Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Van huisvader tot massamoordenaar

Home

CHRISTOPHER BROWNING

Wat bewoog doodgewone mannen in de Tweede Wereldoorlog om moordmachines te worden? De Amerikaanse historicus Christopher Browning ging gisteren tijdens zijn 'Nooit meer Auschwitz-lezing' in op de motieven van de daders van de Holocaust. Via het in Polen gelegerde Politie Reservebataljon 101 belandt Browning in de psychiatrische rapporten van de Rwandese genocide ¿ en vindt sleutels tot het omtoveren van gewone mensen in gretige beulen, tot op de dag van vandaag.

Zeventig jaar en een week geleden, op 20 januari 1942, bespraken zestien mannen in een villa aan de Berlijnse Wannsee tijdens de lunch hoe de totale uitroeiing van de Europese Joden aan te pakken. De 'Endlösung', waarvoor volgens voorzitter Richard Heydrich 'praktische ervaringen' waren opgedaan, was aanstaande.

Deze week ook is het 67 jaar geleden dat het Sovjetleger in Auschwitz arriveerde, waar de 'mogelijke oplossingen' voor de Endlösung hun dodelijke hoogtepunt hadden bereikt - een fabriek van de dood, geïndustrialiseerde massamoord volgens een lopendebandprincipe.

Tussen deze roemruchte data bevindt zich een minder bekende: 13 juli 1942. In de vroege ochtend van die dag stapten 500 mannen van het Reserve Politiebataljon 101 uit hun trucks aan de rand van het Poolse dorp Jozefow. Hun leider, majoor Wilhelm Trapp, sprak ze toe. De mannen waren nauwelijks voorbereid, getraind, of geïndoctrineerd voor de taak die ze wachtte. De meesten waren ongeschoolde arbeiders uit Hamburg en wat hun leeftijd (gemiddeld 39 jaar) en sociale achtergrond betreft wellicht de minst geschikte groep Duitse mannen om professionele moordenaars voor Hitler te worden.

Tranen rolden over de wangen van Trapp, zijn stem stokte: hij had zichtbaar moeite zijn emoties te bedwingen. Het bataljon stond voor een onplezierige taak waar hij zelf niet achter stond, maar het bevel kwam van hogerhand. Ze moesten de Joden van Jozefow omsingelen, de mannen die konden werken selecteren voor de werkkampen in Lublin en wie overbleef - vrouwen, kinderen, zwakkeren, ouderen - doodschieten in de bossen.

Trapp besloot zijn toespraak met een buitengewoon aanbod: als iemand zich niet tegen deze taak opgewassen voelde, mocht hij eruit stappen. Ongeveer een dozijn mannen meldde zich, na enige aarzeling. In de loop van de dag maakten nog enkele politiemannen gebruik van deze mogelijkheid.

Het schieten duurde de hele dag. Bij het vallen van de avond waren 1500 Joden doodgeschoten. Ze waren gedwongen in het bos met het gezicht naar beneden op de grond te gaan liggen voordat ze van dichtbij in het achterhoofd werden geschoten. De uniformen van de mannen waren doordrenkt met het bloed en besmeurd met de hersenen en schedelfragmenten van hun slachtoffers. Als we hun na-oorlogse getuigenissen moeten geloven waren ze verbitterd en geschokt door wat ze hadden moeten doen, en boos.

Deze moordpartij was slechts het begin. In de zestien maanden die volgden namen de mannen deel aan het doodschieten van 38.000 Joden, 45.000 werden op treinen naar Treblinka gezet. Alle mannen van het bataljon raakten van deze eerste moordpartij weliswaar van slag, maar in de loop van de tijd raakten ze simpelweg gewend aan hun taak; sommigen kregen er zelfs plezier in.

Ik heb dit bataljon eerder in drie groepen verdeeld: een opvallende minderheid van enthousiaste moordenaars, dan een minderheid die zich niet vrijwillig opgaf voor het schieten, maar aan alles meedeed wat het bataljon werd opgedragen, en ten derde: een minderheid van mannen die het aanbod van de majoor aannamen en niet schoten, ik schat zo'n tien tot twintig procent van de groep.

Politie Reservebataljon 101 was geen typisch nazi-moordcommando, maar het voorbeeld helpt om de Grote Vraag te beantwoorden die boven elke discussie over de Holocaust zweeft: 'waarom moordden zij?'

Het zijn twee vragen in één: naar de motieven van de individuele moordenaars - een vraag die evenveel antwoorden toelaat als er daders zijn. En de vraag naar algemene verklaringen over menselijk gedrag dat ons iets zou kunnen laten begrijpen van daden die voor ons totaal buitenaards en onbegrijpelijk zijn.

Een probleem dat een eenvoudig antwoord in de weg staat is dat er zoveel verschillende soorten daders waren.

Ik deel ze in vier categorieën in. Allereerst de ideologen, de hardcore-nazi's, activisten die leiderschap wilden, hun ideologie wilden realiseren en die de straat opgingen om dit moorddadige beleid in de praktijk te brengen. Een voorbeeld was de groep vertrouwelingen rond Heydrich. Dan waren er de schijnbaar a-politieke professionals en experts: generaals, industriëlen, artsen en wetenschappers met dezelfde doelen als het nazi-regime. De afgelopen jaren is deze categorie verbreed naar accountants, ingenieurs, architecten, theologen, ja zelfs historici. Dan waren er de functionarissen in lagere overheidsdienst. Banale bureaucraten, achter wier imago Adolf Eichmann zijn eigen aandeel probeerde te verhullen; een tactiek die goed genoeg werkte om Hannah Arendt te misleiden. Er zijn talloze voorbeelden, van spoorwegambtenaren die de treinreizen zonder retour planden. Plaatselijke functionarissen die deportaties begeleidden om sleutels van appartementen in te zamelen, die vervolgens via het Duitse Rode Kruis aan behoeftige Duitsers werden uitgedeeld. Zij keken vooral hoe goed ze hun werk deden en letten niet op de fysieke en morele consequenties ervan.

En dan waren er de 'doodgewone mannen', de willekeurig samengestelde Wehrmacht, de reserve ordepolitie: een doorsnede van de Duitse samenleving, mensen die eigenhandig andere mensen om het leven bleken te kunnen brengen als ze zich in een bepaalde situatie bevonden, en die zo overweldigende aantallen burgers, inclusief ouderen, vrouwen en kinderen bleken te kunnen vermoorden.

Dit zijn de gebruikelijke categorieën, al weten we, door steeds verdergaand onderzoek, dat deze elkaar overlappen. Ook landschapsarchitecten en stedebouwkundigen in Polen zagen de schoonheid van het planten van bomen, het slopen van achterbuurten en het doden van Joden. En ook de bureaucraten in de lagere regionen voerden niet alleen de voorgeschreven routine uit, maar namen ook zelf initiatief om problemen op te lossen, om 'naar de Führer toe' te werken.

Ik concentreer me hier op de laatste categorie, de 'doodgewone mensen' die zich als moordenaars ontpopten. Er duiken op zijn minst vier soorten verklaringen voor hun daden op:

1: Dwang. Achteraf beweerden de beschuldigden bijna zonder uitzondering dat ze gedwongen waren om te moorden. Een makkelijke verdediging, waarmee ze de morele en juridische verantwoordelijkheid naar anderen afschoven. Ze moesten bevelen opvolgen, ze waren slechts de instrumenten van anderen. Het grote probleem met deze verklaring was empirisch: hun advocaten hebben gedurende tientallen jaren geen enkel document kunnen vinden waaruit zou blijken dat iemand die weigerde om ongewapende burgers te vermoorden daarvan verschrikkelijke consequenties heeft ondervonden.

De term hiervoor werd 'veronderstelde intimidatie': zij geloofden oprecht dat ze onder druk stonden, ook als dit niet het geval was. Maar aangezien ze onder een repressieve dictatuur leefden, durfden ze de gevolgen ervan niet uit te testen.

Daarom is het voorbeeld van het Reserve Politiebataljon 101 cruciaal, omdat in dit geval deze 'vermeende intimidatie' overduidelijk niet aan de orde was.

2: De 'autoritaire persoonlijkheid' (door onder anderen Adorno in de jaren vijftig gemunt om 'het potentieel fascistische individu' te beschrijven, red.). In deze optiek waren de meeste daders geen sadisten, in de rechtszaal leken ze vrij normaal en onschuldig. Hier dook het begrip op van de autoritaire persoonlijkheid: 'sluimerende trekken' die pas naar boven kwamen door een proces van selectie en zelfselectie onder de condities van een totalitair regime. Ook deze uitleg bood een uitweg om zich van het moorddadige gedrag van de nazi's te distantiëren. De meeste daders waren tot moorden gekomen doordat ze lid waren van bepaalde groepen en eenheden en niet omdat ze een specifiek individueel pad aflegden.

3. De culturele verklaring. Ook deze uitleg bood een uitweg door het scheppen van afstand: als de individuele daders geen psychische afwijkingen hadden, dan moest de complete cultuur wel abnormaal en afschuwelijk zijn. De eerste variant van Duitse culturele abnormaliteit legde de nadruk op het militarisme, op het autoritaire en niet liberale karakter van eerst Pruisen en na 1871 het Duitse rijk. In deze visie had Duitsland een Sonderweg ('speciale route') afgelegd. Die verklaarde het mislukken van de republiek van Weimar als democratisch experiment, de opkomst van de Hitlerdictatuur en het gehoorzame gedrag van de Duitse daders tijdens de Holocaust.

Een tweede variant, zoals omschreven door de historicus Daniel Goldhagen ('Hitlers gewillige beulen', 1996), benadrukte een uniek, op uitroeiing gericht antisemitisme, dat de gewone Duitser eeuwenlang cultureel was ingeprent. Daardoor was Duitsland 'zwanger van genocide', 'gewone Duitsers' wachtten ongeduldig op een regime dat ze zou 'loslaten' om de uitroeiing van de Joden, waar ze zo lang naar hadden verlangd, uit te kunnen voeren.

4. Er is een andere benadering die het perspectief verschuift van het individu naar de groep. Hier ligt de nadruk op universele kenmerken van menselijk gedrag, in plaats van op specifieke culturele kenmerken. Het gedrag van Holocaust-daders wordt gezien als een product van groepsdynamiek en sociale interactie in plaats van als een culturele of individuele afwijking. Het richt zich op inzichten uit de sociale psychologie, niet op de psychologie of de cultuurgeschiedenis.

Ik noem hier drie experimenten die bepalend zijn geweest voor deze categorie. Zo is er het conformiteits-experiment uit de jaren vijftig van Solomon Asch. Hier wordt een proefpersoon omringd door een (geïnstrueerde) groep, die unaniem een verkeerde waarneming als goed aanmerkt. De proefpersoon blijkt vaak geneigd hier in mee te gaan, in plaats van de confrontatie aan te gaan. Het tweede is het experiment van Stanley Milgrim, dat ging over 'gehoorzaamheid aan autoriteit': proefpersonen werd gevraagd stroomstoten toe te dienen aan andere personen. Tweederde van hen bleek bereid extreme pijn aan anderen toe te brengen, een minderheid probeerde, als er geen toezicht was, juist minder erge stroomstoten toe te dienen. Gehoorzaamheid aan autoriteiten blijkt een krachtige factor voor sociaal gedrag.

Het 'Stanford Prison Experiment' van Philip Zimbardo was erg relevant voor mijn onderzoek naar het Reserve Politiebataljon 101. Zimbardo verdeelde een groep vrijwilligers - uitgebreid getest als zijnde 'normaal' - in 'gevangenen' en 'cipiers' en plaatste ze in een gesimuleerde gevangenis. Het experiment moest vroegtijdig worden stopgezet omdat de cipiers in een razend tempo vernederende en onmenselijke manieren bedachten om de gevangen onder de duim te houden. Een derde van de bewakers ontpopte zich enthousiast als uitvoerders met een vindingrijke wreedheid, een derde was 'hard maar rechtvaardig', en minder dan twintig procent probeerde juist goed te zijn voor de gevangenen.

Deze belangrijke inzichten uit de sociale psychologie zijn pas vanaf de jaren negentig door Holocaust-historici opgepakt.

In hun boek 'Crimes of Obedience' (dat zich richt op Amerikaanse soldaten in Vietnam) onderzochten Herbert Kelman en Lee Hamilton de reacties op misdadige bevelen: die van de 'ware gelovigen' die niet alleen orders opvolgen maar ook de ideologie erachter volledig omarmen, de 'aanpassers': die uit plichtsgevoel gehoorzamen, maar dit nooit vrijwillig zouden doen. Een derde groep voert deze handelingen alleen uit als ze onder toezicht staat, en anders niet.

En dan is er nog het begrip van de 'cognitieve dissonantie' dat sociale psychologen ontwikkelden om te verklaren wat er gebeurt als mensen handelen tegen hun eigen moraal in.

Zo'n conflict tussen daden en opvattingen veroorzaakt stress, en mensen proberen die stress te verlichten door hun opvattingen te veranderen als ze hun handelingen niet kunnen veranderen.

Deze twee inzichten helpen te verklaren hoe het tot genocide kan komen. In de loop van de tijd kunnen mensen die in eerste instantie alleen orders opvolgen veranderen in 'ware gelovigen' die de ideologie erachter omarmen, zich de zaak eigen maken en daarbij ook in toenemende mate ijverig en wreed worden.

Er is ook kritiek geweest op het toepassen van deze sociaal-psychologische inzichten in het onderzoek naar de daders van de Holocaust. De genoemde experimenten zouden niet meer aan de huidige eisen voldoen. Veel critici ook vinden de verklaringen uit de sociaal-psychologische hoek moreel gezien dubieus, omdat ze de individuele daders een excuus zouden verschaffen en van hun verantwoordelijkheid ontheffen. Naar mijn idee is het naast elkaar leggen van verklaringen voor groepsgedrag en de oordelen over individuele verantwoordelijkheid het vergelijken van appels en peren. Dat er in elk moordcommando mannen waren die níet moordden toont naar mijn idee aan dat elk individu in staat was een moreel verantwoordelijk besluit te nemen, ook als sociaal psychologische inzichten voorspellen dat de meesten juist níet de beslissing nemen die we het liefst zouden zien.

Een derde punt van kritiek richt zich op het conformisme: als de meerderheid van de daders aanvankelijk geen 'ware gelovigen' was, en conformisme een belangrijke factor, dan zouden deze daders druk moeten uitoefenen om tegen de executiebevelen in te gaan. Maar onderzoek naar criminele bendes heeft het begrip 'pluralistische onwetendheid' opgeleverd: hoewel de meeste bendeleden niets crimineels willen doen voelen ze zich gedwongen om mee te doen, allemaal vanuit de misvatting dat anderen deze bendetradities in stand willen houden. Het gedrag van de bende als groep was niet de optelsom van de opvattingen van de individuele leden, zij conformeerden zich aan een veronderstelde consensus door 'pluralistische onwetendheid'.

Een ander punt van kritiek is dat de sociaal-psychologische benadering ideologie en cultuur negeert. Achteraf zie ik dat ik bij het schrijven van 'Doodgewone mannen' een fout gemaakt heb: in het voorlaatste hoofdstuk besprak ik de Duitse opvattingen over Polen en Joden, in het slothoofdstuk plaatste ik de omstandigheden in een sociaal-psychologische context - alsof dit twee verschillende benaderingen waren.

Ten slotte beweren sommige critici dat de sociaal-psychologische aanpak tot de verkeerde vraag heeft geleid, door te willen verklaren hoe de daders over hun morele bezwaren heen kwamen. De echte vraag zou moeten zijn hoe en waarom de daders hun eigen handelen als moreel correct, als goed en noodzakelijk gingen zien, zonder schuldgevoel achteraf. Zelfs de historici die opvattingen van Goldhagen van de hand wezen, argumenteerden dat Duitsland, nadat het zich in 1933 een 'nazi-moraliteit' verschafte, de normen verschoof, Joden buiten de gemeenschap van menselijke verplichtingen sloot en daardoor geen gewetenscrisis hoefde door te maken over het vermoorden van Joden.

Deze opvatting wordt volgens mij weerlegd door empirisch bewijs: de meeste mannen ervoeren wel degelijk innerlijke strijd, verdriet en groot ongemak tijdens hun eerste moorddadige handelingen, die waren zelfs tramautisch. Het accepteren van een 'nazi-moraal' betekende dus niet dat de andere waarden en opvattingen compleet verduisterd raakten. Ik zou zeggen dat de meeste Duitsers in een staat van ontkenning door het Derde Rijk heenleefden, in plaats van dat ze een keuze maakten tussen trouw zijn aan het nazi-regime en traditionele morele opvattingen. De meesten weigerden een scherpe keuze te maken, zoals Dietrich Bonhoeffer zei, tussen de overwinning van Duitsland en het nationaal-socialisme of het verlies van Duitsland en de overwinning van de Europese christelijke beschaving. Ze dachten dat ze beide konden bereiken.

De mannen van het moordcommando RPB 101 moesten wel een scherpe en onontkoombare keuze maken. Toen ik 'Doodgewone mannen' schreef was de kritiek dat ik ontlastende verklaringen accepteerde voor het gedrag van de mannen, die tot verdraaide conclusies leidden. Laten we twee verschillende vooronderstellingen onderzoeken.

1. Geloofde de meerderheid van de daders in een 'Nazi-moraal' over de juistheid en noodzaak van het moorden, of was er een breder spectrum aan houdingen en gedrag?

2. Deden de moordenaars vanaf het begin wat ze deden zonder strijd of beletsel, of veranderden en verhardden ze significant door hun ervaringen?

Ik gebruik hiervoor het voorbeeld van een reservist, een oud-zakenman van veertig uit Bremen die zijn diensttijd als fotograaf voor het Reserve Politiebataljon vervulde. Hij schreef zijn vrouw een serie brieven die gelukkig bewaard zijn gebleven. Aanvankelijk raakte hij niet onder de indruk van de 'criminele bevelen' die aan de vooravond van operatie Barbarossa over het bataljon werden uitgestrooid. Hij snapte ze ook niet, en schreef sarcastisch: "De majoor zegt dat we elke verdachte meteen moeten doodschieten. Nou, ik word er onzeker van." Over de officieren sneerde hij: "De heren beelden zich in dat ze erg belangrijk en mannelijk zijn."

In juli veranderde de correspondentie van toon. Hij schreef over zijn twee Joodse bedienden. "Over Joden kun je vrijelijk beschikken. Iedereen kan er zo een van de straat plukken." Die Joden hadden niet de beschikking over voedsel. "Hoe ze in leven blijven, ik heb geen idee. We geven ze ons brood en wat extra's. Zo moeilijk kan het niet wezen."

Een maand later noteert hij: "Alle Joden zijn hier doodgeschoten. Dergelijke acties komen er overal aan. Gisternacht zijn 150 Joden uit de buurt doodgeschoten, mannen, vrouwen, kinderen, allemaal gedood. De Joden worden totaal uitgeroeid." Hij raadde zijn vrouw aan er niet over na te denken ('zo gaat dat') en er hun oudste dochter 'nog niks over te vertellen'. Let op zijn schrijfstijl: hij gebruikt de passieve vorm ('worden uitgeroeid') die je ná de oorlog overal aantreft, maar ook hier al, tijdens de oorlog; hij laat de identificatie met de handelende personen achterwege. Van enige vorm van borstklopperij is geen sprake, maar er valt ook geen greintje schaamte te bespeuren.

Maar de stemming van de briefschrijver sloeg in de volgende weken snel om. Aan het eind van de zomer bestempelde hij de Russen als 'beesten', 'honden', 'afval' dat weg moest. Hij miste een executie - "ik hoorde dat het leuk was". Hij beklaagde zich over de Sovjets met hun politiek van de verschroeide aarde, waardoor er niets te plunderen (en naar huis te sturen) overbleef. Hun krijgsgevangen gingen dood van de honger. "In een deterneringskamp zie je de akeligste taferelen. Die mensen zouden beter dood kunnen zijn." Toen zijn eigen eenheid verliezen leed, schreef hij dat zijn kameraden kwaad werden en "het liefst alle Russen overhoop zouden schieten".

De man die kort tevoren nog aan zijn vrouw had gevraagd alles voor hun dochter te verzwijgen, filmde een executie. "In de toekomst wordt mijn film een document met het grootste belang voor onze kinderen."

Deze brieven weerspiegelen een adembenemend snelle verdierlijking. De Bremer reservist begon zijn diensttijd niet als een boosaardige dader, maar hij veranderde door de 'uitroeiingsoorlog' tegen de Sovjet-Unie in hoog tempo in een 'ideologische krijger' voor de Nazizaak.

Ten slotte. Valt het inzicht in de daders van de Holocaust te verdiepen door wat we weten van andere genocideplegers? We weten veel meer van Holocaustdaders dan van hen die genocide hebben gepleegd op de Armeniërs, of van de massamoordenaars van Stalin en Mao, of van de Cambodjaanse 'zelf-uitroeiing' onder Pol Pot. Maar uit de ervaringen uit Rwanda kunnen we wel wat leren. Daarvoor is het werk van Athanase Hagengimana bruikbaar, een Rwandese psychiater die in 2002 en 2003 met mij in het Holocaust Memorial Museum onderzoek deed. Hij was half Tutsi, half Hutu; één van zijn zussen is vermoord omdat ze Tutsi was, een andere werd gearresteerd als Hutu-genocidepleegster. Aanvankelijk werkte Hagengimana met slachtoffers van de genocide, later behandelde en bestudeerde hij de moordenaars.

Ten eerste keek hij naar de mate van betrokkenheid, gebaseerd op zelfevaluatie. Dat zegt niet alles - maar met de mensen die zichzelf vrijwillig beschuldigden, had Hagengimana wel een harde kern van daders te pakken.

Zijn tweede instrument probeerde de motivatie van daders te meten. Hij testte een veelheid van factoren, maar slechts twee bleken voor de motivatie significant; ze hadden een dramatische uitwerking.

De eerste factor die eruit sprong, was de ontmenselijking van slachtoffers, het vermogen om een wereld te creëren waarin de vermoorde slachtoffers geen deel uitmaken van menselijke verplichtingen jegens elkaar, maar van alle waarde ontdaan zijn. De tweede bepalende factor was conformering: de zelfverklaarde daders maten hun gevoel van eigenwaarde af aan de normen van de groep en van het genocidale Hutu-bewind.

Ik zie in de grote overeenkomst tussen nazi- en Rwandese daders een bevestiging van het belang dat we moeten toekennen aan universele factoren in de menselijke natuur die kunnen voorkomen dat mensen hun vermogen tot het plegen van massamoord gaan uitleven.

In Rwanda én in het Derde Rijk ontnamen ideologische factoren de slachtoffers hun waardigheid. De ideologie verbande hen uit de gemeenschap van menselijke verplichtingen. Daarnaast speelden omstandigheden die daders status en gevoel van eigenwaarde bezorgden, een wezenlijke, beslissende rol. Van deze inzichten uit de sociale psychologie en van die bepalende situatie kun je niet zeggen dat ze de misdaden alleen maar hebben gestimuleerd, of mogelijk hebben gemaakt. Deze factoren verdienen onze voortdurende aandacht als we een antwoord zoeken op de vraag: 'Waarom moordden ze?'

Helaas bevestigt dit de akelige slotsom dat regeringen die uitzijn op massamoord er altijd weer in zullen slagen om 'gewone mensen' om te toveren in 'willige beulen'.

Christopher Browning

Browning versus Goldhagen over de 'Duitse' Holocaust
Historicus Christopher Browning (1941) is hoogleraar in North Carolina (VS). In zijn invloedrijke studie 'Doodgewone mannen. Een vergeten hoofdstuk uit de jodenvervolging' (1992) beschrijft hij hoe een groep gewone Duitsers van middelbare leeftijd mee ging draaien in Hitlers vernietigingsmachinerie.

Volgens de omstreden Harvard-politicoloog Daniel Goldhagen ('Hitlers willige beulen', 1996) was dat typisch voor Duitsers: ze waren dankzij eeuwen antisemitisme doordesemd van Jodenhaat. Browning stelt dat de 'doodgewone mannen' helemaal geen sadisten, fascisten of antisemieten waren, maar door algemenere factoren tot hun daden werden gebracht, zoals sociale en psychologische druk. Browning beschouwt de Holocaust dus niet als een uitsluitend Duits fenomeen.

Dit artikel is een bewerking van de Nooit meer Auschwitzlezing 'Revisiting the Holocaust Perpetrators. Why Did They Kill?' die Browning gisteren in Amsterdam heeft gehouden.

Advocaten hebben geen enkel document kunnen vinden waaruit zou blijken dat iemand die weigerde om ongewapende burgers te vermoorden daarvan verschrikkelijke consequenties heeft ondervonden.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie