Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Van Gogh wilde kijken als ’de zo eenvoudige Japanners, die in de natuur leven alsof ze zelf bloemen waren’.

Home

door Hans Masselink

’De Japanse kunst is iets als de primitieven, als de Grieken, als onze oude Hollandse schilders, Rembrandt, Potter, Hals, Vermeer, Van Ostade, Ruysdael. Dat kent geen einde.’ Het was Vincent van Gogh die dit in 1888 vanuit het Franse Arles schreef aan zijn geliefde broer Theo. De Nederlandse schilder die zijn mooiste werken in Frankrijk maakte, was gek op Japanse prentkunst, vooral vanwege het prachtig kleurgebruik.

In Parijs waar Vincent bij broer Theo logeerde waren enkele winkels die zich hadden toegelegd op Japanse kunst. Hij vergaarde er grafiek. In Antwerpen had Vincent al eerder Japanse houtsneden verzameld. Hij werd er ’gelukkig en vrolijk’ van, de werken inspireerden hem tot het maken van een drietal ’japonaiserieën’, schilderijtjes naar voorbeeld van Japanse werken.

Japan spookte door het hoofd van Van Gogh. Zo bezeten was hij er van dat hij over de Franse Provence schreef: ’Ik houd mezelf voor dat ik hier in Japan ben.’ Hij wilde ’Japans’ kijken, naar de kleinste details in de natuur. ’Kijk is dat niet bijna een ware religie die ons wordt geleerd door de zo eenvoudige Japanners, die in de natuur leven alsof ze zelf bloemen waren’, schreef Van Gogh.

De kunst uit het tijdperk van de verlichte regering van keizer Meiji (1868-1912) vond zijn weg naar Europa vooral via wereldtentoonstellingen. Het onbekende Japan wilde zich graag aan de wereld tonen, had pretenties om een wereldmacht te worden. Veel kunstvoorwerpen vonden zo hun weg naar de Europese hoofdsteden. De expo in Parijs van 1867 was een doorbraak. Het publiek zag er de interieurs van Japanse huizen, lakdozen, vazen, kamerschermen, kimono’s, waaiers, enzovoort.

Op de wereldtentoonstelling in Wenen van 1873 werden voor het eerst de inzendingen van de Meiji-regering getoond. Een journalist van een Weense krant schreef: ’Europa is in deze laatste decennia gewoonweg verjapanst, terwijl Japan Europeser werd. Onze kinderen laten zich Japanse kapsels aanmeten en in de tuinen van Europa bloeien Japanse sierheesters en bloemen.’

En ook op de wereldtentoonstelling in Amsterdam in 1883 (op de plek van het huidige Museumplein) trok Japan de aandacht. Een medewerker van het architectuurtijdschrift ’De Opmerker’, een zekere Osado (pseudoniem), vond de Franse inzending de mooiste van de hele expositie, totdat hij de Japanse afdeling zag. Het email, lakwerk en bronswerk was in zijn ogen ’zoo prachtig, dat men zich niet begrijpen kan, hoe het mogelijk is iets zo volmaakts voort te brengen’. Overigens, de Japanners beklaagden zich in Amsterdam over ’der weinigen kooplust der Hollanders. De eenigen, die nog wat gekocht hadden, waren vreemdelingen.’

De Japanse invloed op Vincent Van Gogh was voor het Van Gogh Museum in Amsterdam reden om in de nieuwe vleugel extra aandacht te besteden aan Japan en zijn kunst. Een deel toont de Meiji kunst uit het keizerlijke Japan, uit de collectie van de Iraanse verzamelaar prof. Nasser David Khalili, en in een ander deel is een expositie te zien met oude prenten van de plaatsen aan de Toikado, de Grote Kustweg van de hand van de Japanse kunstenaar Utagawa Hiroshige (1797-1858) en met als tegenhanger recente foto’s van de hand van de Nederlandse fotograaf Guus Rijven.

De Toikado was eeuwenlang de belangrijkste verkeersader van Japan. De weg van 500 kilometer lang verbond het keizerlijke Kyoto met het wereldlijke Edo, het huidige Tokio. Langs deze weg onstonden in de zeventiende eeuw 53 pleisterplaatsen. Talloze prentenseries zijn er verschenen over deze tot de verbeelding sprekende plekken. De bekendste zijn die van Utagawa Hiroshige.

Na de Tweede Wereldoorlog besloot Japan de beroemde kustweg, die in verval was geraakt, weer op te knappen en aantrekkelijk te maken voor dagjesmensen en wandelaars. Nu is er weer van alles te beleven blijkt uit de fotoserie van Guus Rijven, een ode aan die Tokaido.

De 53 pleisterplaatsen, en begin- en eindstation, zijn als het ware ’losse kralen’, iedere foto spreekt voor zich zelf, vertelt in feite een verhaal van het huidige Japanse leven, dat nog vol tradities zit.

Rijven fotografeert in Kusatsu een circuit waar Japanners hun radiografische bestuurde wagens laten racen. Even verder de grafzerken van Ishibe, en de vogeldrum met vossenstraatje in Minakuchi, die de koekoek, de kankodiri nabootst.

Of de burakuin, de grootste minderheidsgroep in Japan, vergelijkbaar met kastelozen of onaanraakbaren in India. Ze stammen af van slachters, lijkverbranders en beulen, waarzeggers, of leerbewerkers, beroepen die volgens de Japanse reinheidregels als vuil werden gezien.

Deel dit artikel