. Columniste Heleen Mees (NRC Handelsblad) bijvoorbeeld stookt graag het vuurtje op. Vrouwen die niet voltijds werken, verpesten het voor de rest. Zo neemt niemand meer een vrouw aan. De economie lijdt ook nog eens onder de luiheid van moeders. En dan is er nog de kwestie waarom ze zo weinig werken.

De Nederlandse overheid spendeert bakken met geld om vrouwen aan het werk te krijgen, bijvoorbeeld via een verbeterde kinderopvangtoeslag. Nu komt het Sociaal en Cultureel Planbureau naar buiten met het bericht dat financiële prikkels er nauwelijks toe doen: het zijn de opvattingen van moeders (en hun moeders, en vriendinnen) die maken dat ze weinig uren werken. Is al het belastinggeld nu over de balk gegooid?

Vergeleken met twintig jaar geleden is er veel verbeterd. De discussie gaat niet meer over de vraag of moeders wel of niet moeten werken, maar over het aantal uren dat ze dat moeten doen. Daarbij wordt vaak vergeten dat Nederland de laatste twee decennia de grootste revolutie van Europa heeft meegemaakt. Waren we altijd het achterblijvertje van Europa, nu werken bijna evenveel Nederlandse als Deense moeders. Het beroep huisvrouw heeft afgedaan. Wel is inderdaad het aantal uren dat moeders met jonge kinderen werken beperkt. Dat kan misschien een tandje hoger.

Toch is het relevanter om je af te vragen waarom jonge vrouwen meer uren zouden moeten werken. Van moeders wordt immers veel verwacht. De Wet Maatschappelijke Ondersteuning verlangt dat ze meer in de buurt doen en mantelzorg verlenen, scholen willen graag dat ze meehelpen in de klas (ook goed voor de schoolprestaties van hun kinderen) en tenslotte moeten ze vooral meer kinderen krijgen, in verband met het dalend geboortecijfer.

Emancipatiebeleid moet niet alleen zijn pijlen richten op moeders met jonge kinderen. Het kan veel beter in termen van ouderenbeleid gevoerd worden. Pas als de kinderen ouder zijn willen veel moeders én vaders graag carrière maken of aan een andere veeleisende baan beginnen. Maar dan worden ze door werkgevers als te oud gezien. Wat het emancipatiebeleid in Nederland echt zou helpen is als mensen – mannen én vrouwen – boven de vijfenveertig op de arbeidsmarkt goede kansen kregen. Het vergroten van lenigheid op de arbeidsmarkt heeft meer effect op de positie van vrouwen dan het voortdurende gebakkelei over hoeveel uur jonge moeders zouden moeten werken.

Bovendien gaan jonge moeders vanzelf meer werken als de financiële prikkels van de overheid in het verlengde liggen van de morele boodschap over kinderopvang.

Geld en cultuur worden in de discussie teveel tegen elkaar uitgespeeld. Daarbij zijn financiële prikkels van de staat en cultuur van het volk. Als je verschillende Europese verzorgingsstaten met elkaar vergelijkt blijkt inderdaad dat enkel financiële prikkels niet zullen werken, en zeker niet op de korte termijn. Een moeder brengt heus niet meteen haar kind naar de opvang als blijkt dat het lekker goedkoop is. Voor moeders – en vaders – is het vooral belangrijk dat kinderopvang van hoge kwaliteit is. Financiële prikkels werken alleen als ze passen binnen een moreel kader waarin kinderopvang buitenshuis gezien wordt als een belangrijke bijdrage aan de opvoeding, en niet als enkel ‘opvang’. Dan kan geld een belangrijke katalysator zijn voor culturele verandering.

Neem bijvoorbeeld Denemarken, het land met de hoogste arbeidsdeelname onder moeders. Tegen de verwachting in zijn er nog steeds veel kostwinnersvoordelen in het Deense belastingstelsel. Maar die hebben niet het gevolg dat vrouwen thuis blijven. Dat komt omdat de hoofdboodschap een andere is, namelijk dat het beter is voor kinderen als ze naar goede, pedagogisch verantwoorde kindercentra gaan dan dat ze thuis bij de moeder blijven. In Denemarken is kinderopvang dan ook een recht. Niet voor werkende ouders maar voor kinderen. Dat kinderopvang in Denemarken voor alle ouders – ook met hogere inkomens – relatief goedkoop is bekrachtigd deze visie. De Deense overheid heeft daarmee de boodschap willen uitdragen dat kinderopvang van dezelfde waarde is als onderwijs: kwalitatief goed en vrij toegankelijk. Dus op het moment dat financiële prikkels passen in de algemene boodschap kunnen die een belangrijke impuls geven. Anders is het inderdaad weggegooid geld.

Cultuur – dus ook de opvattingen van oma’s – is echt niet onveranderlijk. En de overheid kan nog steeds culturele veranderingen aanjagen. De overheid is immers niet alleen een marktkoopman die vraag en aanbod samenbrengt, of een notaris die wetten en wensen bekrachtigd; de overheid is ook (nog steeds) een priester, zeker in een tijd waarin andere morele instituties, zoals de kerk, minder zeggingskracht hebben. Maar dan moeten financiële prikkels wel in lijn zijn met een grotere, morele, boodschap, namelijk dat kinderopvang niet alleen betaalbaar is, maar vooral ook goed. In vergelijking met Scandinavië staat de kinderopvang nog in de kinderschoenen. Nederlandse moeders en vaders willen kinderen er alleen heen brengen als ze denken dat het kind er ook beter van wordt. Gelijk hebben ze.

Deel dit artikel