Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Van jongens-met-de-schop tot heel grote baggeraars

Home

Koos Schwartz

De emmerbaggermolen aan het werk in het kader van de Zuiderzeewerken aan het werk bij de uitwateringssluizen van Den Oever, in 1931. Foto uit het boek ‘Grondleggers’. © W. Verkerk

Zonder de baggermannen van Bos, Kalis en al die andere pioniers waren grote stukken Nederland niet veilig geweest of hadden zelfs niet bestaan. De geschiedenis van de branche is nu opgetekend in het boek ‘Grondleggers’.

Het Groot Noordhollandsch Kanaal werd in de negentiende eeuw vrijwel geheel gegraven door polderjongens met schop en kruiwagen. Het was toen, met een lengte van tachtig kilometer, het langste kanaal in de wereld. Tot in de twintigste eeuw zouden deze jongens-met-de-schop een voorname, zo niet de voornaamste, rol spelen in het baggerwerk.

Lees verder na de advertentie

Wat zou Nederland geweest zijn zonder baggermannen als Bos, Kalis, Van Hattum, Blankevoort, Broekhoven, Volker, Van Hattem, De Vilder en Van Oord? Zonder moddermolens, emmerbaggermolens, zandzuigers, zuigbuizen, snijkopzuigers en baggerbeugels? Grote stukken Nederland waren er niet geweest, of waren niet veilig geweest.

De stap van het verkopen van rijshout naar het zelfstandig aannemerschap was niet zo groot. De mannen uit de Biesbosch kenden het water door en door

Joke Korteweg

Baggeraars kwamen bovengemiddeld vaak uit Sliedrecht en Werkendam. Daar woonden de griendwerkers, de griendeigenaren en de griendhandelaren. Griendwerkers wonnen griend- of rijshout, meestal afkomstig van wilgen, in De Biesbosch.

“De stap van het verkopen van rijshout aan aannemers naar het zelfstandig aannemerschap was niet zo groot. De mannen uit de Biesbosch kenden het water en de griendproducten door en door”, schrijft Joke Korteweg in haar net verschenen boek ‘Grondleggers. Het verhaal van de Nederlandse baggeraars’.

Van het griendhout werden matten gevlochten. Die matten, verzwaard met stenen, hielden onder het water zand goed vast. Ze waren onmisbaar bij waterbouwkundige werken: als bodem- of oeverbescherming. “De matten zijn een Nederlands idee”, vertelt Korteweg. Wanneer ze zijn ‘uitgevonden’, is niet helemaal zeker. In de zeventiende eeuw, vermoedt ze.

Belangrijk waren de zinkbazen. Zij moesten zorgen dat de grote matten en de zware zinkstukken (meestal stenen) precies op tijd werden afgezonken. Het afzinken moest beginnen op het moment tussen eb en vloed (of tussen vloed en eb), als de stroomsnelheid van het water laag is. De zinkbazen namen hun beslissingen op gevoel.

“Nederlanders waren er keien in”, zegt Korteweg. Vergiste de zinkbaas zich toch, dan kwamen de matten-met-stenen op de verkeerde plek terecht en kon het werk over.

Moerdijkbrug

1868 is een belangrijk jaar voor de baggersector, stelt Korteweg. Natuurlijk waren er daarvoor al veel kanalen gegraven, dijken versterkt, polders gevormd, rivieren verdiept, bruggen gebouwd en zinkstukken afgezonken. Maar in 1868 beginnen Adriaan en Dirk Volker met de fundering van de pijlers voor de Moerdijkbrug, dan de langste van Europa. Onder leiding van Britten wordt het Noordzeekanaal gegraven, met hulp van Brits baggermaterieel. En er wordt begonnen met de aanleg van de Nieuwe Waterweg.

Een misser van de bekende ingenieur Pieter Caland staat in datzelfde jaar aan de wieg van een soort van revolutie. Caland denkt dat de ondiepe geul tussen Rotterdam en de zee door de werking van eb en vloed vanzelf dieper zal worden. Maar dat blijkt niet het geval. De Waterweg slibt dicht. Er zijn, dat is wel duidelijk, veel grote baggermolens nodig.

Tot dan toe zijn die molens meestal eigendom van provincies die ze verhuren aan baggeraars. In 1868 besluiten baggeraars, Bos en Volker voorop, zelf materieel te kopen. Eerst doen ze dat met financiële hulp van anderen, daarna ook voor zichzelf. “Binnen een decennium werd de natte aannemerij een kapitaal- en kennisintensieve sector met hoogontwikkeld materieel”, schrijft Korteweg.

Opvallend: belangrijke vindingen op baggergebied komen vaak uit het buitenland. Nederlandse natte aannemers kijken steeds de kat uit de boom.

De Waterweg leidt tot een doorbraak van de stoomemmerbaggermolen – die emmers zand en slib met een ketting via een ladder omhoog hijst – en van de zuiger. Die graaft niet, maar zuigt zand op. Tot dan toe hebben de Nederlandse baggeraars niet of nauwelijks gebruik gemaakt van stoommolens en zuigers.

Ze maken naam. Ze zijn nog niet betrokken bij het graven van het Suezkanaal, dat in 1869 gereed komt. Maar in de laatste decennia van de negentiende eeuw werken ze geregeld in het buitenland, tot aan Argentinië (Van Hattum) toe.

Opvallend: belangrijke vindingen op baggergebied komen vaak uit het buitenland. De emmerbaggermolen komt uit Engeland, de eerste stoomemmerbaggermolens ook. Frankrijk en Engeland leveren de eerste zuigers. Later komen de eerste cutters, die de te baggeren grond met messen loswerken, uit de VS. De eerste bulldozers, waarmee baggeraars opgebaggerd zand verwerken, ook.

De Nederlandse natte aannemers kijken in die gevallen steeds de kat uit de boom, zegt Korteweg. Hebben ze nieuwe schepen of technieken eenmaal gezien, dan gaan ze die verbeteren.

Afsluitdijk

‘Een kapitaal- en kennisintensieve sector met hoogontwikkeld materieel.’ Dat klinkt mooi, maar is ook risicovol. Als grote werken met groot (nieuw) materieel eenmaal zijn uitgevoerd, is er lang niet altijd nieuw emplooi voor dat materieel.

Neem de Afsluitdijk. Een groot deel van de vaderlandse baggersector bouwt tussen 1927 en 1932 mee aan dit waterbouwkundige huzarenstuk. Als de klus is geklaard, is er overcapaciteit op de markt, en niet zo’n beetje ook.

Dat probleem speelt daarna vaker. Drukke en slappe periodes wisselen elkaar af. Dat hoort bij de branche. Een incidentele zeperd trouwens ook. Niet altijd werkt een nieuw schip of een nieuwe techniek zoals verwacht.

Denk aan het wandelend cutterplatform Simon Stevin, dat in het begin van de jaren tachtig bijna het einde betekent van Volker Stevin. Soms zijn er tegenvallers bij projecten of zijn bodems heel anders dan gedacht. Honderdduizenden tanden van cutterzuigers sneuvelen op de keiharde rotsbodems in het Midden-Oosten waar Nederlandse baggeraars vanaf de jaren zestig veel havens aanleggen.

Kinnesinne

De Afsluitdijk, natuurlijk deels opgebouwd uit wilgentakken, markeert belangrijke veranderingen. Tot dan toe is er vaak kinnesinne tussen Rijkswaterstaat en de baggeraars. De ingenieurs kijken neer op de doeners, de baggeraars hebben minachting voor de rekenaars. Korteweg: “Baggeraars weigerden soms domweg zaken te berekenen. Zij werkten op hun ervaring en op hun gevoel.”

Bij de Afsluitdijk is het anders. Rijkswaterstaat bepaalt de looptijd, de prijs en de voorwaarden van het enorme project. Binnen die kaders krijgen de aannemers relatief veel vrijheid. De afspraken doen denken aan de contracten die nu, zo’n tachtig jaar later, voor grote bouwprojecten worden afgesloten. De nieuwe aanpak blijkt te werken. Rijkswaterstaat profiteert van de praktijkervaring van de baggeraars, de baggeraars leren planmatig (samen) te werken en beginnen het belang van wetenschappelijk onderzoek in te zien, schrijft Korteweg.

De Afsluitdijk kost 1 miljoen meer dan de begrote 125 miljoen. De bedrijven verdienen er goed aan. De meeste arbeiders worden redelijk betaald – daar heeft Rijkswaterstaat afspraken over gemaakt. In het verleden was dat bij grote projecten wel anders. De jongens-met-de-schop spelen nog wel een rol bij een de aanleg van de Afsluitdijk, maar machines voeren de boventoon.

Zeeuwse dijken

Na de Tweede Wereldoorlog tekenen Nederlandse baggerbedrijven voor het herstel van de Zeeuwse dijken die in de oorlog kapot zijn gebombardeerd. Ze vullen de grote dijkgaten op met caissons die zijn gebruikt bij de landing van de geallieerde troepen in Normandië en met oorlogswrakken uit Nederland.

Boskalis is nu maritiem dienst­ver­le­ner. Van Oord verdient zijn geld met windparken op zee. Hun wortels? Die liggen in Sliedrecht en in Werkendam.

Kobus Kalis ziet dat aanvankelijk niet zitten. Dijken dicht je toch met klei? Kalis gaat overstag als de aanpak blijkt te werken. Na de Watersnoodramp van 1953 komt er het Deltaplan. Goed voor jaren en jaren, vaak inventief, werk. De Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg, gereed gekomen in 1997 vormt er het sluitstuk van.

De sector zelf is dan natuurlijk compleet veranderd. Veel van de oorspronkelijke familiebedrijven zijn in de loop van de twintigste eeuw verdwenen of opgekocht. Ze zijn te klein om grote investeringen te doen, lopen tegen financiële zeperds aan, worden overgenomen door andere partijen of zijn daartoe gedwongen. In 1980 zijn er nog twintig zelfstandige baggerondernemingen, in 1991 nog zes.

Heden ten dage zijn er nog twee grote over: Boskalis en Van Oord. Er zijn maar weinig sectoren waar de concentratiegolf zo heeft toegeslagen als in de bagger. Hoewel, bagger?

Boskalis betitelt zichzelf niet meer als baggeraar, maar als maritiem dienstverlener: het bedrijf verzorgt ook sleepdiensten, zware transporten over zee en levert diensten aan de olie- en gasindustrie. Van Oord verdient een deel van zijn geld met de installatie van windparken op zee.

Hun wortels? Die liggen in Sliedrecht en in Werkendam.

Lees ook:

Hoe Van Oord de baggerstrijd overleefde

Oud-president-commissaris Koos van Oord sr. publiceert een boek over fusies in de baggerwereld.

Deel dit artikel

De stap van het verkopen van rijshout naar het zelfstandig aannemerschap was niet zo groot. De mannen uit de Biesbosch kenden het water door en door

Joke Korteweg

Opvallend: belangrijke vindingen op baggergebied komen vaak uit het buitenland. Nederlandse natte aannemers kijken steeds de kat uit de boom.

Boskalis is nu maritiem dienst­ver­le­ner. Van Oord verdient zijn geld met windparken op zee. Hun wortels? Die liggen in Sliedrecht en in Werkendam.